---
title: "7 september 2001 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 7 september 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2001-09-07-a1c9"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

7 september 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

127 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 07.09.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer**

**AR 99/4207/A**

Fiscaal geschil

BTW

Verzet tegen dwangbevel

## Eindvonnis in eerste aanleg en op tegenspraak

Inzake van :

**Mevrouw A. D. D.**, wonende te …, … en ingeschreven in het HR te Brussel onder het nummer …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **M.-P. D.**, advocaat, met kantoor te …, ….

**tegen :**

**De BELGISCH E STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor, met kantoren gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. V.** loco Mr. **A. D.**, advocaat, met kantoor te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 29 juni 2001, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

\- het exploot van dagvaarding van **P. W.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder **P. C.** te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 8 april 1999, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt,

\- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 25 juni 1999, op 28 januari 2000 en op 31 januari 2001;

\- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 1 oktober 1999, op 22 september 2000 en op 6 april 2001;

\- de beschikking "art. 750, § 2 Ger. W." van deze rechtbank van 15 februari 2001.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zittingen van **8 en 29 juni 2001**, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

Mevrouw **D. D.**, huidige eiseres, is uit hoofde van haar beroepsactiviteit als handelaarster BTW-plichtig en als dusdanig geregistreerd onder nummer ….

Op 30 oktober 1995 kocht zij een autovoertuig Chrysler Grand Voyager. waarop zij de BTW van 188.503 F. voldeed. Dit voertuig werd bij de Directie voor Inschrijvingen van Voertuigen (D.I.V.) ingeschreven als een *'lichte vrachtwagen met dubbele cabine'*. Na betaling van de verkeersbelasting werd jaarlijks het fiscaal kenteken voor *'lichte vrachtauto's'* uitgereikt.

Bij nazicht van de aftrekregeling voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1995 werd, op grond van de door mevrouw **D. D.** voorgelegde boekhouding bij controle door het tweede BTW-controlekantoor te Halle op 21 februari 1996, vastgesteld dat mevrouw **D. D.** de BTW op de aankoop van het bewuste voertuig, alsook op de onderhoudsfacturen en brandstofkosten volledig had afgetrokken, voor een totaal bedrag van 203 .344 F.

Volgens de controleambtenaar gebeurde dit ten onrechte, aangezien art. 54, § 2 W.BTW de aftrek van de BTW beperkt tot 50 %.

Op 15 juli 1996 werd een proces-verbaal opgesteld, krachtens hetwelk mevrouw **D. D.** aan de Belgische Staat, huidig verweerder, verschuldigd was :

\- de som van 101.674 F. als BTW;

\- de som van 203.348 F. als fiscale geldboete krachtens art. 70, §§ 1 en 1bis W.BTW verminderd tot 10.000 F.; in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel beoogd in art. 85 W.BTW zou deze boete overeenkomstig [art. 2 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) van 30 januari 1987 worden verhoogd met 50 % tot 15.000 F.;

\- 0, 8 % per maand te rekenen vanaf 21 januari 1996 over het bedrag van de verschuldigde belasting afgerond op het lager duizendtal (101.000 F) als interesten van rechtswege verschuldigd op grond van art. 91, § 1 W.BTW.

Op 3 maart 1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd op grond van dit proces-verbaal.

Op 10 maart 1999 werd het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 11 maart 1999 werd het dwangbevel samen met het proces-verbaal van 15 juli 1996 aan mevrouw **D. D.** ter kennis gebracht.

Op 8 april 1999 ging mevrouw **D. D.** over tot betekening van een exploot houdende verzet tegen dit dwangbevel.

## III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiseres vraagt *- in hoofdorde -* haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de daarbij gevorderde sommen geenszins door haar verschuldigd zijn.

Verder vraagt zij verweerder te veroordelen tot terugbetaling van elke som welke hij desgevallend uit hoofde van vermeld dwangbevel heeft geïnd, verhoogd met interesten.

*- In uiterst ondergeschikte orde -* vraagt zij de vordering tot betaling van enige geldboete en de interesten daarop aangerekend, ongegrond te verklaren.

Verweerder vraagt het verzet van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar in haar eis af te wijzen.

B. BEOORDELING

### 1) Wat de bevoegdheid van deze rechtbank betreft

Ter openbare zitting van 8 juni 2001 wierp de voorzitter van de 33ste kamer van deze rechtbank de vraag naar de (territoriale) bevoegdheid van deze rechtbank op om van onderhavig geschil kennis te nemen.

Om die reden werd de zaak trouwens in voortzetting gezet op de zitting van 29 juni 2001, teneinde partijen toe te laten daarover standpunt in te nemen.

Partijen verwijzen terecht naar (oud) art. 89, lid 3 W.BTW, volgens hetwelk de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd (in casu het BTW-ontvangkantoor te Halle) ressorteert.

Dit art. 89 W.BTW. werd door de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen slechts gewijzigd voor wat betreft belastingen, boeten en interesten waarvoor de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vanaf 1 januari 1999.

Dit is in casu niet het geval, nu de aanslag betrekking heeft op een beweerde verkeerde toepassing van de aftrekregeling van de BTW voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1995.

Derhalve dient onderhavige zaak volgens de oude procedure, zoals die gold voor de door voornoemde Wet van 15 maart 1999 aangebrachte wijzigingen, te worden afgehandeld, en dient er bijgevolg te worden vanuit gegaan dat deze rechtbank territoriaal bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.

### 2) Wat de vordering van eiseres in hoofdorde betreft

Eiseres verwijst naar de normen tot omschrijving van voertuigen die vallen onder toepassing van art. 45, § 2 W.BTW, en meer bepaald tot omlijning van het onderscheid tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen enerzijds, en lichte vrachtwagens anderzijds, zoals die vervat liggen in de circulaire nr. 10 van 11 september 1987, zoals nadien gewijzigd door de circulaire nr. 25 van 11 december 1990.

Daarin wordt uitdrukkelijk gesteld dat deze nieuwe criteria gemeen zijn aan de BTW, aan de inschrijvingsbelasting, aan de verkeersbelasting en aan de materies welke ressorteren onder de bevoegdheid van de minister van Verkeerswezen.

Volgens eiseres komt haar voertuig, zijnde een voertuig met dubbele cabine, als lichte vrachtwagen in aanmerking voor de volledige aftrek van de BTW. Zij stelt dat haar voertuig, zijnde de "vito dubbele cabine", een bestelwagen is waarin vijf of zes personen kunnen worden vervoerd, en waarbij een tussenschot de zitplaatsen van de laadruimte scheidt. Dit tussenschot werd bij aankoop door de garage geplaatst en dit overeenkomstig de in voormelde circulaire gestelde vereisten, derwijze dat het voertuig opvolgend bij de DIV op 31 oktober 1995 werd ingeschreven als "lichte vrachtwagen". Op 7 november 1995 reikte de automobielinspectie een keuringsbewijs uit, waarbij het betrokken voertuig als "lichte vrachtwagen" werd erkend. Volgens eiseres werd elk jaar het fiscaal kenteken (na betaling van de verkeersbelasting) uitgereikt voor een "lichte vrachtauto".

De BTW-administratie roept in dat eiseres ten onrechte de BTW volledig heeft afgetrokken met betrekking tot het voertuig Chrysler Grand Voyager, onder verwijzing naar art. 45, § 2 W.BTW, dat bepaalt dat *"ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger mag zijn dan 50 % van de betaalde belasting”*.

Deze beperking van aftrek geldt evenwel niet voor autobussen, vrachtwagens en lichte vrachtwagens. Een *"autovoertuig met dubbele cabine"* kan evenwel slechts als een *"lichte vrachtwagen"* worden aangemerkt en aldus genieten van de volledige aftrek van BTW wanneer dit voertuig voldoet aan bepaalde voorwaarden, die terug te vinden zijn in de administratieve circulaire nr. 10 van 11 september 1987, zoals nadien gewijzigd door de circulaire nr. 25 van 11 december 1990.

In zijn proces-verbaal van 15 juli 1996 stelt verweerder dat het voertuig van eiseres niet voldoet aan deze voorwaarden, in het bijzonder omdat *"de bestuurdersruimte oorspronkelijk niet volledig was gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen en het voertuig door verbouwing niet is afgeleid van een afgestolen bestelwagen"*. Meer bepaalt stelt verweerder dat *"waar de passagiersruimte van een voertuig met dubbele cabine oorspronkelijk kan gebouwd zijn als een afgesloten gedeelte, dan wel aldus kan verbouwd worden, in casu de constructie tot dubbele cabine afgeleid is geworden van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik; een dergelijke constructie is volledig uitgesloten"*.

Volgens verweerder heeft de DIV een administratieve misslag begaan door het voertuig van eiseres in te schrijven als "lichte vrachtwagen met dubbele cabine"

De rechtbank stelt vast dat de administratieve nonnen tot kwalificering van een voertuig ais lichte vrachtwagen, zoals terug te vinden in de circulaire nr. 10 van 11 september 1987, zoals gewijzigd door de circulaire nr. 25 van 11 december 1990, de volgende zijn :

*"Onder de term "lichte vrachtwagen" wordt voortaan verstaan "elke auto met een hoogste toegelaten gewicht van niet meer dan 3.500 kg, gebouwd of definitief omgevormd voor het vervoer van goederen en essentieel voor dit doel bestemd.*

*(...)*

*Een voertuig kan slechts aan deze omschrijving beantwoorden wanneer op zijn minst de volgende voorwaarden vervuld zijn :*

*1.* *het voertuig is uitgerust met ten hoogste één rij zetels vooraan of één zitbank vooraan;*

*2.* *het voertuig heeft een niet wegneembare vlakke laadvloer voor goederen, één geheel vormend met het voertuig door middel van laswerk, rivetten, bouten met afbrekende kop of een ander procedé met gelijkwaardig resultaat en met een lengte die in principe niet kleiner mag zijn dan de helft van de·wielbasis;*

*3.* *de mogelijkheid tot het plaatsen van zetels en veiligheidsgordels in de laadruimte is onbestaande, hetgeen inhoudt dat op het laadvlak geen verankerings-, aanhechtings- of bevestigingspunten voor zetels, zitbanken en veiligheidsgordels aanwezig zijn;*

*4.* *wanneer het koetswerk is afgeleid van een model dat zal worden goedgekeurd in de categorie van de personenauto's of auto's voor dubbel gebruik, dient een stevig en niet weg neembaar tussenschot (gebeurlijk in de vorm van een stevig traliewerk) de rij zetels vooraan of de zitbank vooraan volledig af te scheiden van de ruimte bestemd voor de goederen en dit tot op een hoogte van minstens 20 cm; in de andere gevallen dient de bescherming van de inzittenden van het voertuig tegen het in beweging komen van de lading verzekerd te zijn door afdoende middelen.*

*De lengte van het laadvlak moet gemeten worden vanaf het tussenschot (of vanaf het vervangend beschermingsmiddel) tot aan de achterste binnenwand van het voertuig op een hoogte van 20 cm boven de vloer.*

*Indien het voertuig oorspronkelijk niet aan voormelde criteria voldoet, kan het slechts als lichte vrachtwagen worden aangemerkt indien - en vanaf het ogenblik waarop - het derwijze definitief omgevormd is dat het voortaan voldoet aan de hierboven uiteengezette voorwaarden; dit betekent dat de verankeringspunten achteraan definitief werden verwijderd of geneutraliseerd.*

*(…)".*

Met betrekking tot de voertuigen met dubbele cabine wordt in de circulaire nr. 25 van 11 december 1990 een afwijking toegestaan waarbij deze voertuigen, voor zover ze voldoen aan de hiervoor vermelde voorwaarden 1 tot 4 - met uitzondering van voorwaarden 1 en 4 - tevens volgende voorwaarden dienen te vervullen om als lichte vrachtwagen te worden erkend :

*"1. de bestuurdersruimte bestaat in een stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen; deze passagiersruimte mag oorspronkelijk zo gebouwd zijn (type :·”pick-up'') ofwel door verbouwing afgeleid zijn van een gesloten bestelwagen, met uitsluiting van elke verbouwing van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik tot een "dubbele cabine''.*

*Zo het voertuig afgeleid is van een “gesloten bestelwagen”, moet een wand, niet weg neembaar gemaakt door lassen of door een ander gelijkwaardig procedé (met uitsluiting van een bevestiging met schroeven) de goederenruimte volledig van de passagiersruimte scheiden, zonder mogelijkheid tot doorgang van de ene naar de andere ruimte;*

*2.* *de passagiersruimte moet twee rijen zetels omvatten. De achterste zetels van de "'dubbele cabine" mogen naar voor gerichte of zijdelings geplaatste zetels of zitbanken zijn. In ieder geval mag deze passagiersruimte maximaal 6 zitplaatsen bevatten, de zitplaats van de bestuurder niet inbegrepen;*

*3.* *de goederenruimte mag in de zijwanden niet met ruiten uitgerust zijn; indien er ruiten aanwezig zijn, moeten zij afgedicht worden. Hierbij zijn zelfklevende films of verf uitgesloten".*

De rechtbank meent dat verweerder op grond van voormelde administratieve circulaires terecht voorhoudt dat de door eiseres aangekochte wagen niet kan worden aangemerkt als een lichte vrachtwagen.

Uit voormelde circulaires volgt immers dat niet meer als lichte vrachtwagen wordt aangemerkt, het voertuig dat een tweede rij zetels of zitbank heeft, zelfs niet wanneer deze geplaatst zijn tegen de zijwanden, opklapbaar zijn en uitsluitend voor het vervoer van werklui dienen.

Op deze regel dat het voertuig slechts uitgerust mag zijn met ten hoogste één rij zetels of één zitbank bestaat een uitzondering ten aanzien van de voertuigen met "dubbele cabine", wanneer zij aan een aantal voorwaarden voldoen, die nader zijn omschreven in de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990.

In geen enkel geval kan de hoedanigheid van voertuig met dubbele cabine worden toegekend aan personenwagens en auto's voor dubbel gebruik. Deze hoedanigheid is slechts voorbehouden voor bepaalde voertuigen waarvan het gewicht in de buurt komt van het maximum van 3.500 kg en waarvan de structuur deze van vrachtwagens benadert.

Het argument van eiseres dat ingevolge het plaatsen van een tussenschot de bestuurdersruimte volledig gescheiden is van de voor de goederen bestemde ruimte kan niet worden bijgetreden. In de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 staat immers uitdrukkelijk dat de passagiersruimte van een voertuig met dubbele cabine oorspronkelijk zo mag gebouwd zijn (type "pick-up") ofwel dat de constructie afgeleid kan zijn van een gesloten bestelwagen met uitsluiting van elke verbouwing van een personenauto of een auto voor dubbel gebruik tot een dubbele cabine.

Bijgevolg kan het kwestieuze voertuig in casu niet worden aangemerkt als een lichte vrachtwagen voor de toepassing van de BTW.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat eiseres ten onrechte voorhoudt dat zij recht heeft op de volledige aftrek van de BTW met betrekking tot het door haar aangekochte voertuig.

Eiseres verwijst anderzijds naar de uitdrukkelijk vermelding in voormelde administratieve aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, onder nr. 4, dat de in deze circulaire uitgewerkte criteria *"geldig zijn voor de BTW, de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving)"*.

In dat verband kan de rechtbank niet voorbijgaan aan het feit dat het door eiseres aangekochte voertuig op 31 oktober 1995 bij de DIV werd ingeschreven als lichte vrachtwagen, dat het voertuig op het gelijkvormigheidsattest werd omschreven als lichte vrachtwagen, en dat elk jaar voor het voertuig een fiscaal kenteken als lichte vrachtwagen werd afgeleverd.

Voormelde administratieve circulaires regelen niet het geval waarin een voertuig op grond van de daarin uitgewerkte criteria voor de toepassing van de BTW niet als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd, terwijl het voor de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het Ministerie van Verkeerswezen wel als dusdanig zou worden beschouwd.

De rechtbank meent evenwel dat eiseres ten onrechte voorhoudt dat verweerder contradictorisch stelt dat de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de DIV (die ressorteert onder het Ministerie van Verkeerswezen) op zich niet beslissend is voor de BTW­administratie.

Deze door eiseres aangekleefde zienswijze komt erop neer dat voormelde administratieve circulaires twee verschillende wijzen zouden bevatten om uit te maken of een voertuig al dan niet als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd : in de eerste plaats de in deze circulaires opgenomen voorwaarden, in de tweede plaats de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven voor de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het Ministerie van Verkeerswezen.

De rechtbank meent dat het niet mogelijk is een dergelijke draagwijdte aan voormelde administratieve circulaires te geven. De enige wijze om uit te maken of een voertuig als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd, bestaat erin de criteria/voorwaarden van deze circulaires toe te passen.

Volkomen terecht houdt de administratie van de BTW zich aan deze criteria, zonder dat de categorie waaronder het voertuig is ingeschreven bij de DIV of voor de inschrijvingstaks of de verkeersbelasting daaraan afbreuk kan doen voor wat de aftrekregeling van de BTW betreft.

Vanuit dat standpunt beschouwd, is het inzake de aftrekregeling van de BTW uiteindelijk zonder belang dat de DIV ingevolge gewijzigde instructies, die zijn ingegaan op 1 januari 1996, het kwestieuze voertuig niet langer inschrijft als lichte vrachtwagen en de goedkeuring als voertuig met dubbele cabine vanaf die datum werd ingetrokken, alsook het feit, zoals eiseres voorhoudt, dat deze wijzigende instructies opnieuw werden gewijzigd, waarbij werd teruggekeerd naar de situatie van voor 1 januari 1996.

Evenmin kan uiteindelijk van belang worden geacht dat voor het voertuig in kwestie elk jaar een fiscaal kenteken voor lichte vrachtwagens werd afgeleverd.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres - voor wat de aftrekregeling van de BTW betreft - niet zonder meer mocht voortgaan op het feit dat het door haar aangekochte en in het verkeer gebrachte voertuig door de DIV als een lichte vrachtwagen werd gekwalificeerd.

Enkel indien de BTW-administratie zelf gedurende een zekere tijd de kwalificatie van lichte vrachtwagen aan het kwestieuze voertuig had gegeven, zou eiseres het rechtszekerheidsbeginsel hebben kunnen inroepen. In dat verband heeft het Hof van Cassatie immers beslist dat het recht op rechtszekerheid o.m. inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid (zie : Cass., 27 maart 1992, Arr. Cass., 1991-92, 727; BTW­Revue, 1995, 815; Fisc. Koer., 1992, 374; N.F.M., 1993, 70; Pas., 1992, I, 680; R.C.J.B., 1995, 53).

In casu kan bezwaarlijk worden gesteld dat er een vaste en reeds jaren geldende gedrags- of beleidsregel van de BTW-administratie voorhanden was, die erin bestond het kwestieuze voertuig op het vlak van de BTW als lichte vrachtwagen te kwalificeren, wel integendeel.

Sedert 1987 geldt immers de administratieve circulaire nr. 10, volgens dewelke een type voertuig zoals dat van eiseres niet beantwoordt aan de voorwaarden om als een lichte vrachtwagen te worden gekwalificeerd. Er bestond derhalve geen vaste beleidsregel om de aftrek van de BTW ten belope van 100 % toe te laten voor wagens van het type van eiseres, wel integendeel, en de BTW administratie heeft na onderzoek de foutieve kwalificatie onmiddellijk rechtgezet, en gehandeld in overeenstemming met voormelde administratieve circulaires.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat het verzet van eiseres zoals geformuleerd in hoofdorde ongegrond dient te worden verklaard.

### 3) Wat de vordering van eiseres in uiterst ondergeschikte orde betreft

Indien de rechtbank de stelling van verweerder zou volgen, en dus zou aannemen dat een administratieve misslag werd begaan door de bevoegde officiële diensten, zoals de DIV, bestaat er volgens eiseres geenszins aanleiding om haar een fiscale geldboete op te leggen, zoals beoogd door art. 70, § 1 W.BTW. Eiseres meent dat een dergelijke door de officiële instanties begane misslag niet op haar kan worden afgewenteld.

Eiseres stelt dat de in art. 70, § 1 W.BTW bepaalde fiscale geldboete een strafsanctie in de zin van art. 6 E.V.R.M. uitmaakt, zodat de rechtbank de volledige rechtsmacht heeft om zowel te oordelen over de opportuniteit als over de hoogte van de boete.

Derhalve vraagt eiseres dat de vordering tot betaling van enige geldboete en interesten daarop aangerekend ongegrond zou worden verklaard.

Van zijn kant stelt verweerder dat de administratieve geldboete geenszins een repressief karakter in de zin van art. 6 E.V.R.M. heeft. Indien de rechtbank evenwel de mogelijkheid wordt geboden om te controleren wat onder de beoordeling valt van de administratie inzake de opgelegde boete, dient volgens verweerder te worden vastgesteld dat de boete a rato van 10 % terecht werd toegepast omwille van een in art. 70, §§ 1 en 1bis W.BTW. beoogde overtreding.

In deze discussie kan de rechtbank volstaan met te verwijzen naar het arrest nr. 22/99 van het Arbitragehof van 24 februari 1999 (BS, 30 april 1999, 15.063; Fiskoloog, 1999, aflevering 697, 5; F.J.F, 1999, 489; J.L.M.B, 1999, 532; J.T., 1999, 445; T.F.R., 1999, 385). Volgens het Arbitragehof is de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboeten te oordelen ongrondwettelijk. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G.W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Terloops vermeldde het Arbitragehof dat art. 6 E.V.R.M ook van toepassing is op de repressieve fiscale boeten.

Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel. Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt, aan de controle van de rechter mag ontsnappen.

In twee arresten van 5 februari 1999 (T.F.R., 1999, 375 en 381) slaat het Hof van Cassatie dezelfde weg in, maar gaat het nog niet zo ver. Het Hof stelde dat de waarborgen van art. 6 E.VR.M. (en van art. 14 BUPO-Verdrag) van toepassing zijn op de repressieve fiscale boeten.

Na voormelde arresten van het Arbitragehof en van het Hof van Cassatie is er de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen gekomen, waarbij de Minister van Financiën werd ontheven van zijn bevoegdheid i.v.m. boeten. De reden daarvoor was dat de wetgever aan de nieuwe fiscale rechters de bevoegdheid wenste toe te bedelen om zich uit te spreken over de kwijtschelding of de vermindering van de door de administratie opgelegde boeten. Daardoor werden in de diverse fiscale Wetboeken de woorden *"beslist ook over de verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten en ..."* geschrapt. Wel werd het in het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bepaalde milderingsrecht onaangeroerd gelaten. De Minister van Financiën heeft evenwel al laten verstaan dat hij niet van plan is de toepassing ervan te veralgemenen tot de prejudiciële fase van het geschil, laat staan tijdens de gerechtelijke fase. De Minister is van oordeel dat een administratieve beslissing over de opportuniteit van de boeten slechts mogelijk is na de beslissing over de wettigheid ervan, aangezien het om een genaderecht (Verslag namens de Commissie voor de Financiën en de Economische aangelegenheden, uitgebracht door de heren COENE en SANTKIN, Gedr. St., Senaat, 1998-99, nr. 966/11, pp.176-177).

Voormelde Wet van 15 maart 1999 heeft verder in het Ger. W. een art. 569, eerste lid, 32° ingevoerd, volgens hetwelk de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is geworden om te oordelen over *"geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet'*. Volgens de wetgever zelf is het de bedoeling dat de fiscale rechters, in plaats van de belastingadministratie, ook soeverein de hoogte van de administratieve boeten zou beoordelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de boete in onderhavig geval onevenredig met de door eiseres gepleegde overtreding van art. 45, § 2 W.BTW, met name omdat in dit dossier andere overheidsinstellingen een misslag hebben begaan, en eiseres, die volkomen te goeder trouw was, daardoor begrijpelijkerwijze in verwarring werd gebracht.

De rechtbank meent om voormelde redenen dat eiseres geen enkele geldboete opgelegd moet krijgen.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat het verzet van eiseres zoals geformuleerd in uiterst ondergeschikte orde gegrond dient te worden verklaard.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart het verzet van mevrouw **D. D.** tegen het dwangbevel ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Verklaart de vordering van de Belgische Staat tot betaling van enige geldboete en interesten daarop aangerekend ongegrond.

Veroordeelt dienvolgens de Belgische Staat tot terugbetaling van elke som die hij uit dien hoofde heeft geïnd.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen.

De kosten van het geding worden begroot ten aanzien van mevrouw **D. D.** op 7.105 F. (dagvaardingskosten en rolstelling) + 13.200 F (rechtsplegingsvergoeding) en ten aanzien van de Belgische Staat op 13.200 F. (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33ste kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **7 september 2001**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw **V.**, adjunct-griffier.

**V.** **V.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
