Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 18 mei 2001

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2001-05-18-7401

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
18 mei 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

98 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 18.05.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste KAMER

AR 96/9606/A

Fiscaal geschil

Eindvonnis op tegenspraak t. a. v. verweerder en bij verstek t. a. v. eiseres

Inzake van :

Mevrouw A. S., wonende te …, …, met woonstkeuze ter studie van gerechtsdeurwaarders W. C., L. C. en D. V.,

eiseres,

verstek latend.

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door het Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het 5de BTW-Ontvangkantoor te Brussel, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Brederodestraat 9,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. N. D. met kantoor te …, …


In deze zaak, in beraad genomen op 20 april 2001, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid

- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder D. V. te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 24 juli 1996, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 14 januari 1998 (en een tweede maal op 15 december 1999);

- de beschikking "art. 747, § 2 Ger W." van deze rechtbank van 26 november 1999.

Eiseres verscheen niet ter zitting, noch iemand voor haar, en ze legde evenmin besluiten neer ter griffie.

Gehoord de advocaat van verweerder ter openbare zitting van 20 april 2001, waarna het bundel met diens stavingsstukken neergelegd werd en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

Mevrouw S., huidige eiseres, was sinds 22 juni 1987 geregistreerd als BTW­belastingplichtige onder het nummer … voor haar activiteit van uitbaatster van een drankgelegenheid gelegen te …, …, en was gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Op 30 september 1991 werd het handelsregister door mevrouw S. stopgezet, op basis waarvan het BTW-dossier werd doorgehaald.

Op naam van mevrouw S. werd een bijzondere rekening bijgehouden voor de periode van 31 oktober 1989 tot 31 januari 1990 wegens niet-betaling van de BTW. Er werd ook een invorderingsorder opgemaakt met RCIV-nr. ….

Op 23 februari 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de heer ontvanger van het 5de BTW-Ontvangkantoor van Brussel, dat uitvoerbaar werd verklaard op 27 februari 1995.

Op naam van mevrouw S. werd een bijzondere rekening bijgehouden voor de periode van 31 juli 1990 tot 31 oktober 1990 wegens niet-betaling van de BTW. Er werd ook een invorderingsorder opgemaakt met RCIV-nr. ….

Op 20 februari 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de heer ontvanger van het 5de BTW-Ontvangkantoor van Brussel dat uitvoerbaar werd verklaard op 23 februari 1995.

Op 11 januari 1995 werd aan mevrouw S. een ambtelijke aanslag opgelegd met betrekking tot de periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991. Mevrouw S. was in gebreke gebleven de boeken en stukken, die zij op grond van het W.BTW en de ter uitvoering ervan gegeven regelen, diende te houden, op te maken en te ontvangen en ter inzage voor te leggen. Volgens de gedane vaststellingen had mevrouw S. tijdens deze periode belastbare beroepswerkzaamheden uitgeoefend als uitbaatster van een drankgelegenheid. Ondanks verschillende verzoeken was zij in gebreke gebleven op het controlekantoor, waaronder zij ressorteerde, de aangiften bedoeld in art 50, § 1, 3 en § 2 W.BTW en art 16 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 in te dienen voor handelingen die zij had verricht tijdens de periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991. Aan mevrouw S. werd bij aangetekend schrijven van 11 maart 1994 kennis gegeven van het voornemen van de administratie haar wegens voornoemde feiten een ambtelijke aanslag op te leggen. Mevrouw S. heeft op deze kennisgeving niet gereageerd, en derhalve werd haar krachtens art. 66 W.BTW een ambtelijke aanslag opgelegd, waarvan de beslissing haar werd betekend op 17 januari 1995. Een invorderingsorder werd opgemaakt met RCIV-nr. ….

Op 17 januari 1995 werd een proces-verbaal opgemaakt door de heer D., adjunct­verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Brussel VII, waaruit bleek dat mevrouw S. had nagelaten de boekhouding voor te leggen, die moest worden gehouden voor de periode van 1 januari 1990 tot 30 september 1991, en dat zij eveneens had nagelaten de periodieke BTW-aangiften met betrekking tot de handelingen van het 2de, 3de en 4de kwartaal 1990, 1ste, 2de en 3de kwartaal 1991 in te dienen.

Op 21 februari 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de heer ontvanger van het 5de ontvangkantoor van Brussel, dat op 6 maart 1995 uitvoerbaar werd verklaard.

Op 21 maart 1995 werden de drie voormelde dwangbevelen aan mevrouw S. betekend, met bevel te betalen.

Op 16 mei 1995 werd een uitvoerend beslag op roerende goederen betekend aan mevrouw S..

Op 13 juni 1995 werd een proces-verbaal van aanplakking opgesteld.

De eerste verkoop voorzien op 23 juni 1995 werd stopgezet ingevolge een betaling van 200.000 F. door mevrouw S..

Op 16 juli 1996 werd een nieuwe verkoopdag betekend aan mevrouw S..

Op 24 juli 1996 tekende mevrouw S. verzet aan tegen dwangbevel.


Eiseres vraagt haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens, de dwangbevelen die door verweerder zijn afgeleverd op 20 februari 1995 (RCIV-nr. …), op 21 februari 1995 (RCIV-nr. …) en op 23 februari 1995 (RCIV-nr. …) nietig en zonder enig effect te horen verklaren, evenals ieder ander ondertussen afgeleverd dwangbevel evenals het bevel tot betalen betekend door verweerder op 21 maart 1995, en de uitvoering door verweerder van het hiervoor vermelde bevel te horen verbieden.

Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en haar in al haar eisen af te wijzen

III. IN RECHTE

Eiseres stelt dat de sommen, waarvoor verweerder de betaling vordert, niet verschuldigd zijn om de volgende redenen :

- de inkomsten, die door de administratie van de belastingen werden vastgesteld, zijn niet juist en berusten op geen enkel bewijsstuk;

- het bedrag van de aankopen en leveringen stemt niet overeen met de bedragen vermeld door verweerder, die overigens in gebreke blijft om de bewijsstukken te leveren die hem zogezegd overgemaakt zijn door de leveranciers.

a) Wat betreft de dwangbevelen met RCIV-nrs. … en …

a. 1. Verweerder stelt dat het invorderingsnummer … betrekking heeft op de bijzondere rekening bijgehouden voor het tijdvak van 31 oktober 1989 tot 31 januari 1990 wegens niet-betaling van de BTW overeenkomstig art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 23 oktober 1970. Deze bijzondere rekening werd eiseres ter kennis gebracht per aangetekende brief van 12 maart 1990.

Uit het dwangbevel, dat op 25 februari 1995 werd uitgevaardigd, blijkt dat door eiseres volgende sommen verschuldigd blijven :

- als BTW : 66.169 F.

- als geldboete wegens niet-tijdige betaling van de BTW : 3.568 F.

- als geldboete wegens niet-tijdige indiening van de aangifte 4e kwartaal 1989 : 500 F.

- als interesten ingevolge art. 91, § 1 W.BTW (0, 8 % per maand vanaf 21/8/1990)

- als moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten, die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge art. 91, § 4 W.BTW.

- de vervolgingskosten.

Op 21 maart 1995 werd dit dwangbevel met bevel tot betalen betekend aan eiseres, en op 16 mei 1995 werd een uitvoerend beslag betekend aan eiseres.

De eerste verkoop, voorzien op 23 juni 1995, werd stopgezet door een betaling van 200.000 F., en een gedeelte van dit bedrag werd toegerekend op de hiervoor vermelde schuldvordering.

a. 2. Verweerder stelt dat het invorderingsnummer … betrekking heeft op de bijzondere rekening bijgehouden voor het tijdvak van 31 juli 1990 tot 31 oktober 1990 wegens niet-betaling van de BTW overeenkomstig art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 23 oktober 1970. Deze bijzondere rekening werd eiseres ter kennis gebracht per aangetekende brief van 24 juni 1991.

Uit het dwangbevel, dat op 20 februari 1995 werd uitgevaardigd. blijkt dat door eiseres volgende sommen verschuldigd blijven :

- als BTW : 13 917 F

- als geldboete wegens niet-tijdige betaling van de BTW : 1.950 F

- als interesten ingevolge art. 91, § 1 W.BTW (0,8 % per maand vanaf 21/11/1990)

- als moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten, die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge art 91, § 4 W.BTW

- de vervolgingskosten.

Op 21 maart 1995 werd dit dwangbevel met bevel tot betalen betekend aan eiseres, en op 16 mei 1995 werd een uitvoerend beslag betekend aan eiseres.

De eerste verkoop, voorzien op 23 juni 1995, werd stopgezet door een betaling van 200.000 F., en een gedeelte van dit bedrag werd toegerekend op de hiervoor vermelde schuldvordering.

a.. 3. Eiseres maakt derhalve haar bewering dat de sommen, waarvoor verweerder de betaling heeft gevorderd, niet verschuldigd zijn, niet hard.

Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat verweerder terecht de sommen heeft gevorderd van eiseres en ze vervolgens terecht heeft toegerekend.

b) Wat betreft het dwangbevel met RCIV-nr. …

Verweerder werpt op dat eiseres, ondanks verschillende waarschuwingen, in gebreke is gebleven op het BTW-controlekantoor, waaronder zij ressorteert, de aangiften bedoeld in art. 50, § 1, 3° en § 2 W.BTW in te dienen met betrekking tot de handelingen die zij heeft verricht in de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid van het tweede, derde en vierde kwartaal 1990 en het eerste, tweede en derde kwartaal 1991. Volgens de gedane vaststellingen heeft eiseres tijdens deze periode belastbare beroepswerkzaamheden uitgeoefend als uitbating van een drankgelegenheid.

Op 11 februari 1993 heeft de vooraf bij aangetekende en gewone brief van 28 januari 1993 aangekondigde controle van de boekhouding niet kunnen plaatsvinden, en heeft eiseres zich niet gehouden aan de verplichtingen voorgeschreven door art. 61, § 1 W.BTW met betrekking tot het voorleggen van de boeken en stukken, die zij in uitvoering van hetzelfde wetboek moet houden, opmaken en ontvangen. Eiseres reageerde niet.

Bij ter post aangetekend schrijven van 11 maart 1994 werd eiseres op de hoogte gebracht van het voornemen van verweerder om een ambtelijke aanslag op te leggen wegens voormelde feiten op grond van de artikelen 66, lid 1 en 67 W.BTW. Op 17 januari 1995 werd de beslissing van de ambtelijke aanslag aan eiseres betekend. Opnieuw reageerde eiseres niet. Evenmin reageerde eiseres op het betalingsbericht van 20 februari 1995.

Uit het dwangbevel, dat op 21 februari 1995 werd uitgevaardigd, blijkt dat door eiseres volgende sommen verschuldigd blijven :

- als BTW : 400.903 F.

- als geldboete wegens niet-tijdige betaling van de BTW : 240.000 F.

- als geldboete wegens andere overtredingen : 70.000 F.

- als interesten ingevolge art. 91, § 1 W.BTW (0,8 % per maand vanaf 21/10/1991)

- als moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten, die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel, ingevolge art. 91, § 1 W.BTW.

- de vervolgingskosten.

Op 21 maart 1995 werd het dwangbevel met bevel tot betalen betekend aan eiseres.

Verweerder benadrukt dat het bedrag van de door eiseres verrichte belastbare handelingen voor de jaren 1990 en 1991, overeenkomstig art. 66 W.BTW, werd berekend op basis van de netto-winst van ambtswege vastgesteld door de controle der belastingen Brussel 9, verhoogd met de gekende uitgaven. Hij stelt dat er geen aanwijzingen zijn dat deze winsten voortkomen van andere activiteiten dan aan de BTW onderworpen activiteiten.

Overeenkomstig art. 67 W.BTW moet de belastingplichtige, die de hem ambtshalve opgelegde aanslag betwist, bewijzen dat deze aanslag overdreven is, hetgeen eiseres in casu niet gedaan heeft. Evenmin heeft zij bezwaar ingediend tegen de door de directe belastingen vastgestelde netto-winst voor de jaren 1990 en 1991. Derhalve stelt eiseres ten onrechte dat de inkomsten, die door de administratie van de belastingen werden vastgesteld, niet juist zijn en op geen enkel bewijsstuk berusten.

Terecht stelt verweerder dat op 17 januari 1995 een proces-verbaal werd opgesteld door de heer D., adjunct-verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Brussel VII, waaruit blijkt dat eiseres nagelaten heeft de periodieke BTW-aangiften van het tweede, derde en vierde kwartaal 1990 en het eerste, tweede en derde kwartaal 1991 in te dienen. Tevens heeft eiseres nagelaten de boeken en stukken, die zij ingevolge of ter uitvoering van het W.BTW diende te houden, op te maken of te ontvangen, op verzoek van de administratie ter inzage voor te leggen.

Het is inderdaad zo dat in de processen-verbaal de door verbalisanten persoonlijk binnen de perken van hun wettelijke opdracht regelmatig gedane materiële (zintuiglijke) vaststellingen de bijzondere wettelijke bewijswaarde van waarachtigheid tot het bewijs van hun onjuistheid hebben (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, Deel XIV, BTW, Diegem, CED-Samsom, s.d., losbl., nr. 59/46.2).

Derhalve heeft verweerder op afdoende wijze aangetoond dat de ambtshalve aanslag regelmatig werd opgelegd en betrekking mocht hebben op het gehele tijdvak van 1 januari 1990 tot 30 september 1991. Evenmin kan de aanslag willekeurig worden genoemd, nu eiseres heeft nagelaten de stukken voor te leggen waarom de administratie wettig heeft verzocht, en de aanslag bovendien is gesteund op ernstige en betrouwbare vermoedens en op vaststaande gegevens.

Derhalve dient het verzet van eiseres ongegrond te worden verklaard.

Beschikkend gedeelte

0M DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak ten aanzien van de Belgische Staat, en bij verstek ten overstaan van mevrouw S.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart het verzet van mevrouw S. tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt mevrouw S. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 13.200 BEF (rechtsplegingsvergoeding), en ten aanzien van haarzelf op 5.303 F. (dagvaardingskosten).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op datum van 18 mei 2001

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw V., adjunct-griffier

V. V.