---
title: "18 oktober 1999 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, voldoening van de belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 18 oktober 1999."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-1999-10-18-54af"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

18 oktober 1999

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

95 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 18.10.1999

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL**

A.R. **95/4070/A**

Inzake van :

**1.** **De Vennootschap naar Amerikaans recht "T. T. H. I., INC"**, met maatschappelijke zetel gevestigd te … (…), …

Doch woonstkeuze gedaan bij Mr. **D. V. B.**, advocaat, … te …

**2.** **De NV T. T. L.** (…, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, … H.R. Kortrijk …

**eiseressen,**

vertegenwoordigd door Mr. **E. D. B.** loco Mr. **D. V. B.**, advocaat, … te ….

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Hoofdcontroleur van het centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Van Orleystraat 15

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. V.** loco Mr. **A. D.**, advocaat, … te ….

Na beraad op 21 september 1999 spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

Gelet op :

\- het geregistreerd exploot van dagvaarding d.d. 23 maart 1995 van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **D. L.**, in vervanging van gerechtsdeurwaarder **R. D. M.**, met standplaats te …;

\- de conclusie en de aanvullende conclusie voor eiseressen neergelegd ter griffie alhier respectievelijk op 11 juni 1997 en 16 maart 1999;

\- de conclusie en de aanvullende conclusie voor verweerder neergelegd ter griffie alhier respectievelijk op 14 juni 1995 en 10 maart 1998.

Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting d.d. 21 september 1999, datum waarop de zaak in beraad werd genomen.

---

## 1. DE VORDERING

De vordering van eiseressen, zoals nog geformuleerd bij conclusie d.d. 11.06.1997,strekt er hoofdzakelijk toe :

verweerder te veroordelen tot betaling aan eiseressen van … BEF als interest op grond van artikel 91, § 3 W.BTW, berekend tegen 0,8 % per maand over een bedrag van … BEF voor de periode van 01 april 1994 tot en met 31 mei 1994, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf 23 maart 1995, datum van dagvaarding.

## 2. DE FEITEN

Met een kennisgeving nr. 811N d.d. 22 december 1993 werd eerste eisende partij er door het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen van ingelicht dat zij werd opgenomen in het repertorium der BTW-belastingplichtigen onder het nummer ….

Met een kennisgeving nr. 812N, eveneens d.d. 22 december 1993 (stuk 2 van verweerder) werd tweede eiseres er door het voornoemd Centraal BTW-kantoor van ingelicht dat zij met ingang van 01 december 1993 erkend werd als aansprakelijke vertegenwoordiger van eerste eisende partij.

Er werd tevens medegedeeld dat de eerste in te dienen aangifte betrekking moest hebben op de handelingen van de maand december 1993.

Bij een ter post aangetekende zending werd op 18 januari 1994 een BTW-aangifte verstuurd naar het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, met betrekking tot de handelingen van het vierde kwartaal 1993 (stuk 1 van eiseressen). Deze aangifte vertoonde als eindresultaat een door de Belgische Staat verschuldigd bedrag van … BEF.

De terugbetaling ervan werd aangevraagd door het plaatsen van de vereiste handtekening in het daartoe bestemde kader.

Op 31 januari 1994 werd een rekeninguittreksel nr. 671 opgesteld (stuk 9 van verweerder) waaruit bleek dat de op 18 januari 1994 verzonden aangifte niet werd geboekt op de BTW-rekening-courant en dat er geen bedrag terug te geven was.

Op 30 april 1994 werd opnieuw een rekeninguittreksel nr. 671 opgesteld (stuk 8 van verweerder) waaruit bleek dat de aangifte op 22 februari 1994 werd geboekt op de BTW-rekening-courant met uitwerking op 20 januari 1994.

Na verrekening van … als BTW verschuldigd volgens de aangifte, ingediend voor de handelingen van de maand februari 1994, wees het rekeninguittreksel een terug te geven saldo van … BEF uit.

Op 30 mei 1994 werd het saldo van … BEF overgeschreven naar de rekening van tweede eisende partij bij **C.** Brussel, die het op 01 juni 1994 crediteerde aan tweede eisende partij (stuk 2 van eiseressen).

Bij brief d.d. 10.12.1994 (stuk 3 van eiseressen) werd het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen verzocht door eiseressen om de moratoire interest op het bedrag van … BEF toe te kennen, op grond van het feit dat de terugbetaling wettelijk vóór 01 april diende te geschieden.

Daarop antwoordde op 05.01.1995 het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen (hierna CKBB genaamd) dat de eerste reden van niet terugbetaling binnen de drie maanden ligt bij het indienen van een foutieve aangifte door de belastingplichtige.

Omdat op de oorspronkelijke aangifte als periode "4° kwartaal 1993" vermeld was en niet de correcte vermelding "december 1993", zou de eerste aangifte door de computer verworpen zijn.

Op 21.02.1994 zou een nieuwe aangifte ingebracht zijn door het CKBB zelf met de juiste vermelding.

Volgens de brief d.d. 05.01.1995 werd deze nieuwe aangifte in bijlage door het CKBB opgestuurd.

Op het rekeninguittreksel 543 d.d. 30.04.1994 staat als datum van de boeking in de rekening-courant vermeld : 22.02.1994 en als datum waarop de boeking uitwerking heeft : 20.01.1994.

## 3. IN RECHTE

### 3.1. Algemeen

[Artikel 75 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-75) bepaalt dat de belasting slechts kan worden teruggegeven in de gevallen waarin het Wetboek voorziet.

[Artikel 76 ,§ 1 eerste lid van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) bepaalt dat wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is, het verschil op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige en onder de voorwaarden bepaald door de Koning aan de belastingplichtige wordt teruggegeven binnen de drie maanden.

Het KB nr. 4 d.d. 20 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 76 W.BTW stelt :

\- in artikel 8, § 2, 1° : dat op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige voor teruggaaf vatbaar is het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in [artikel 53, eerste lid, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) van Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het laatste aangifte-tijdvak van het kalenderjaar, wanneer het … BEF bereikt;

\- in artikel 8, § 2, laatste lid : de teruggaaf bedoeld in 1° is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend.

Overeenkomstig artikel 91, § 3 van het W.BTW is er een interest van 0,8 pct. per maand van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven met toepassing van artikel 76, § 1, eerste lid te rekenen van het verstrijken van de in dat artikel bepaalde termijn.

### 3.2. Toepassing in het bijzonder

**A.** Verweerder houdt voor dat de aangifte, die op 18 januari 1994 door tweede eiseres werd verzonden, niet ingediend zou zijn volgens de hierboven vooropgestelde voorwaarde, nl. vóór 20 januari 1994, en dit omdat die aangifte niet vermeldde dat ze betrekking had op de maand december 1993 maar wel dat ze betrekking had op het vierde kwartaal 1993.

Eveneens volgens verweerder zijn eiseressen geïmmatriculeerd onder het stelsel van de maandelijkse aangifte en werd aldus de ingediende aangifte door de computer geweigerd.

Bij verweerder werd dan zelf de foutieve vermelding van het aangifte-tijdvak vastgesteld en werd zelf overgegaan tot rectificatie .

Verweerder poneert dat, zolang er geen correctie was doorgevoerd, er geen aangifte was ingediend voor "december 1993".

Terecht stellen eiseressen dat het KB nr. 1 d.d. 29 december 1992 niet omschrijft wat een "regelmatige aangifte" is.

Volgens artikel 8, § 2 van het aangehaalde KB nr. 4 is slechts sprake van de "in het [artikel 53, eerste lid, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Wetboek bedoelde aangifte".

Om aanzien te worden als een aangifte van artikel 53, eerste lid, 3° W.BTW moet vermeld zijn :

\- het bedrag van de in het W.BTW bedoelde handelingen die de belastingplichtige heeft verricht of die aan hem werden verstrekt gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit;

\- het bedrag van de opeisbare BTW van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen;

\- de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de EG reglementering inzake statistieken en controle op de toepassing van de BTW.

Het wordt geenszins betwist door verweerder dat deze voorwaarden werden vervuld door eiseressen.

**2.** Terecht stellen eiseressen dat verweerder aan de reglementaire voorwaarden tot teruggave een vereiste toevoegt, nl. een juiste vermelding van het aangiftevak.

Eiseressen kunnen onmogelijk weten dat de aangiften geïmmatriculeerd staan bij verweerder volgens het aangifte-tijdvak.

Dit is inderdaad een interne administratieve procedure die geenszins extern gevolgen kan hebben om reden dat ze nooit veruiterlijkt werd.

Was de immatriculatie onder een andere hoofding gebeurd, bv. alfabetisch, had dit geen enkele repercutie gehad ten aanzien van eiseressen.

Zelfs het feit dat er in de brief d.d. 22.12.1993 van verweerder vermeld staat dat "de eerste op zijn kantoor neer te leggen aangifte deze is die betrekking zal hebben op de verrichtingen gedaan in de loop van de maand december 1993" (stuk 2 van verweerder) is geen bewijs van het informeren door verweerder naar het belang van die vermelding noch van het feit dat de aangifte als laattijdig zal aanzien worden indien "kwartaal" i.p.v. maand vermeld staat.

De redenering van eiseressen is aannemelijk. Vermits tweede eiseres bij schrijven d.d. 22.12.1993 werd ingelicht dat zij vanaf 01 december aansprakelijk vertegenwoordiger was, is het evident dat in de eerste in te dienen aangifte slechts de verrichtingen van de maand december moesten worden opgenomen.

**3.** Er zijn eigenlijk verschillende elementen voorhanden waaruit blijkt dat de aangifte door verweerder aanvaard is als zijnde tijdig.

**3.1.** Zo werd op de aangifte, waarvan niet betwist wordt dat deze tijdig binnenkwam bij verweerder, geboekt op het document nr. 543 d.d. 30.04.1994 als datum waarop de boeking uitwerking heeft : 20.01.1994.

**3.2.** Er werd nooit een boete gevorderd voor een laattijdige aangifte.

**3.3.** Eiseressen verwijzen naar een administratieve instructie (nr. 50/1985) waaruit blijkt dat enkel een aan de belastingplichtige teruggezonden aangifte als een niet ingediende aangifte diende beschouwd te worden. Inzake werd geen enkele aangifte teruggezonden.

**B.** Vervolgens werpt verweerder op dat tweede eiseres niet tijdig de volmacht voorzien in artikel 2 van het MB nr. 9 van 25 april 1972 heeft medegedeeld.

Het staat vast dat de teruggaven voorzien in artikel 8 van het voormeld KB nr. 4 kunnen geschieden door overschrijving op de postrekening van de belastingplichtige, of door overmaking aan een kredietinstelling wanneer aan deze laatste door de belastingplichtige een behoorlijke volmacht gegeven werd om de teruggaaf te ontvangen ([artikel 12, § 1, eerste lid, KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-12-2329)).

Het Ministerie van Financiën of zijn afgevaardigde, in overleg met de Minister onder wie de Post ressorteert of diens afgevaardigde, stelt de voorwaarden, de formulieren en de termijnen vast die moet worden nageleefd voor de inzameling van de volmachten.

Bij MB nr. 9 d.d. 25.04.1972 werden deze modaliteiten vastgesteld. Volgens artikel 5 van dit MB diende eiseres deze volmacht binnen de 15 dagen over te maken aan de door haar gekozen financiële instelling.

Uit de stukken blijkt dat de volmacht werd opgesteld op 17 januari 1994.

Terecht werpen eiseressen op dat verweerder op geen enkele wijze bewijst wanneer dit document werd overgemaakt aan eiseres.

Verweerder zelf stelt dat dit op 22.12.1993 was. Uit het schrijven echter van 22.12.1993 kan niet afgeleid worden dat het desbetreffende volmacht formulier bijgevoegd was.

Aldus kan niet nagegaan worden of de vooropgestelde termijn nageleefd werd.

Ten overvloede dient er toch ook op gewezen te worden dat het toch de datum van ontvangst is die bepalend is om de termijn van 15 dagen te doen lopen, hoewel artikel 5 van het MB omtrent het tijdstip waarop de 15daagse termijn ingaat niets vermeldt.

Vermits de termijn van ontvangst op zich niet bewezen wordt en in casu deze onmogelijk kan berekend worden zonder kennis van de datum van versturen, bewijst verweerder geenszins de beweerde nalatigheid in hoofde van eiseressen met betrekking tot de verleende volmacht.

Al de overige argumenten met betrekking tot de naleving van de termijn tot overmaken van de volmacht en de daaruit volgende feiten is niet meer relevant indien niet bewezen is dat aan eiseressen geen nalatigheid kan verweten worden.

Vermits aldus eiseressen voldeden aan de voorwaarden tot teruggave van de gelden binnen de drie maanden vanaf het einde van het kalenderjaar, dus vóór 01 april 1994, is verweerder gehouden om krachtens artikel 91, § 3 W.BTW de van rechtswege verschuldigde interest van 0,8 % per maand te betalen en dit op het bedrag van … BEF.

Uit al het voorgaande volgt dat de vordering van eiseressen gegrond is.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak;

Verklaart de vordering van eiseressen ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseressen van de som van … BEF, zijnde de interesten op grond van artikel 91, § 3 W.BTW berekend tegen 0,8 % op een bedrag van … BEF en dit voor de periode van 01 april 1994 tot en met 31 mei 1994, te vermeerderen met de moratoire gerechtelijke interest vanaf 23 maart 1995, datum van dagvaarding;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiseressen op … BEF (dagvaarding) + … BEF (rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op … BEF (rechtsplegingsvergoeding);

Staat de voorlopige tenuitvoerlegging van deze veroordelingen toe, zonder zekerheidstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 7e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **18 oktober 1999**, waar aanwezig waren en zitting namen:

Mevrouw **A. P.**, alleenzetelend rechter,

Mevrouw **A. M.**, griffier.

**A. M.** **A. P.**

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 12](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-12-2329) 1 voorkomen

[WBTW art. 75](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-75) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-brussel-2004-02-26-f58b) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op teruggaaf, niet in België gevestigde belastingplichtigen, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-in-belgie-gevestigde-hof-van-beroep-brussel-2019-12-03-1e6c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-teruggaaf-rechtbank-hasselt-2010-03-18-e8e7) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Periodieke Btw-aangifte, Teruggaaf van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/periodieke-btw-aangifte-teruggaaf-belasting-cassatie-brussel-2022-06-17-6785) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-rechtbank-gent-2021-11-24-961d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-hof-van-beroep-gent-2023-05-02-ec95) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op teruggaaf, Onverschuldigde betaling, Verjaring vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-onverschuldigde-betaling-verjaring-hof-van-beroep-antwerpen-2021-03-30-fd26) 2 gemeenschappelijke bepalingen
