---
title: "5 juni 1998 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, teruggaaf van belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 5 juni 1998."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-1998-06-05-66b8"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, teruggaaf van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

5 juni 1998

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

122 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 05.06.1998

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL, 24 ste Kamer

**AR nr. 96/10974**

*eindvonnis : terugbetaling BTW*

IN ZAKE VAN :

**De BV U.**, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te …, …, opgericht bij akte van 14.11.1969 gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 12.1.1970, HR 's Gravenhage nr. …, in België sinds 1.10.1993 voor BTW-doeleinden vertegenwoordigd door de NV **U. B.**, geregistreerd als aansprakelijk vertegenwoordiger onder het nr. …, gevestigd te …, …,

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Meester **V. H.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van het hoofd van het Centraal BTW-controlekantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de burelen gevestigd zijn te …, …,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mter **D.**, advocaat te …, …,

---

Na beraad op 3.4.1998 spreekt de Rechtbank het volgende vonnis uit:

Gelet op :

\- de inleidende dagvaarding betekend d.d.13.9.1996 door het ambt van gerechtsdeurwaarder **P. V.**, met standplaats te …;

\- de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 30.4.1997;

\- de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie op 26.6.1997;

\- de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 29.8.1997;

\- de conclusies van eiseres neergelegd ter griffie op 14.1.1998;

\- de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 10.3.1998;

\- gehoord de partijen ter zitting d.d. 3 april 1998;

## 1. Procedure

De vordering zoals door eiseres in besluiten bepaald strekt ertoe verweerster te horen veroordelen tot de betaling van een bedrag van 4.353.116 Fr, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke interesten, ten titel van terugbetaling van belastingtegoeden of subsidiair, ten titel van schadevergoeding;

In ondergeschikte orde vraagt eiseres verweerder te gelasten met het voorleggen van het volledige administratieve dossier van de zaak;

Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

## 2. Feiten

Eiseres, een leasingsmaatschappij met zetel in Nederland, is gespecialiseerd in de verhuring van personenwagens;

In die hoedanigheid verhuurt ze ook personenwagens aan Belgische bedrijven en particulieren;

Tot 1 januari 1993 heeft eiseres het statuut behouden van buitenlandse BTW-belastingplichtige vennootschap zonder aansprakelijke vertegenwoordiger in België;

De periode waaromtrent een geschil tussen partijen is ontstaan gaat van november 1989 tot 1 januari 1993;

Verweerder stelt dat een belastingplichtige die, ongeacht zijn plaats van vestiging in België of in het buitenland) goederen levert en/of diensten verstrekt waarvan de plaats van de levering of de plaats van de dienst volgens de BTW-criteria in België is gelegen, zich dient bij de Belgische BTW-administratie als BTW-belastingplichtige te laten immatriculeren en gehouden is bij deze administratie periodieke aangiften in te dienen;

Wanneer de belastingplichtige die enkel goederen levert en/of diensten verstrekt waarvan de plaats ven de levering of de plaats van de dienst volgens de BTW-criteria in een andere Lid-Staat dan België is gelegen dient hij zich niet bij de Belgische BTW-administratie te laten immatriculeren ,doch wel in de betrokken Lid-Staat van de plaats waar de goederen worden geleverd en lof de diensten worden verricht;

Wanneer deze ontvangen goederen en diensten door. de in het buitenland geïmmatriculeerde belastingplichtige worden gebruikt voor zijn economische activiteit als BTW-belastingplichtige, kan hij, mits naleving van bepaalde formaliteiten, de door hem betaalde Belgische BTW op deze ontvangen goederen en diensten van de Belgische BTW-administratie terugvorderen;

In onderhavig dossier vordert eiseres, in uitvoering van [artikel 9, §§ 2 en 3 van het KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-a533) van 29 december 1969, genomen in uitvoering van [artikel 76, § 2 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) bij de Belgische BTW-administratie ingediend;

het betreft volgende aanvragen ontvangen op volgende data :

\- 28 november 1989 : periode van juni 1989 tot oktober 1989 (ondertekend 22.11.1989),

bedrag : 178.714 fr,

\- 4 juli 1990 : periode van december 1989 tot mei 1990 (ondertekend 26.6.1990),

bedrag : 1.082.548 fr,

\- 8 april 1991 : periode van juni 1990 tot maart 1991 (ondertekend 27.3.1991),

bedrag : 1.729.044 fr,

\- 9 oktober 1991 : periode van maart tot september 1991 (ondertekend 1.10.1991),

bedrag : 1.362.810 fr,

\- 2 januari 1992 : periode van december 1989 tot november 1991 (ondertekend 26.11.1991),

aangevraagd en toegestaan bedrag : 744.850 fr,

\- 16 maart 1992 : aanvraag 4362/91/1 (ondertekend 26.2.1992),

aangevraagd en toegestaan bedrag : 473.929 fr,

\- 23 juni 1992 : aanvraag 4362/92/2 (ondertekend 23.6.1992),

aangevraagd en toegestaan bedrag : 311.100 fr,

\- 1 oktober 1992 : aanvraag 4362/92/3 (ondertekend 30.7.1992),

aangevraagd en toegestaan bedrag : 798.358 fr,

\- 15 januari 1993 aanvraag 4362/93/1 (ondertekend 12.1.1993),

aangevraagd en toegestaan bedrag : 933.051 fr,

\- aanvraag 4362/93/2 (ondertekend 28.6.1992),

aangevraagd bedrag : 900.600 fr,

toegestaan bedrag : 892.686 fr,

Na diverse besprekingen wordt de vordering tot teruggave van die bedragen toegestaan, behoudens wat de eerste vier aanvragen betreft;

Na besprekingen tussen partijen wordt verweerder uiteindelijk gedagvaard;

## 3. In rechte

a. Verweerder baseert zijn argumentatie op de verjaring en meer bepaald op de toepassing van artikel 100 lid 1, 1° en 2° van het KB van 17 juli 1997.

Overwegende dat verweerder stelt dat de vordering zou verjaard zijn zich baserend op artikel 100.

1\. De artikelen 100 en 101 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB 17 juli 1991), die de artikelen 1 en 2 vormden van de wet van 6 februari 1970, luiden als volgt :

Art. 100 :

*Verjaard en voorgoed ten voordele van de staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen :*

*1°* *de schuldvorderingen waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan,*

*2°* *de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn voorgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd,*

*3°* *alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.*

*Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de dertigjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas.*

Art. 101 :

*De verjaring wordt gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot, alsook door een schulderkenning door de staat.*

*Het instellen van een rechtsvordering schorst de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen.*

2\. Verweerder werpt de exceptie van verjaring op, afgeleid uit art. 100, eerste lid, 1 en 2° voormeld.

Volgens verweerder zou de schuldvordering, die met de voorliggende eis geldend wordt gemaakt, ontstaan zijn op 28 november 1989, 4 juli 1990, 8 april 1991 en 9 oktober 1991 en zouden deze aanvragen uiterlijk dienen geordonnanceerd te worden op 31 december 1993, op 31 december 1994 en twee maal op 31 december 1995 ,terwijl de dagvaarding pas op 13 september 1996 is betekend.

3\. De redenering van verweerder moet worden verworpen.

3.1. Enkel de verjaringstermijn, waarin art. 100, eerste lid, 3° voorziet, is van toepassing.

De verkorte verjaringstermijnen kunnen inderdaad alleen worden verantwoord door de zorg de rekeningen van verweerder binnen een redelijke termijn te kunnen afsluiten (zie in deze zin : Arbitragehof, 15 mei 1996, BS, 20 juni 1996, 17022, randnummer B.15; Arbitragehof, 17 december 1997, *J.L.M.B.*, 1998, 455, randnummer B.5 op 459).

Het arbitragehof overwoog als volgt :

> "wanneer de wetgever in 1970 de bepalingen van de wet van 15 mei 1946 heeft herzien, heeft hij vooral oog gehad voor de problemen die teweeggebracht werden door de vaste uitgaven van de Staat. Na te hebben vastgesteld dat die uitgaven sedert 1846 gekenmerkt werden door een·"immer stijgende complexiteit" en de werkwijze van de ambtshalve uitgevoerde betaling zich bovendien had uitgebreid tot nieuwe sectoren van de staatsactiviteit (teruggave van belastingen, toelagen enz....) heeft hij de verjaringstermijn van vijf jaar die op die uitgaven toepasselijk was, op 10 jaar gebracht (Art. 100, 3° van KB 17 juli 1991"

(BS 1996, p. 17.035)

Dat er voor de terugbetaling inzake BTW dan ook de tienjarige verjaringstermijn van artikel 100, 3° geldt, zodat de vordering van eiseres niet is verjaard.

3.2. Verweerder stelt dat ingeval artikel 100, 1° en 2° niet van toepassing zouden zijn in elk geval [artikel 90 Wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-90) gekoppeld aan artikel 14, 1° van het KB nr. 4 van 20 december 1969 een termijn van vijf jaar voorziet;

De in [artikel 14 van het KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) bedoelde termijn van vijf jaren waarbinnen de in [artikel 90 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-90) bedoelde vordering tot teruggaaf moet worden ingesteld;

Dat die termijn van vijf jaar dient te worden berekend vanaf de datum van de kennisgeving bij een ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag tot teruggaaf wordt verworpen;

Dat in de hypothese eiseres in kennis werd gesteld van de negatieve beslissing op 12 april 1996, zodat zelfs met een termijn van vijf jaar de vordering evenmin verjaard is;

*b. de teruggave zelf - wie heeft in onderhavig dossier een fout gepleegd is in feite van weinig belang;*

Overwegende dat aan verweerder een gebrek aan fair-play verweten wordt;

Overwegende dat uit de stukken blijkt dat eiseres aanvragen om teruggaaf zoals bedoeld in de 8° EG-Richtlijn heeft ingediend, niettegenstaande deze richtlijn op haar helemaal niet van toepassing was;

Overwegende dat artikel 1 van de bedoelde richtlijn als volgt luidt :

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt als een niet in het binnenland gevestigde belastingplichtige beschouwd de belastingplichtige als bedoeld in [artikel 4, lid 1, van Richtlijn nr. 77/388/EEG](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4), die gedurende de periode bedoeld in artikel 7, lid 1, eerste alinea, eerste en tweede zin, in het betrokken land noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening, noch van een vaste inrichting heeft gehad van waaruit de handelingen worden verricht, noch, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, aldaar zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft gehad, en die in de voornoemde periode geen leveringen van goederen of diensten heeft verricht waarvan de plaats geacht wordt in het betrokken land te zijn gelegen, met uitzondering van :

a) vervoerdiensten en daarmee samenhangende diensten die zijn vrijgesteld uit hoofde van artikel 14, lid 1 sub i), artikel 15 of artikel 16, lid 1, sub B, C en D van Richtlijn nr. 77.388/EEG;

b) dienstverrichtingen in de gevallen waarin de belasting uitsluitend verschuldigd is door de ontvanger overeenkomstig [artikel 21, lid 1, sub b) van Richtlijn nr. 77/388/EEG](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-21);

Bij de leasing van voertuigen is het gebruikelijk dat naast de eigenlijke leasing of huur van het voertuig ook bijhorende leveringen en diensten worden verstrekt met het oog op het gebruik en het in stand houden van de voertuigen, zoals onderhoud en herstelling (diensten) en levering van brandstof en banden (levering van goederen);

Belastingplichtigen die regelmatig dergelijke diensten en goederen verstrekken die niet onder de toepassing van de 8° BTW-Richtlijn vallen dienen zich voor de BTW in België te laten registreren. In dit opzicht is het dan ook volkomen normaal dat bijkomende vragen aan eiseres werden gesteld, zoals dit het geval was op 16 december 1992, 22 september 1993 en 27 april 1994. Het is door het niet tijdig gevolg te geven aan deze vragen om inlichtingen dat een normale behandeling van het dossier uitbleef;

In onderhavige zaak is gebleken dat eiseres, naast de eigenlijke leasing (verhuur) van voertuigen, waarvoor de plaats van de dienst volgens de BTW-criteria in Nederland is gelegen, ook de hiervoor vermelde leveringen van goederen (benzine, banden) en dienstprestaties (onderhoud, herstelling) heeft verricht waarvoor de plaats van de levering en de dienstprestatie in België is gelegen;

Dat uit wat voorafgaat blijkt dat eiseres zich bij de indiening van haar aanvragen om teruggaaf ten onrechte op de 8° EG Richtlijn heeft beroepen aangezien deze in casu geen toepassing vond;

Eiseres had zich dus, gelet op het feit dat ze naast de wagen ook nog benzine e.d. leverde van bij het begin van haar activiteit in België bij de Belgische BTW-administratie moeten laten registreren (hetgeen pas in 1993 gebeurde);

Dat de initiële fout derhalve bij eiseres en enkel bij ,eiseres ligt, die ten onrechte toepassing maakte van de 8° EG richtlijn;

Dat die fout van eiseres en het interpretatieverschil tussen België en Nederland omtrent de kwalificatie van de leasing van wagens in feite van weinig belang is;

Dat uit de stukken blijkt dat eiseres een eerste vraag om inlichtingen heeft ontvangen van de administratie van 16 december 1992;

Dat deze vraag om inlichtingen in overeenstemming is met artikel 6 van de 8° richtlijn;

Dat er vervolgens op 26 januari 1993 een vergadering heeft plaatsgegrepen tussen de raadslieden van eiseres en de Heer **S.** van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen;

Dat er uit de neergelegde stukken blijkt dat er tussen 'partijen steeds onderhandeld werd en dat de betaalde belastingen voor terugbetaling vatbaar waren;

Dat te weten wie oorspronkelijke de initiële fout zou hebben begaan in onderhavig geval niet relevant is in de mate dat verweerder zich thans enkel baseert op de verjaring aan zijn verplichting tot betalen te ontsnappen;

*c. de bedragen worden in se niet betwist*

Overwegende dat de bedragen in se niet worden betwist;

Dat de vordering van eiseres gegrond is;

Overwegende dat er vooralsnog geen reden is om aan te nemen dat verweerder insolvabel zou zijn;

Dat er geen aanleiding is om onderhavig vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad,

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHBANK,**

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der taal in gerechtszaken en zoals gewijzigd;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een bedrag van 4.353.116 Fr, te verhogen met de gerechtelijke interesten ten titel van titel van terugbetaling van belastingtegoeden;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot in zijnen hoofde op 12.300 fr en in hoofde van eiseres op 8.838 fr + 12.300 fr;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 24 ste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, op 5 juni 1998,

waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer **V.**, alleenrechtsprekend rechter,

de heer **V.**, griffier,

**V.** **V.**

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 90](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-90) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 1 voorkomen

[KB nr. 4 art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-a533) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 21](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-21) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 4](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op teruggaaf, niet in België gevestigde belastingplichtigen, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-in-belgie-gevestigde-hof-van-beroep-brussel-2019-12-03-1e6c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van de Btw, Verjaring, Plaats van een dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-btw-verjaring-plaats-dienst-cassatie-brussel-2021-06-25-1a12) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet in EU gevestigde belastingplichtige, Recht op teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/in-eu-gevestigde-belastingplichtige-recht-cassatie-brussel-2021-06-25-2d1c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Hof van beroep te Gent, 28 maart 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2002-03-28-7412) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-reikwijdte-uitsluiting-hof-van-beroep-gent-2022-09-06-1075) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Bijzondere rekening, Inhouding, inhouding van een Btw-belastingskrediet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bijzondere-rekening-inhouding-btw-cassatie-brussel-2021-04-30-284f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 1 gemeenschappelijke bepalingen
