Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 26 februari 2013

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brugge-2013-02-26-0f58

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
26 februari 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

48 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 26.02.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgende vonnis verleend :

In de zaak 12/1210/A Rep. nr. 2013/2359

C. V., bediende, wonende te …, …

eiseres,

voor wie is opgetreden meester A. C. en D. V., advocaten met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te Brussel, Wetstraat 14, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur BTW, Registratie en domeinen te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te Brugge, Katelijnestraat 7, op vervolging en benaarstiging van de Administratie van de BTW, in de persoon van de BTW-Ontvanger te Oostende, wiens kantoren gevestigd is te 8400 Oostende, Administratief Centrum-Vrijhavenstraat 1, eerste verdieping.

verweerder,

voor wie is opgetreden de heer S. M.-C., inspecteur bij een fiscaal bestuur, woonstkiezende op het BTW-Ontvangkantoor te 8400 Oostende, Administratief Centrum - Vrijhavenstraat 1, eerste verdieping voor de fiscale geschillen in toepassing van art. 632 Ger. W. en die woonst kiest ter studie van gerechtsdeurwaarder A. W. gerechtsdeurwaarder met standplaats te …, … voor de invorderingsgeschillen in toepassing van artikel 633 Ger. W..

l. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 24.04.2012.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 22.01.2013.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. De vaststellingen m.b.t. bepaalde BTW-overtredingen werden geacteerd in het proces-verbaal van 15.10.2010.

Op 23.02.2011 werd op basis van dit proces-verbaal door de met invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 25.02.2011 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 3.03.2011 werd het dwangbevel aan eiseres betekend.

2.2. Eiseres vraagt dat :

- het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd of ontheven.

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van onderhavige procedure, in haar hoofde begroot op 440,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Uit de voorliggende stukken blijkt dat het RCIV (centrum voor informatieverwerking) Mechelen de betaling bestemd voor de schuldvordering met kenmerk … voor een deel heeft toegerekend op de oudere schuldvordering …. Deze oudere schuldvordering was daardoor aangezuiverd waardoor de gerechtelijke uitvoering voor deze zaak kon worden stopgezet.

De schuldvordering met kenmerk … bleef echter openstaan en gaf aanleiding tot nieuwe vervolgingen.

Uit de stukken van het dossier blijkt verder dat eiseres weet had van het feit dat het RCIV de ontvangen bedragen in eerste instantie had toegerekend op de oudste schulden.

3.2.2. Het bestreden dwangbevel werd dan ook terecht uitgevaardigd. De vordering dient als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RCHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde. niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op zesentwintig februari tweeduizend en dertien.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

M. S., griffier

S. M. N. H.