Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 15 december 2010

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brugge-2010-12-15-5d2b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
15 december 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

61 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 15.12.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 09/3111/A Rep. nr. 2010/16358

de BVBA B. J., vennootschap (BTW BE …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester P.-P. T., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 ROESELARE, met burelen gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

verweerder,

voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 23 oktober 2009.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 17 november 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor haar activiteit van kleinhandelaar in kinderkleding. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 26 november 2008 werd door de ambtenaren van verweerder een toezicht aangevat zowel inzake BTW als inzake vennootschapsbelasting over de kalenderjaren 2006 en 2007.

Tijdens dit toezicht werd inzake BTW een materiële aftrekfout vastgesteld, overtreding die opgenomen werd in een correctieopgave die op 2 april 2009 voor akkoord werd ondertekend.

Deze materiële aftrekfout bestaat erin dat een ontvangen creditnota als factuur werd ingeschreven zodat ten onrechte BTW in aftrek werd gebracht in plaats van teruggestort.

Door verweerder werd een nevenberekening gemaakt inzake de aan te geven omzet waaruit volgens verweerder bleek dat er te weinig omzet werd aangegeven in de BTW-aangiften en de jaarrekeningen.

Op 4 mei 2009 werd door J. L., directeur ad interim bij de FOD Financiën, Belastingen en Invorderingen, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW verbonden aan het controlecentrum Roeselare, een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 25 september 2009 werd op basis van voormeld proces-verbaal door de bevoegde inspecteur van de BTW een dwangbevel uitgevaardigd dat op 10 september 2009 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de wnd. Directeur van de BTW te Brugge, daarvoor aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge. Dit dwangbevel werd op 25 september 2009 aan eiseres betekend.

Op 22 oktober 2009 deponeerde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank neer waarbij verzet werd aangetekend tegen voormeld dwangbevel.

2.2. Eiseres vraagt dat: het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat het bestreden dwangbevel vernietigd wordt en dat gezegd wordt voor recht dat de erin gevorderde sommen ten titel van BTW, boeten en intresten niet verschuldigd zijn en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten begroot op 1.200,00 EUR rechtplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat: de vordering van eiseres als ongegrond afgewezen wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten als naar recht.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Het dwangbevel inzake BTW vormt een eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan.

Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, én eenzijdig verbindend en uitvoerbaar is.

Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991.

De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren.

Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; zij moeten afdoende zijn".

Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld. Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld. In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleld werd dit onder woorden gebracht met het 'duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen'. De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende' was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter - terecht - vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen. De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantieel vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven P., Uitdrukkelijke motivering van 'fiscale bestuurshandelingen', De Fiscale Koerier, 91/506).

3.2.2. Eiseres baat een kleinhandel in kinderkleding uit. In het proces-verbaal de dato 4 mei 2009, waarin verwezen wordt naar het proces-verbaal van 16 januari 2009, dat dient als motivering van het bestreden dwangbevel, wordt door de BTW-administratie een herberekening uitgevoerd van de omzet van eiseres.

De BTW-administratie is van oordeel dat er te weinig omzet werd aangegeven in de BTW-aangiften en de jaarrekeningen.

In het voormeld proces-verbaal of dwangbevel wordt echter op geen enkele wijze door verweerder aangetoond dat de door eiseres gevoerde boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn, noch wordt deze boekhouding verworpen, hoewel er tot een nieuwe omzetberekening wordt overgegaan.

Het is pas tijdens de procedure voor deze rechtbank dat verweerder aanvoert en motiveert dat de boekhouding gevoerd door eiseres niet bewijskrachtig is.

Gelet op het voorgaande is de motivering van het dwangbevel niet voldoende om de vordering gestand te houden. Zij was niet dragend. Een dergelijke niet voldoende motivering van het dwangbevel levert zonder meer de illegaliteit op van de bestuurshandeling wegens schending van een substantieel vormvoorschrift.

Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. de gerechtskosten dragen. De gerechtskosten belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde 1.200,00 EUR, zoals gevorderd.

3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad.

Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in zijn arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en als onbestaande moet worden beschouwd.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag vijftien december tweeduizend en tien.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.