Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 28.12.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 05/1067/A
1. de heer Y. C., advocaat,
2. de heer M. C., advocaat, kantoorhoudende te …, …, in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de BVBA T. C. B., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,
eisers qq
voor wie is opgetreden Meester M. C., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur van het Controlecentrum van de AOIF Brugge en de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 11 april 2005.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 30 november 2009.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres was ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer BE …, voor de activiteit van uitbating van een drankgelegenheid met tea-room. Zij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 8 oktober en 31 oktober 2003 werd door G. G., eerstaanwezend inspecteur diensthoofd bij een fiscaal bestuur, Administratie der directe belastingen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, een controle uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1 januari 2001 tot 31 december 2001.
Op 21 december 2004 werden de overtredingen en vaststellingen voor het jaar 2001 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres een omzet van … EUR niet opgenomen in haar boekhouding en in haar BTW-aangiften. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW … EUR, als geldboete … EUR en intresten vanaf 21 januari 2002 overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW.
Op 21 december 2004 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 22 december 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door W. K., e.a. inspecteur – diensthoofd BTW directie te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 10 februari 2005 betekend aan eiseres. Op 14 maart 2005 werd uitvoerend beslag op roerende goederen gelegd.
Tegen het dwangbevel werd fiscaal verhaal aangetekend door eiseres met verzoekschrift d.d. 11 april 2005.
Op 27 februari 2008 werd eiseres failliet verklaard en werden Mr. M. C. en Mr. Y. C. aangesteld als curatoren.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het dwangbevel d.d. 21 december 2004 nietig wordt verklaard;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding ;
- minstens een prejudiciële vraag gesteld wordt aan het Grondwettelijk Hof.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. betreffende de grondslag van de verschuldigde BTW
1.1. Uit het proces-verbaal d.d. 21 december 2004 blijkt dat de heer G. G. de controle heeft uitgevoerd op grond van de artikelen 315, 315bis en 317 WIB 1992 (m.b.t. aanslagjaar 2002) EN in het kader van de BTW-wetgeving. In het proces-verbaal wordt hieromtrent verwezen naar artikel 95 van de wet van 15 maart 1999 ingevolge welke ambtenaren ter beschikking gesteld van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, de bevoegdheden toegekend aan de ambtenaren van de Administratie van de BTW mogen uitoefenen. G. G. was dus bevoegd om te controleren inzake vennootschapsbelasting en inzake BTW. Van zijn controle inzake BTW heeft hij een proces-verbaal opgemaakt. Hierbij heeft hij vermeld dat hij op grond van artikel 93quaterdecies W.BTW inzage heeft genomen van het fiscaal dossier van eiseres bij de directe belastingen en van het Btw-dossier.
In het proces-verbaal heeft G. G. vastgesteld dat inzake vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2002 een bericht van wijziging werd verzonden waarbij de omzet werd verhoogd. Na opmerkingen van eiseres werd de verhoging inzake vennootschapsbelasting door de administratie der directe belastingen vastgesteld op … BEF (… EUR).
Na verwijzing naar de artikelen 93quaterdecies § 2 en 59 § 1 W.BTW, wordt de BTW gevorderd op grond van artikel 64 W.BTW.
1.2. De ambtenaar heeft vastgesteld dat de omzet inzake de vennootschapsbelasting is verhoogd. Dit is een vaststelling die belangrijk is gezien de omzet inzake vennootschapsbelasting en inzake BTW dezelfde moet zijn. De vordering in het proces-verbaal is evenwel gesteund op artikel 64 W.BTW.
2. artikel 342 WIB 1992
2.1. De BTW-vordering is gesteund op artikel 64 W.BTW en niet op artikel 342 WIB 1992.
Eiseres heeft in de zaak gekend onder AR nr. 06/2358/A een procedure ingesteld wat betreft de vennootschapsbelasting. Voor de goede orde heeft de rechtbank in vermelde zaak uitspraak gedaan op dezelfde datum als in huidige zaak en verwijst naar deze uitspraak.
2.2 Gezien de administratie inzake BTW geen toepassing heeft gemaakt van artikel 342 WIB 1992 hoeft de rechtbank niet te onderzoeken of de bepaling ingaat tegen de artikelen 170 en 172 van de Grondwet en of de bepaling wel rechtmatig werd toegepast.
3. toepassing van vermoedens
3.1. Artikel 59, § 1 laatste alinea W.BTW bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.
3.2. Door de bevoegde ambtenaar werd in het proces-verbaal van 21 december 2006 vastgesteld dat de omzet inzake vennootschapsbelasting werd verhoogd met … EUR.
Deze materiële vaststelling geldt tot het bewijs van het tegendeel. Op dit inzake BTW vaststaand feit heeft de administratie artikel 64 W.BTW toegepast. Er is dan ook geen toepassing van een opeenstapeling van vermoedens.
3.3. Eiseres levert ook niet het bewijs dat de omzet zoals bepaald inzake vennootschapsbelasting foutief zou zijn.
Voor de uitspraak inzake vennootschapsbelasting verwijst de rechtbank naar AR nr. …
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
De eis is in geld waardeerbaar en de waarde van de vordering situeert zich tussen 10.000 en 20.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR bedraagt. Eiseres vraagt een herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimumbedrag wegens de beperkte financiële draagkracht van de curatele en wegens het kennelijk onredelijk karakter (volgens eiseres heeft verweerder pro forma beroep gedaan op een advocaat).
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet pro forma beroep gedaan heeft op een advocaat. De advocaat van verweerder heeft 2 conclusies neergelegd en is verschenen op de zitting van 30 november 2009 waarbij hij de bepalingen van verweerder heeft verdedigd. Er is dan ook geen sprake van een kennelijk onredelijk karakter.
Wat betreft de beperkte financiële draagkracht van de curatele wordt geen enkel bewijs voorgelegd, zodat de rechtbank hiermede geen rekening kan houden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag achtentwintig december tweeduizend en negen.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.