Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 09.10.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 02/1088/A Rep.nr.2006/12.720
1. mevrouw V. N., zonder beroep, wonende te …, …,
2. de heer B. D., federaal rechercheur, wonende te …, …,
eisers,
voor wie is opgetreden Meester A. K. (balie Brussel) loco Meester J. D., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de E.a. Inspecteur van het 2e Ontvangkantoor te KORTRIJK, met kantoor gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoverniersstraat 31,
verweerder,
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
l. RECHTSPLEGING
Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 5 april 2002.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen, overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 11 september 2006.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. N. V. is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de uitbating van een frituur. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 4 januari 1994 werd door M. H., eerstaanwezend inspecteur a.i. verbonden aan het IIde controlekantoor te leper, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1989 en 1990.
Op 4 maart 1999 werd door voormelde ambtenaar een proces-verbaal opgesteld waarin de door V. begane overtredingen werden geacteerd.
Op 5 maart 1999 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 9 maart 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de bevoegde e.a. inspecteur, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 11 maart 1999, op grond van artikel 85, § 1 W.BTW, ter kennis gebracht aan N. V..
Bij dagvaarding van 5 april 2002 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.
2.2. Eisers vragen dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. In subsidiaire orde vragen eisers dat de opgelegde boete wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd. Verder vragen zij dat verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden, dit vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten. Tenslotte vorderen zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hun hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van … EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR, en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van het kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, én éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991.
De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; Zij moet afdoende zijn".
Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld. Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht: de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld. In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen”. De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende', was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter -terecht- vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze, en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen. De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven, P., "Uitdrukkelijke motivering van "fiscale bestuurshandelingen''. De Fiscale Koerier, 91/506).
3.2.2. In het proces-verbaal van 4 maart 1999, dat door de Heer M. werd opgemaakt en dient als motivering van het betwiste dwangbevel, wordt verwezen naar een proces-verbaal van 21 maart 1985 en naar verklaringen afgelegd door V. aan de heer L. B..
Dit proces-verbaal van 21 maart 1985 en deze bijhorende verklaringen werden echter niet met het dwangbevel van 5 maart 1999 aan V. overgemaakt.
Het bestreden dwangbevel was derhalve niet afdoende gemotiveerd. De motivering was in casu niet voldoende om de vordering gestand te houden. Zij was niet dragend. Een dergelijke niet-voldoende motivering van het dwangbevel levert zonder meer de illegaliteit op van de bestuurshandeling wegens schending van een substantieel vormvoorschrift.
Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.
3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Ingevolge artikel 377 WIB 92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en als onbestaande moet worden beschouwd.
Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eisers, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eisers op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag negen oktober tweeduizend en zes.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.