Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 08.03.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 98/3053/A Rep. nr. 2004/3250
…, zaakvoerder, wonende te …, …, handelend zowel in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV E. M. T., … te …, als voor zoveel als nodig in eigen naam,
eiser,
wie optreedt Meester K. G., advocaat te …
tegen :
1. de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met burelen gevestigd te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,
2. de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, in de persoon van de Hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor te Nieuwpoort, met burelen gevestigd te 8620 Nieuwpoort, J. Filliaertweg 41,
verweerders, hierna genoemd 'verweerder',
voor wie is opgetreden Meester F. N. loco Meester J. V. d. P., advocaat te …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet tegen het dwangbevel d.d. 29.10.1998.
Gelet op de verwijzing van de zaak d.d. 24.04.2002, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 9 februari 2004.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. De NV E. M. T. was voor haar economische activiteit van vervoer van personen te land, geregistreerd onder het BTW-nummer ….
Op 30 juni 1996 werd voormelde NV in vereffening gesteld en werd aangesteld als vereffenaar.
Op 30 september 1997 en 10 oktober 1997 werd door de heer B. M., inspecteur verbonden aan het BTW-controlekantoor te Nieuwpoort, een toezicht verricht met het oog op de juiste toepassing van de BTW en dit over de periode van 1 januari 1993 tot 30 juni 1997. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.
Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer M. voornoemd, op 28 april 1998, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door NV E. M. T. begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).
Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van voormelde NV een bedrag gevorderd van 53.525,74EUR BTW en 6.023,81 EUR geldboete.
Wegens niet-betaling werd op 15 juni 1998 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 17 juni 1998 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer W. F., e.a. inspecteur a.i., daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de BTW (zie stukken 2 en 3 verweerder).
Dit dwangbevel werd op 22 juni 1998 bij een ter post aangetekende brief aan de NV E. M. T. ter kennis gebracht (zie stuk 4 verweerder).
2.2. Eiser vraagt dat :
- het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.
- het bestreden dwangbevel wordt vernietigd en dat dienvolgens verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 63.641,28 EUR, verhoogd met de moratoire rente vanaf 15 juli 1998 en met de gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding tot aan de volledige betaling.
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 371,27 EUR dagvaardingskosten en 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding.
- in subsidiaire orde, de boete van 6.023,81 EUR wordt vernietigd en de terugbetaling wordt bevolen, verhoogd met de moratoire rente vanaf 15 juli 1998 en met de gerechtelijke rente tot aan de volledige betaling.
2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 334,66 EUR.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moelen opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. de ondertekening van het proces-verbaal van 28 april 1998
In tegenstelling met wat eiser voorhoudt werd voormeld origineel proces-verbaal wel degelijk ondertekend door de verbaliserende ambtenaar (zie stuk 1 van verweerder).
3.2.2. de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel
Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 W.BTW, luidende als volgt : "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel maken dus de voorzegde wettelijk voorgeschreven vorm uit en zijn dus de wettelijke vereisten zonder dewelke hel dwangbevel niet uitvoerbaar is. Zij voegen uiteraard niets toe aan het dwangbevel, doch zij zijn een wettelijke voorwaarde opdat het dwangbevel tol een uitvoerbare titel zou geworden. Derhalve is de rechtsgeldige naleving van voorzegde bepaling een strikte noodzaak.
Evenwel mogen geen andere of meerdere vereisten, dan bij wet bepaald, worden gesteld. Aldus wordt door geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de delegatie zelf bij dit dwangbevel wordt gevoegd, mede ter kennis wordt gebracht of wordt betekend noch dat deze delegatie een, conform artikel 1328 B.W. vast datum zou hebben. Teneinde aldus aan de wettelijke bepalingen te voldoen, is het vereist, doch volstaat het, dat het visum en de uitvoerbaarverklaring, benevens de datum, de naam van de ambtenaar die het heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, vermeldt, gevolgd door diens handtekening, desgevallend met de vermelding van de aanwijzing door de gewestelijke directeur van de administratie, ingeval het niet deze laatste is die het visum en de uitvoerbaarverklaring heeft verleend.
In tegenstelling met wat eiser voorhoudt voldoet het litigieuze dwangbevel aan al deze vereisten. Op het bestreden dwangbevel prijkt duidelijk de handtekening, naam en graad van W. F., zijnde de interimaris van het hoofdcontroleur van het BTWcontrolekantoor te Nieuwpoort die het bestreden dwangbevel heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard en die daartoe was aangewezen door de gewestelijke directeur.
3.2.3. de verschuldigdheid van de BTW
In casu kan niet ernstig worden betwist dat de NV E. M. T. enkel de verhuur van vervoermiddelen heeft gefactureerd vermits in het proces-verbaal van 28 april 1908 uitdrukkelijk heeft verklaard dat de uitgaande facturen werden opgemaakt voor de verhuur van diverse autocars en dat de diverse autocars werden ter beschikking werden gesteld zonder chauffeur.
Aangezien uit de facturen verder blijkt dat de verhuurde autocars niet buiten de Europese Gemeenschap werden gebruikt is voor het vaststellen van de plaats van de dienst de algemene regel van artikel 21, § 2 W.BTW van toepassing. Voormeld artikel bepaalt dat als plaats van een dienst worden aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
In dit verband dient te worden opgemerkt dat de administratie tot in 1997 steeds de stelling heeft verdedigd dat een Belgische verhuurder die autobussen verhuurt aan Engelse belastingplichtigen, geen Belgische BTW mag aanrekenen, aangezien deze bussen als een vaste inrichting van de Belgische verhuurder in Groot-Brittannië worden beschouwd (zgn. vloottheorie). Het is pas nadat het Hof van Justitie van Luxemburg had beslist dat het loutere feit van verhuring van voertuigen in een andere staat niet voldoende was om te stellen dat de belastingplichtige in deze andere staat over een vaste inrichting beschikte (ARO-Lease arrest van 17 juli 1997), dal de administratie haar mening heeft herzien.
Dat de administratie jarenlang de vloottheorie heeft toegepast moge blijken uit het feit dat zij tijdens de controle in augustus 1981 m.b.t. de jaren 1977 tot 1980 en ook later gedurende de volgende 15 jaar nooit enige opmerking heeft gemaakt omtrent het feit dat de NV E. M. T. geen Belgische BTW had aangerekend op de verhuur van de autobussen aan Groot-Brittannië.
Wanneer de administratie bij een controle eind 1997 (enkele maanden nadat het Hof van Luxemburg haar interpretatie niet volgt) dan plots BTW navordert van de belastingplichtige wiens handelingen jarenlang overeenstemden met de administratieve interpretatie, wordt de rechtszekerheid en het rechtmatig vertrouwen dat de belastingplichtige mag stellen in de overheid, op een ernstige wijze aangetast.
Het is zonder meer duidelijk dat de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing zijn in fiscale zaken. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. In casu verdient het rechtszekerheidsbeginsel voorrang aangezien er in hoofde van de belastingplichtige gerechtvaardigde verwachtingen werden gecreëerd op grond van de door de administratie jarenlange gehanteerde vaste interpretatie dat verhuurde voertuigen als een vaste inrichting in Groot-Brittannië mochten worden beschouwd en aangezien de belastingplichtige geen voordeel heeft gehaald uit deze werkwijze.
Het bestreden dwangbevel dient dan ook te worden vernietigd.
Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en als onbestaande moet worden beschouwd.
Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiser, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.
Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiser op 371,27 EUR dagvaardingskosten en 342,09 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op acht maart tweeduizend en vier.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.