Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 1 maart 2004

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brugge-2004-03-01-dfaa

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
1 maart 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

59 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 01.03.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 01/1304/A Rep. nr.2004/2862

de BVBA FS T., (H.R. Oostende nr. …, BTW-nr. BE …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester P. V., advocaat te …

tegen :

DE FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, in de persoon van de e.a. inspecteur, rekenplichtige bij een fiscaal bestuur; met kantoren te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1, met woonstkeuze op het BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder;

voor wie is opgetreden Meester F. N. loco Meester J. V. d. P., advocaat te …

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 26.04.2001.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 2 februari 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge haar geregelde en zelfstandige uitbating van een kleinhandel. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW­wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Door R. B., verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van do wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Over de vastgestelde overtredingen werd door de heer B. voornoemd op 12 februari 2001, een proces-verbaal opgemaakt (zie stuk 3 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiseres een bedrag gevorderd van … EUR BTW en … EUR geldboete.

Aangezien eiseres de verschuldigde bedragen niet betaalde, werd op 2 maart 2001 een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 14 maart 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P d. R., e.a. inspecteur van de tweede BTW-controle te Oostende, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.

Op 10 april 2001 werd het dwangbevel aan eiseres betekend door middel van een deurwaardersexploot.

2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in haar hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding. Verder vraagt eiseres nog dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

2.3. Verweerder vordert dal het verzet onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dal eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

3.1.1. Uit de inleidende dagvaarding houdende verzet blijkt dat eiseres de navordering betwist omwille van het feit dat de door verweerder aangehaalde vermoedens niet van aard zouden zijn om het bewijs te leveren dat zij BTW zou ontdoken hebben.

Het is bijgevolg duidelijk dat eiseres de naheffing betwist omdat verweerder geen deugdelijk bewijs zou hebben geleverd van de meeromzet. Een dergelijk verzet is met redenen omkleed zoals vereist door artikel 89 W.BTW (oud).

3.1.2. Verweerder voert verder geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Eiseres stelt in de inleidende dagvaarding dat zij de navordering betwist omwille van het feit dat de door verweerder aangehaalde vermoedens niet van aard zouden zijn om het bewijs te leveren dat zij BTW zou ontdoken hebben.

3.2.2. De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 W.BTW). Overeenkomstig art. 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of hef feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in art.1353 BW.

Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de werkelijkheid van de aankopen door eiseres verricht met een kopers kaart op naam van een fictieve persoon.

Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al clan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat eiseres in de gecontroleerde periode een geregelde afnemer was van de NV …, dat zij aan eiseres een kopers kaart op naam van … (fictieve persoon) heeft uitgereikt en dat zij toeliet dat er goederen werden aangekocht en gefactureerd op naam van de op de voorgelegde kopers kaart vermelde fictieve identiteit.

Het onderzoek van het klantenbestand van de NV … heeft verder aangetoond dat van de 24 facturen die vanaf januari 1997 tot eind 1998 werden uitgereikt op naam van eiseres, er in 11 gevallen ogenblikkelijk ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van … Volgens die 11 facturen zijn de aangekochte goederen op naam van … gelijksoortig aan deze die in de winkel van eiseres werden verkocht.

Voormelde opgesomde feiten vormen een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens die toelaten te besluiten dat eiseres in de gecontroleerde periode bij de NV ….. die goederen heeft aangekocht met een fictieve kopers kaart op naam van …..

Aangezien die goederen niet waren opgenomen in de aankoopadministratie van eiseres, werd de meeromzet terecht bepaald volgens de· regels en bepalingen opgenomen in het KB nr. 2 van 7 november 1969 m.b.t. de vaststelling van de forfaitaire grondslagen van aanslag, genomen ter uitvoering van artikel 56 W.BTW.

Het verzet is derhalve ongegrond.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

3.4. nopens de uitvoerbaarheid bi j voorraad

Nu de hoofdvordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op één maart tweeduizend en vier.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct.griffier

N.L. N. H.