Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 4 november 2003

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brugge-2003-11-04-ed93

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
4 november 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

97 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 04.11.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

Rep. nr. 2003/13.568

in de zaak AR nr. 02/2193/A :

van

de heer M. M., ambtenaar, en zijn echtgenote, mevrouw D. S. H., bediende, samenwonende te …, …,

eisers,

vertegenwoordigd door meester B. N., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst, Administratie van de BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester J. V. d. P., advocaat te …


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 7 oktober 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de gedinginleidende dagvaarding van 4 juli 2002;

2. de conclusie voor verweerder van 21 januari 2003;

3. de conclusie voor eisers van 18 maart 2003;

4. de conclusie voor verweerder van 2 mei 2003;

5. de conclusie voor eisers van 11 juni 2003 en

6. de beschikking van 30 september 2003 waarin beslist werd niet in te gaan op het verzoek van verweerder om met toepassing van artikel 748, § 2 Ger.W. bijkomende conclusietermijnen toe te kennen.

Gelet op het feit dat ze buiten de toegekende conclusietermijnen waren neergelegd, heeft de rechtbank de conclusie die verweerder op 14 augustus 2003 nog had neergelegd, uit het debat geweerd. De partijen hebben daarover standpunt ingenomen in briefwisseling (zie bundel van de rechtspleging, stukken 14 en 15).

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

In de periode van 1997 tot 1999 hebben eisers werken in onroerende staat laten uitvoeren aan hun woning. Waar het oorspronkelijk om een bungalow zonder verdieping ging met een living, een keuken, twee slaapkamers een wc, een berging en een losstaande garage, hebben zij een ruimere woning gecreëerd. Alleen de living en de wc zijn als zodanig behouden; de keuken bleef op dezelfde plaats maar werd anderhalve meter uitgebreid langs de gevelkant; ook de berging werd anderhalve meter langer; die uitbreiding besloeg een oppervlakte van (1,50 m x 4,60 =) 6,90 m. De ene slaapkamer werd een koele berging en de andere kamer een 'woonkamer sas'. Links van het oorspronkelijk gebouw (bij vooraanzicht) werd een volledig nieuw gedeelte opgetrokken met een verdieping. Op de benedenverdieping werd een inkom- en traphal aangebracht samen met een wc, een dressing, badkamer met douchecel en een berging, geflankeerd door een gang die nu de vroegere (links gelegen) garage met de woning verbindt. De bovenverdieping biedt ruimte aan drie slaapkamers, waarvan de grootste ook voorzien is van een wc. Het oude dak van de oorspronkelijke bungalow is vernieuwd; het geheel staat nu onder één dak.

Eisers hebben een verklaring ondertekend voor hun aannemers dat zij aan de voorwaarden voldeden om te genieten van het verlaagd BTW-tarief. De werken werden uitgevoerd en de aannemers factureerden hun werken aan het tarief van 6 procent.

Op 2 mei 2000 werd het gewijzigd kadastraal inkomen van de betreffende woning aan hen betekend.

Op 30 juni 2000 dienden eisers hun bijzondere BTW-aangifte voor werken in onroerende staat in.

Op 11 februari 2002 kwam de BTW-inspecteur ter plekke met het oog op een onderzoek. In zijn proces-verbaal van 29 mei 2002 komt hij tot de bevinding dat de werken niet van aard zijn om recht te geven op het verlaagd tarief. Naast een beschrijving van de werken berekent hij dat de oorspronkelijke vloeroppervlakte van de bungalow en de garage 145,70 m2 bedroeg, terwijl ze nu in het totaal 316,40 m2 bedraagt. Omdat het om meer dan een verdubbeling gaat en de oorspronkelijke bungalow bovendien sterk ontmanteld werd, is hij van oordeel dat de oppervlakte van het oude gedeelte niet betekenisvol is ten aanzien van het oude gedeelte.

Voor de facturatie van de werken in onroerende staat komt hij aldus tot een tekort aan geheven BTW van 676.303 frank (16.765,11 euro). Naast dat bedrag wordt ook een proportioneel verminderde boete van 1.670 euro en de moratoire interest verschuldigd verklaard.

Op 4 juni 2002 wordt door verweerder voor dezelfde bedragen een dwangbevel uitgevaardigd dat op 10 juni 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard wordt. Met een aangetekende brief van 12 juni 2002 wordt aan eisers kennis gegeven van het dwangbevel.

Met een dagvaarding van 4 juli 2002 stelden eisers hun huidige vordering in.

Ondertussen hebben eisers voor de vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge een procedure gevoerd tegen één van hun aannemers. Zij bekwamen dat de aannemingssom die zij verschuldigd zijn, verminderd werd, wat zijn invloed heeft op de belastbare grondslag.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eisers vorderen dat de rechtbank het genoemde dwangbevel zou vernietigen en verweerder zou veroordelen tot de gerechtskosten.

Subsidiair vorderen eisers dat de rechtbank voor recht zou zeggen dat het bedrag van de verschuldigde BTW gewijzigd moet worden, in de mate voorzien in het vonnis van 14 mei 2002 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge en voor recht zou zeggen dat alleen de werken met betrekking tot de uitbreiding aan 21 % zouden belast worden en in alle geval de werken aan het oorspronkelijke gedeelte aan 6 % zouden belast blijven.

Verweerder vordert dat de vordering van eisers door de rechtbank slechts gedeeltelijk gegrond zou verklaard worden, met name voor het gedeelte van de bedragen in het bestreden dwangbevel dat (1) het bedrag van 14.362,18 euro aan BTW, (2) 1.430,00 euro aan boete en (3) de overeenkomstig moratoire interesten krachtens artikel 91, § 4 W.BTW vanaf de kennisgeving van het dwangbevel overtreft. Hij vordert ook dat eisers zouden verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eisers

Eisers zijn van oordeel dat de werken die zij lieten uitvoeren onder het begrip 'omvorming' vallen zoals voorzien in rubriek XXXI van de bijlage A aan het KB nr. 20 van 20 juli 1970. Voor het overige, zo stellen zij, is de argumentatie van verweerder gesteund op een interpretatie van die wettekst die in een administratieve circulaire vermeld wordt, terwijl een dergelijke circulaire niet bindend is, behoudens voor de belastingambtenaren. Zij stellen ook dat zij voordien geen kennis hadden van de administratieve interpretatie en dat achteraf gebleken is dat naar die circulaires in de voor het publiek toegankelijke informatie niet verwezen wordt. Dat zou tot een manifeste rechtsonzekerheid leiden. Hadden zij dat geweten, dan konden zij met een kleine aanpassing binnen de relevante oppervlakte blijven, zo stellen zij. Overigens zou de verdubbeling van de oppervlakte volgens de circulaire slechts kunnen aanleiding geven tot het ontzegd worden van het verlaagd tarief, zonder dat dit steeds het geval moet zijn. Zij benadrukken daarom dat elk geval concreet moet beoordeeld worden.

Eisers betwisten ook dat de oude woning niet meer herkenbaar zou zijn en dat de nieuwe woning een volledig nieuwe identiteit heeft gekregen. Zij bespreken de concrete werken en komen tot de conclusie dat er slechts één nieuwe (slaap)kamer en een badkamer bijkwamen.

Eisers ontkennen ook dat het oorspronkelijke gebouw sterk ontmanteld werd. Zij overlopen de concrete werken en stellen nog dat de verwijdering van het vijftig jaar oude dak noodgedwongen gebeurde.

Zij komen tot de conclusie dat wat behouden werd, wel degelijk betekenisvol is ten opzichte van de constructie na de werken.

Dat de wettekst alleen van 'omvorming' spreekt, betekent volgens eisers niet dat uitbreiding daardoor uitgesloten zou zijn. De administratie zou zelf stellen dat onder omvorming wordt verstaan, 'de verbouwing, vergroting door toevoeging of uitbreiding van bestaande vertrekken'. Voorts voeren zij aan dat de uitgesloten werken uitdrukkelijk worden opgesomd en dat daaronder de werken van 'uitbreiding' of 'vergroting' niet vallen.

Eisers voeren aan dat de rechtspraak in de lijn ligt van hun stelling.

Aan de hand van een (ondertussen uitgebrachte) brochure tonen eisers aan dat de administratie nog steeds geen duidelijkheid schept op het betreffende punt.

Subsidiair vragen zij rekening te houden met het feit dat ten aanzien van de firma B. de belastbare grondslag verminderd is ten gevolge van het vonnis van de vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 14 mei 2002.

Ook vragen zij subsidiair dat minstens de werken die aan het oude gebouw werden uitgevoerd onder het tarief van 6 % zouden vallen.

2.2. Stelling van verweerder

Voor verweerder gaat het in deze over de vraag of de werken in onroerende staat als een nieuwbouw dan wel als een verbouwing moeten worden beschouwd. Verweerder verwijst daartoe naar de circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 waarin het administratief standpunt met betrekking tot het verlaagd tarief in de onroerende sector wordt toegelicht.

Vervolgens past verweerder deze interpretatie toe op de feiten zoals ze blijken uit het proces-verbaal van 29 mei 2002, de bouwplannen, de bouwaangifte en de facturen. Hij leidt eruit af dat enkel nog de grove ruwbouw of karkas werd behouden, wat niet meer betekenisvol zou kunnen genoemd worden in het geheel van de constructie na de uitgevoerde werken. Bovendien beroept verweerder zich erop dat de totale vloeroppervlakte van de nieuwe toestand meer dan het dubbele bedraagt van de oorspronkelijke vloeroppervlakte. Volgens verweerder is de oude woning niet meer herkenbaar. Dat brengt verweerder tot de conclusie dat het oorspronkelijk gebouw zodanig getransformeerd én uitgebreid werd dat de uitgevoerde werken aangemerkt moeten worden als bouwwerkzaamheden die bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw.

Verweerder stelt dat de begrippen die in de betreffende wettekst gehanteerd worden, moeten uitgelegd worden in hun gebruikelijke betekenis. Aldus stelt hij dat er zowel voor renovatie, rehabilitatie als voor omvorming steeds moet verstaan worden dat een zekere 'actie' wordt uitgeoefend op een bestaand voorwerp, hier een bestaande woning. Vervolgens zouden de in aanmerking te nemen 'acties' (handelingen) slechts deze mogen zijn die opgesomd zijn in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage van KB nr. 20 van 20 juli 1970. Omdat 'uitbreiding' daar niet genoemd wordt, komen werken van uitbreiding volgens verweerder dan ook niet in aanmerking. Het is slechts in de circulaire nr. 6/1986, zo stelt verweerder, dat er een uitleg wordt gegeven waarin vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken als 'omvorming' worden beschouwd. Waar de wetgever deze soort werken eigenlijk niet bedoeld heeft, gaat het naar het oordeel van verweerder om een aanzienlijke administratieve toegeving. Aan deze toegeving zijn evenwel limieten gesteld, met name deze die verweerder precies heeft toegepast : dat het oude gebouw nog betekenisvol moet zijn in het nieuwe geheel en dat daartoe de vloeroppervlakte nooit meer dan verdubbeld mag worden.

Door zich op die circulaire te baseren, heeft de controle-ambtenaar zich volgens verweerder in elk geval gesteund op gegevens die openbaar gemaakt waren en dus op een manier die voldoet aan de vereisten van gelijkheid, rechtszekerheid en billijkheid.

Gelet op het vonnis van de vijfde kamer van 14 mei 2002, verklaart verweerder zich wel akkoord met een vermindering van de schuld die hij van eisers vraagt, zoals vermeld bij de weergave van zijn vordering (punt 2, hierboven).

2.3. Beoordeling

2.3.1. Het verlaagd tarief bij 'omvorming'

Eisers kunnen niet ontkennen dat zij van de kleine bungalow die weinig of geen comfort had, een ruime woning gemaakt hebben waarin het comfort van een hedendaagse nieuwbouwwoning voorzien is. Het mag dan wel kloppen dat er slechts één extra slaapkamer gecreëerd is, toch blijkt dat eisers in hun woning ten opzichte van vroeger nu niet alleen een ruimere keuken hebben, maar ook een ruime badkamer met afzonderlijke douchecel, twee extra bergingen, een afzonderlijke inkomhal (terwijl men vroeger rechtstreeks in de woonkamer binnenkwam), twee extra wc's en een dressing, gecombineerd met een overdekte gang naar de garage en een nieuwe dakbedekking.

De administratieve circulaires zijn op zich geen bron van recht in de formele zin. De rechtbank moet de zaak beslechten op basis van de wetteksten.

Verweerder laat nochtans met reden gelden dat de wettekst veel beperkter is dan de administratieve invulling in de circulaire nr. 6/1986 waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' (transformation, rénovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekenis worden uitgelegd. Zij omvatten normaal gezien geen handelingen of behandelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXI, § 3, 1 van KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits er steeds van uitgegaan wordt dat er niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is; het gaat dus in het meest verregaande geval over 'verbouwen'.

Zelfs wanneer er redelijkerwijze met enige marge moet rekening gehouden worden, dan blijkt dat de mate waarin de circulaire nr. 6/1986 toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken verstaat, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie in 1994 besliste om tot een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan door het standpunt als volgt aan te vullen :

De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.

Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.

De rechtbank kan een dergelijke toegeving niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

Binnen het kader waarin - rekening houdend met de geschetste administratieve toegeving - het recht op het verlaagd tarief van 6 % bestaat, heeft verweerder evenwel een correcte beoordeling van het dossier van eisers gemaakt. In geval van toegeeflijkheid is het logisch dat de grenzen strikt worden toegepast. Overigens moet het ook voor eisers duidelijk zijn (en geweest zijn) dat zij in wezen hun kleine bungalow met weinig comfort, tot een woning herschapen hebben waarin men die oorspronkelijke bungalow niet meer kan herkennen en dit vooral door het grote en functioneel belangrijke aandeel van het nieuwbouwgedeelte met twee bouwlagen. De werken die eisers lieten uitvoeren, zijn dan ook niet te beschouwen als een 'omvorming, renovatie, rehabilitatie of verbetering' van de oorspronkelijke bungalow.

Het is in die omstandigheden niet relevant dat eisers beweren dat zij iets kleiner zouden gebouwd hebben, mochten zij geweten hebben dat de oorspronkelijke oppervlakte maximaal mocht verdubbeld worden.

Vooreerst tonen zij niet aan dat zij totaal onwetend waren over de administratieve interpretatie. In elk geval waren zij al in december 1996, dus vóór de aanvang van de eigenlijke werken, ingelicht over het bestaan van het verlaagd tarief (zie hun stuk nr. 10). Op dat moment hadden zij de nodige adviezen kunnen inwinnen. Ook toen al moesten zij beseffen dat het om niet onbelangrijke bedragen ging.

Mochten zij hun bouwwerken tot het dubbele van odeoorspronkelijke vloeroppervlakte beperkt hebben, dan mochten zij slechts 291,40 m2 bereiken. Dat is toch 25 m minder dan het uiteindelijk resultaat. Dat stemt bijvoorbeeld overeen met de gezamenlijke vloeroppervlakte van de slaapkamers 2 en 3. Afgezien van het subjectieve karakter van hun bewering, is het nog zeer de vraag of eisers daadwerkelijk hun doelstellingen (en gezinsbehoeften) zouden kunnen bereikt hebben zonder de door verweerder gehanteerde grens te overschrijden.

2.3.2. De subsidiaire stelling

2.3.2.1. 0psplitsing

Eisers vragen subsidiair dat het gewoon tarief alleen zou toegepast worden op de werken die geen betrekking hebben op de veranderingen aan de oorspronkelijke bungalow.

Afgezien van de vaststelling dat eisers niet aantonen op welke manier de uitsplitsing zou kunnen of moeten gebeuren, biedt de tekst van KB nr. 20 van 20 juli 1970 geen enkele steun voor deze benadering. De wetgever heeft kennelijk bedoeld dat de werken in onroerende staat in hun geheel per project (per woning) moeten bekeken worden. De werken van eisers hebben slechts één woning als voorwerp en maken dus één ondeelbaar geheel uit. Er kan dan ook niet worden ingegaan op dat deel van de vordering.

De vordering van eisers is bijgevolg ongegrond, met dien verstande dat de bedragen in het dwangbevel moeten aangepast worden in functie van het vonnis van de vijfde kamer van 14 mei 2002. Over de vermindering van de verschuldigde bedragen bestaat trouwens tussen de partijen geen betwisting.

3. De gerechtskosten

Eisers worden in het ongelijk gesteld. Het feit dat de bedragen worden verminderd, is slechts een gevolg van het vonnis van de vijfde kamer van14 mei 2002 dat in deze zaak nooit een punt van betwisting is geweest. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moeten eisers de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond.

De rechtbank zegt voor recht dat het dwangbevel dat tegen eisers op 4 juni 2002 is uitgevaardigd, op 10 juni 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd en per aangetekende brief van 12 juni 2002 aan hen ter kennis werd gebracht slechts uitwerkingen gevolg mag hebben voor de volgende bedragen :

- veertienduizend driehonderd en tweeënzestig euro en achttien cent (14.362,18 EUR) aan BTW

- duizend vierhonderd en dertig euro (1.430,00 EUR) boete en

- de moratoire interesten op die bedragen krachtens artikel 91, § 4 W.BTW, vanaf 12 juni 2002.

De rechtbank. verwijst eisers in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 342,09 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eisers niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hen zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vier november tweeduizend en drie.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.