Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 25 juni 2002

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brugge-2002-06-25-692e

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
25 juni 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

87 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 25.06.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

AR nr. 01/2115/A Rep. nr. 2002/8421

In de zaak van :

…, handelaar, wonende te …, …

eiser,

vertegenwoordigd door meester F. D., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op vervolging van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van de tweede BTW-controle te Oostende, met kantoren te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat nr. 1.

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 28 mei 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het gedinginleidend verzoekschrift van 27 juli 2001;

2. de conclusie voor verweerder van 26 september 2001;

3. de conclusie voor eiser van 17 en 21 december 2001 en

4. de conclusie voor verweerder van 16 januari 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiser is handelaar. Zijn boekhouding werd kennelijk verzorgd door de BVBA F., een boekhoudkantoor waarvan eiser medeoprichter is, met zijn broer als gedelegeerd bestuurder.

De BTW-aangifte voor het eerste kwartaal 1998 werd door eiser pas op 2 juni 1998 ingediend (nihil-aangifte). Daarop werd door de BTW-administratie beslist om een (verminderde) boete van 1.000 frank (24,79 euro) op te leggen. In het uittreksel van de rekening-courant van 31 juli 1998 stond dat openstaande bedrag van die boete vermeld.

De aangifte voor het tweede kwartaal van 1998 werd door eiser pas binnengebracht op 20 augustus 1998 (nihil). Opnieuw werd een boete van 1.000 frank opgelegd, wat eiser kon lezen in het uittreksel van zijn rekening­courant van 31 oktober 1998.

Op 8 januari 1999 werd eiser per aangetekende brief eraan herinnerd dat hij nog 2.000 frank moest betalen aan de BTW-administratie. Er werd hem op gewezen dat op het einde van die maand zou worden overgegaan tot het opstellen van een bijzondere regularisatierekening en dat hij er belang bij had om dat te vermijden vermits dit de boetes zou opdrijven. Hij kreeg de kans om te betalen tegen 23 januari 1999.

Eiser deed geen betaling.

Voor het derde en het vierde kwartaal 1998 heeft eiser pas op 21 juni 1999 een nihil-aangifte ingediend. Op 28 april 1999 al had de BTW-administratie een bijzondere rekening geopend waarin, wegens het niet indienen van de aangifte voor die twee kwartalen, telkens een boete van 20.000 frank (495,79 euro) werd verschuldigd verklaard. Aldus stond de rekening van eiser toen op 42.000 frank (1.041, 15 euro).

Bij gebrek aan betaling vaardigde verweerder op 9 juli 2001 tegen eiser een dwangbevel uit voor 1.041,15 euro vermeerderd met de moratoire interest en de. vervolgingskosten. Het dwangbevel werd op 10 juli 2001 uitvoerbaar verklaard. Diezelfde dag werd het aan eiser ter kennis gebracht met een aangetekende brief.

Met een verzoekschrift van 27 juli 2001 stelde eiser zijn huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiser vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat het betreffende dwangbevel nietig is en dat de erin vermelde sommen niet verschuldigd zijn. Subsidiair vordert eiser matiging van de boetes.

Hij vordert terugbetaling van alle ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriuminterest.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiser

Eiser voert de volgende argumenten aan.

- de regel van non bis in idem is geschonden;

- het dwangbevel is nietig want het is niet gemotiveerd;

- de problemen vonden hun oorzaak in een familiekwestie, wat overmacht uitmaakt;

- de boetes voor niet-indiening van de aangifte zijn ten onrechte vermits ook voor het derde en vierde kwartaal van 1998 er een (laattijdige) aangifte werd ingediend;

- minstens moeten de boetes gematigd worden.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder verwerpt elk van de argumenten van eiser.

2.3. Beoordeling

2.3.1. Non bis in idem

Eiser blijkt op dat argument niet langer aan te dringen. Het is immers duidelijk dat de boetes van 24,79 euro (1.000 frank) respectievelijk op het eerste en het tweede kwartaal van 1998 sloegen en opgelegd werden wegens laattijdige indiening van de aangifte, terwijl de boete van 495,79 euro (20.000 frank) voor de niet-indiening waren in de twee volgende kwartalen.

2.3.2. Motivering

Eiser roept in dat hij pas bij het lezen van de conclusies van verweerder kon achterhalen dat de 'niet-ingediende aangiften' en de 'te laat ingediende aangiften' niet dezelfde waren.

Hij leidt daaruit af dat het dwangbevel onvoldoende gemotiveerd is.

Met verweerder stelt de rechtbank vast dat het dwangbevel uitdrukkelijk onderscheid maakt tussen een boete wegens niet tijdig indienen van de aangiften en een boete wegens niet-indiening van de aangiften. Ter verduidelijking werd verwezen naar de bijzondere rekening die was opgesteld en die bij het dwangbevel werd gevoegd. In die bijzondere rekening werd vooreerst verwezen naar de bedragen die al voordien waren opeisbaar gesteld, namelijk 49,58 euro (2.000 frank). Dat bedrag stemde overeen met wat aan eiser bij herhaling (zelfs met herinnering tot betaling) ter kennis was gebracht via de uittreksels uit zijn rekening-courant en waaruit hij kon afleiden dat het om boetes wegens laattijdige aangifte voor het eerste en tweede kwartaal 1998 ging.

Voor het overige vermeldt de bijzondere rekening heel uitdrukkelijk dat er voor het derde en het vierde kwartaal van 1998 telkens een boete van 495,79 euro (20.000 frank) wordt opgelegd.

Eiser kan dan ook niet gevolgd worden in zijn stelling dat het dwangbevel onvoldoende gemotiveerd was.

2.3.3. 0vermacht

Eiser bewijst geen overmacht. Zelfs al zou het bewezen zijn dat de problemen met de aangifte het gevolg zijn van een familiekwestie (ruzie met de broer van eiser), dan nog blijft eiser verantwoordelijk voor de keuze van zijn tussenpersonen. Overigens kan niet worden ingezien wat het indienen van een nihil-aangifte belet zou hebben.

2.3.4. Niet-aangifte of laattijdige aangifte ?

Volgens eiser kan voor het derde en vierde kwartaal van 1998 ook slechts een boete worden opgelegd wegens laattijdige aangifte (nl. telkens 24,79 euro of 1.000 frank) omdat hij voor die twee kwartalen wel een aangifte indiende, namelijk op 21 juni 1999.

Eiser kan in zijn stelling niet gevolgd worden. De aangiften voor het derde en het vierde kwartaal werden pas ingediend nadat de BTW-administratie de rekening-courant van eiser op nul had gezet, een bijzondere rekening had geopend en voor elk van de betreffende kwartalen een boete van 495,79 euro (20.000 frank) had opgelegd wegens niet-indiening meer bepaald op 28 april 1999, met kennisgeving aan eiser. In die omstandigheden konden de aangiften van 21 juni 1999 redelijkerwijze niet meer een regularisatie van de boetes met zich meebrengen.

2.3.4. Matiging

De rechtbank is bevoegd om overdreven administratieve boeten te matigen.

In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het nochtans niet gepast om de boeten te verminderen. Uit de feiten blijkt dat eiser voldoende gewaarschuwd was. Hoewel hem voor de laattijdige aangiften al (verminderde) boeten waren opgelegd, liet hij niet alleen na om ze te betalen, maar liet de toestand zelfs nog van kwaad tot erger gaan : hij diende geen aangiften meer in.

Uiteindelijk bleek dat dit - althans naar zijn eigen oordeel - kon volstaan met een nihil-aangifte.

Zelfs als het terecht om nihil-aangiften ging, dan nog komt het een belastingplichtige toe om de formele verplichtingen na te leven. De administratie is op zich al een traag en log apparaat. Het verstoren van het raderwerk brengt bijkomende kosten en moeite mee waarvoor de boetes niet alleen een compensatie moeten bieden, maar ook een herhaling van dergelijke feiten in de toekomst moeten beogen.

De boetes die verweerder heeft opgelegd, zijn daarom gepast.

3. De gerechtskosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in.

Eiser heeft nochtans, gelet op het oordeel ten gronde, niet langer belang bij de voorlopige tenuitvoerlegging. In elk geval ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de regel uit artikel 92bis W.BTW. De voorlopige tenuitvoerlegging wordt niet toegestaan.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 167,33 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op vijfentwintig juni tweeduizend en twee

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.