Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 14 november 2012

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2012-11-14-d98f

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
14 november 2012

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

62 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.11.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien november tweeduizend en twaalf in openbare zitting van de 4 F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., griffier.

In zake : AR Nr. 11/2566/A

A. I. I. BVBA, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester T. D. C. loco meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij de heer E. M., in hoedanigheid van eerstaanwezend inspecteur.


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 15 april 2011,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 10 juni 2011,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 17 oktober 2012.


De vordering strekt er in hoofdorde toe het dwangbevel Reg. 127/118, uitgevaardigd op 25 november 2010 en uitvoerbaar verklaard op 25 november 2010, te vernietigen, in ondergeschikte orde de boetes kwijt te schelden, evenals de nalatigheidsintresten, dienvolgens de terugbetaling te bevelen van de door eiseres ten onrechte betaalde en/of door verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, meer de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.

Beoordeling

Betreffende de territoriale onbevoegdheid van het controlecentrum Oostende

De territoriale bevoegdheid van de fiscale diensten betreft een zuivere interne aangelegenheid en doet geen rechten of verplichtingen ontstaan in hoofde van de rechtsonderhorigen (vergelijk Cass. 10 juni 2010 inzake F.09.0014, F.J.F., 2011/2 en Antwerpen 14 juni 2011 inzake 2007/AR/1271).

Betreffende de bewijskracht van de boekhouding

Opdat een boekhouding bewijskrachtig zou zijn op belastinggebied wordt niet vereist dat de boekhouding aan alle eisen van de wetgeving op de boekhouding beantwoordt, doch volstaat het dat zij volledig is en voldoende waarborgen van juistheid biedt.

De boekhouding moet een voldoende samenhangend geheel vormen en moet het mogelijk maken na te gaan of de geboekte cijfers overeenkomen met de werkelijkheid en voldoende gestaafd worden door geschriften zodat aan de hand ervan het bedrag van de belastbare inkomsten kan worden bepaald.

Bijgevolg is de boekhouding alleen bewijskrachtig als zij volledig is en als haar vermeldingen controleerbaar zijn (Cass. 19 april 1990, R.W., 1990-91, 341).

Aangezien onder meer het dagontvangstenboek, de verantwoordingsstukken met betrekking tot de inschrijving in dit dagontvangstenboek en het inventarisboek niet worden voorgelegd, kan de juistheid van de aangegeven omzet niet gecontroleerd worden zodat de boekhouding niet controleerbaar is en dan ook terecht werd verworpen als niet bewijskrachtig.

Het loutere feit, dat de voormalige zaakvoerder van eiseres een aantal boekhoudkundige stukken voor zich zou gehouden hebben en/of ontvreemd zou hebben, kan geenszins worden aangemerkt als overmacht, te meer nu eiseres niet het minste aantoont dat zij al het nodige heeft gedaan om deze stukken bij zich te houden en/of terug in haar bezit te krijgen.

Betreffende de willekeurigheid van de wedersamenstelling van de omzet

Bij gebrek aan bewijskrachtige boekhouding heeft de administratie de omzet terecht weder samengesteld.

Voor de wedersamenstelling van de omzet heeft de administratie gebruik gemaakt van de volgende vaststaande gegevens, namelijk :

- het bedrag van de verkochte aankopen, zoals blijkt uit de boekhouding van eiseres,

- de verklaring van de zaakvoerder van eiseres dat de verkoopprijs, inclusief BTW, bepaald werd door de aankoopprijs, exclusief BTW, te vermenigvuldigen met 2,70,

- de vaststelling op 13 april 2007 (stuk 21 van verweerder) dat de in werkelijkheid hoger ligt dan 2,70, namelijk vermenigvuldigingsfactor gemiddeld 2,88,

- de verklaring van de zaakvoerder van eiseres dat de toegestane kortingen en solden eerder beperkt waren en dat hij het bedrag ervan niet kon aantonen,

- de vaststelling dat het bestaan zelf van de kortingen of solden niet kan worden betwist.

Op basis van deze vaststaande gegevens heeft de administratie de omzet, exclusief BTW, weder samengesteld door de verkochte aankopen te vermenigvuldigen met 1,892, hetgeen impliceert dat een korting van méér dan 15 % op alle verkochte aankopen werd aanvaard, niettegenstaande eiseres niet het minste bewijs levert van de toegestane kortingen en solden en haar zaakvoerder zelf verklaart dat de toegestane kortingen en solden eerder beperkt waren.

Het staat dan ook ontegensprekelijk vast dat de administratie de omzet zeer redelijk en alleszins zeer voordelig voor eiseres heeft weder samengesteld, nu eiseres immers de bewijslast heeft van de toegestane kortingen en solden doch in haar bewijslast faalt, en er is geen sprake van willekeur.

Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat volgens eiseres rekening dient te worden gehouden met uitzonderlijke kosten, doch zij levert niet het minst bewijs van deze beweerde uitzonderlijke kosten en faalt dan ook in haar bewijslast.

Verder levert eiseres niet het minste bewijs dat het vertrouwensbeginsel zou geschonden zijn.

Tot slot kan eiseres geen rechten putten uit een controle bij een andere belastingplichtige zodat er dan ook geen enkele reden is om verweerder te bevelen stukken van deze andere belastingplichtige overeenkomstig artikel 877 Ger. W. bij het dossier van de rechtspleging te voegen.

Betreffende de teruggave van BTW

Eiseres vraagt in haar BTW-aangiften teruggave van BTW wegens uitvoer, doch uit geen enkel objectief element blijkt dat zij deze BTW eerst heeft voldaan en bovendien levert zij niet het minste bewijs van de beweerde uitvoeren zodat zij in haar bewijslast faalt.

Betreffende de administratieve geldboeten

De geldboeten zijn wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

Zoals hoger vermeld is er geen sprake van overmacht.

Betreffende de vrijstelling van de intresten

Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijke directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be , Cass. 17 april 2000, Arr.Cass. 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

N. D. P. W.