Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 23.06.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op drieëntwintig juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
Inzake : AR nr. 06/3350/A
BVBA N., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met vennootschapszetel gevestigd te …, …
EISENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING
VERWERENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING
verschijnende bij meester A. C., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
VERWERENDE PARTIJ OP HOOFDVORDERING
EISENDE PARTIJ OP TEGENVORDERING
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder C. G. in vervanging van gerechtsdeurwaarder E. L. te … op 23 mei 2006,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 juni 2006.
De hoofdvordering strekt ertoe :
- in hoofdorde te zeggen voor recht dat de dwangbevelen Reg. 127/41/06 en Reg. 127/4206, uitgevaardigd op 21 maart 2006 en uitvoerbaar verklaard op 24 maart 2006, vals zijn en dat het dossier dient te worden overgemaakt aan het parket van de Procureur des Konings voor eventuele vervolgingen,
- in tweede hoofdorde te zeggen voor recht dat voornoemde dwangbevelen aangetast zijn door nietigheid,
- in de meest ondergeschikte orde eiseres op hoofdvordering te machtigen om de openstaande schuld af te korten met 800,00 EUR per maand.
Bij conclusies, neergelegd ter griffie op 1 juni 2006, heeft verweerder op hoofdvordering een tegenvordering gesteld die ertoe strekt eiseres op hoofdvordering te veroordelen tot betaling van de som van 750,00 EUR wegens tergende en roekeloze vordering.
Beoordeling
Betreffende het verzoek van eiseres op hoofdvordering om de zaak te verdagen
Volgens de rechtbank is er geen enkele reden om de zaak te verdagen en de rechten van verdediging van eiseres op hoofdvordering worden hierdoor geenszins geschaad.
Betreffende de afwezigheid van machtiging
De dwangbevelen werden geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar, die - volgens deze dwangbevelen - aangewezen was door de directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen.
Aangezien de machtiging van de gewestelijke directeur niet aan de dwangbevelen is gehecht en niet wordt overgemaakt, bevatten de dwangbevelen - volgens eiseres op hoofdvordering - verschillende feitelijke gegevens in strijd met de werkelijkheid en zijn deze dwangbevelen vals.
Krachtens artikel 85, § 1 W.BTW wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur of door de door hem aangewezen ambtenaar.
Deze aanwijzing blijkt uit het optreden zelf van de ambtenaar; het komt de rechter niet toe deze aanwijzing te onderzoeken (vergelijk Cass. 8 oktober 1996, Arr. Cass. 1996, 365).
Bijgevolg blijkt ook uit het optreden zelf van de ambtenaar dat de gewestelijke directeur hem had aangewezen om de dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren en het komt de rechtbank niet toe deze aanwijzing te onderzoeken.
Geen enkele wettelijke bepaling vereist trouwens dat de ambtenaar schriftelijk door de gewestelijke directeur wordt aangewezen en er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de ambtenaar niet werd aangewezen door de gewestelijke directeur.
Er is dan ook geen sprake van dat de bestreden dwangbevelen feitelijke gegevens in strijd met de werkelijkheid zouden bevatten en aldus vals zouden zijn.
Betreffende de betekening: van de dwangbevelen door een plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder zonder opgave van het wettelijk beletsel in hoofde van de titularis gerechtsdeurwaarder
Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder bij de betekening van een dwangbevel de reden van het wettelijk beletsel vermeldt in hoofde van de titularis gerechtsdeurwaarder.
Er is dan ook geen sprake van dat de bestreden dwangbevelen nietig zouden zijn omdat de reden van het wettelijk beletsel in hoofde van de titularis gerechtsdeunvaarder niet werd vermeld.
Hierbij dient trouwens te worden opgemerkt dat de dagvaarding, die op verzoek van eiseres op hoofdvordering werd betekend aan verweerder op hoofdvordering, eveneens werd betekend door een plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder zender vermelding van het wettelijk beletsel in hoofde van de titularis gerechtsdeurwaarder.
Betreffende de schending van de motivatievereiste
Bij gebreke aan voldoening van de verschuldigde en niet-betwiste BTW binnen de wettelijke termijnen werden de bestreden dwangbevelen terecht uitgevaardigd.
De administratie diende immers geenszins te aanvaarden dat eiseres op hoofdvordering - in strijd met deze wettelijke betalingstermijnen - haarzelf eigenhandig afbetalingsfaciliteiten toestond door haar schuld met 1.000 EUR per maand af te korten.
Er is dan ook geen sprake van schending van de motiveringsvereiste.
Betreffende de opgelegde boeten
De boeten, die werden opgelegd ingevolge de niet-tijdige betaling van de BTW hetgeen duidelijk werd vermeld in de bestreden dwangbevelen, zijn wettelijk en werden ongetwijfeld voldoende gemotiveerd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat deze boeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.
Betreffende uitstel van betaling
De rechtbank is van oordeel dat er geen enkele reden is om uitstel van betaling te verlenen, ongeacht of de rechtbank hiertoe de mogelijkheid heeft.
Betreffende de tegenvordering
Een tergend en roekeloos geding onderstelt een bewust misbruik van het geding of een werkelijk onverschoonbare lichtzinnigheid bij het gebruik ervan hetgeen te dezen bewezen is nu eiseres op hoofdvordering een totaal ongegronde procedure in werking heeft gesteld en op kennelijk ondoordachte wijze deze vordering heeft ingesteld, hetgeen een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding rechtvaardigt, die door de rechtbank naar billijkheid begroot wordt op 750,00 EUR.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de hoofdvordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Verklaart de tegenvordering toelaatbaar en als volgt gegrond.
Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot betaling van de som van 750,00 EUR aan verweerder op hoofdvordering wegens tergend en roekeloos geding.
Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder op hoofdvordering begroot op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Wijst het meer en/of anders gevorderde af.
N. D. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.