---
title: "9 juni 2006 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 9 juni 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2006-06-09-180c"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

9 juni 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

45 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 09.06.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen juni tweeduizend en zes in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

In zake : AR Nr. **06/279/A**

**L. M.**, herbergier, wonende te …, …, ingeschreven in de kruispunt­ bank der ondernemingen onder het nummer ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **K. H.** loco meester **H. D.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, invordering Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 11 januari 2006,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 12 mei 2006.

---

De vordering strekt ertoe de dwangbevelen :

\- Reg. 12 7/11/05, uitgevaardigd op 23 december 2004 en uitvoerbaar verklaard op 19 januari 2005,

\- Reg. 127/163/05, uitgevaardigd op 15 september 2005 en uitvoerbaar verklaard op 27 september 2005,

te vernietigen, minstens te zeggen voor recht dat eiser de in deze dwangbevelen gevorderde sommen niet verschuldigd is, in ondergeschikte orde de opgelegde BTW boeten kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen, de uitvoering van de bestreden dwangbevelen te verbieden en de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.

## Beoordeling

## Betreffende bewijs van delegatie met betrekking tot de visering en uitvoerbaar verklaring van de dwangbevelen

Volgens eiser blijkt uit geen enkel document dat de ambtenaar gemachtigd was door de gewestelijke directeur om de bestreden dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren zodat deze dwangbevelen - volgens eiser - nietig zouden zijn.

Uit het delegatiebesluit van 17 november 1997 blijkt ontegensprekelijk dat deze ambtenaar door de gewestelijke directeur gemachtigd was om de bestreden dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

## Betreffende de nietigheid van de bestreden dwangbevelen wegens het niet vermelden van de beroepsmogelijkheden

Krachtens artikel 2, 4° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur dient elk document, wanneer een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking ter kennis wordt gebracht van de bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen te vermelden.

Aangezien de bestreden dwangbevelen de bevoegde rechtbank niet vermelden waar een vordering in rechte kan worden ingesteld, zijn de dwangbevelen - volgens eiser - nietig.

Artikel 2, 4° van voornoemde wet van 11 april 1994 vermeldt uitdrukkelijk dat bij ontstentenis van voornoemde vermelding enkel en alleen de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt.

Er is dan ook geen sprake van dat de dwangbevelen nietig zijn.

Betreffende de nietigheid van de bestreden dwangbevelen wegens schending van de motiveringsplicht en wegens het ontbreken van het bewijs van de BTW vordering

De dwangbevelen hebben betrekking op het niet betalen van in periodieke BTW-aangiften door eiser zelf als verschuldigde aangegeven BTW en op boeten wegens het niet tijdig betalen van deze verschuldigde BTW en wegens het niet tijdig indienen van deze aangiften, hetgeen voldoende blijkt uit deze dwangbevelen, zodat er geen sprake is van een gebrek aan motivering en van een gebrek aan bewijs van de BTW vordering.

## Betreffende de opgelegde boeten

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat eiser de vrije keuze van boekhouder heeft en dan ook de gevolgen moet dragen van deze keuze en van de mogelijke fouten en nalatigheden van zijn boekhouder.

Verder zijn de opgelegde boeten wettelijk en is de rechtbank van oordeel dat deze boeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 182,20 EUR rechtsplegingsvergoeding.

**N. D.** **P. W.**
