Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 30 april 2004

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2004-04-30-9684

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
30 april 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

105 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 30.04.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertig april tweeduizend en vier in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

Inzake : AR nr. 01/1764/A

…, zelfstandige, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …, wonende te …, …

eisende partij,

verschijnende bij meester A. V. d., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor van Antwerpen 2, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

En inzake : AR nr. 01/2195/A

…, zelfstandige, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …, wonende te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij meester A. V. d., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordig, door de Minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor van Antwerpen 2, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

Inzake : AR nr. 01/1764/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 maart 2001,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 september 2003,

- de besluiten van partijen.

Inzake : AR nr. 01/2195/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder R. D. B. te … op 16 maart 2001.

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 september 2003,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935·op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting v:m 2 april 2004.


Inzake AR 01/1764/A

De vordering strekt ertoe voor recht te zeggen dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 28 februari 2001 en uitvoerbaar verklaard op 1 maart 2001, teniet wordt gedaan vermits eiseres geenszins de BTW, geldboeten en intresten verschuldigd is aan verweerder en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Inzake AR 01/2195/A

De vordering strekt ertoe voor recht te zeggen dat het dwangbevel, uitgevaardigd op 28 februari 2001 en uitvoerbaar verklaard op 1 maart 2001, teniet wordt gedaan vermits eiseres geenszins de BTW, geldboeten en intresten verschuldigd is aan verweerder en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder AR 01/1764/A en AR 01/2195/A, hebben betrekking op een betwisting in verband met hetzelfde dwangbevel en zijn dan ook nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

Relevante feiten

Eiseres baat een kleinhandel in zuivelproducten en kruidenierswaren uit, terwijl de firma H. een groothandel is in algemene voeding.

Ingevolge een onderzoek bij de firma … is gebleken dat in haar vestigingen te Antwerpen, Brugge en Brussel

- enkel kan gekocht worden door bezitters van een door deze vestiging uitgereikte koperskaart,

- alle verkopen worden gefactureerd,

- er niet verkocht wordt aan particulieren.

In de vestiging te Brugge werd vastgesteld dat sommige kopers in het bezit waren van meerdere koperskaarten, namelijk één koperskaart op hun naam en een tweede of meerdere koperskaarten op fictieve namen en/of fictieve adressen of eventueel familieleden; verder toont een onderzocht geval aan dat een fictieve koperskaart aangemaakt werd enige dagen vóór de creatiedatum van de effectieve koperskaart, terwijl beide kaarten samen werden gebruikt voor een aankoop op laatstgenoemd tijdstip.

Bij akkoordverklaring van 20 april 2000 erkende de gedelegeerd bestuurder van de firma … dat de firma op de hoogte moest zijn dat

- twee of meerdere koperskaarten werden verstrekt aan éénzelfde klant,

- het gebruik van twee of meerdere koperskaarten door éénzelfde klant werd toegelaten,

- een deel van de facturaties gebeurde op naam van fictieve personen.

Door de firma H. werden lijsten opgesteld waarin voor een aantal klanten van de vestigingen te Antwerpen, Brugge en Brussel het verband werd gelegd tussen het nummer van de fictieve koperskaart en het nummer van de effectieve koperskaart; op deze lijsten werd voor de vestiging te Antwerpen voor de klant …, zijnde eiseres, het verband gelegd tussen het nummer van de fictieve koperskaart op naam van …, zijnde de moeder van eiseres, en het nummer van de effectieve koperskaart op naam van eiseres.

Volgens het proces-verbaal van 15 februari 2001 is uit het onderzoek van de klantenbestanden gebleken dat door eiseres gebruik werd gemaakt van een kaart op naam van een zekere·… en blijkt het verband tussen deze twee kaarten uit de vaststelling dat van de 151 facturen die vanaf begin 1996 tot eind 1998 aan eiseres werden uitgereikt er in 28 gevallen juist ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van …; volgens het proces-verbaal is uit het nazicht van de facturen gebleken dat de aangekochte goederen op naam van … en op naam van eiseres gelijkaardig zijn en behoren tot de soort goederen die in de winkel van eiseres te koop worden aangeboden; hieruit zou - volgens het proces-verbaal - blijken dat de aankopen gedaan met de koperskaart op naam van … in werkelijkheid door eiseres werden verricht.

Beoordeling

Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift inzake AR 01/1764/A

Krachtens artikel 700 Ger. W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Ger. W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, R.W.1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer ·de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW, dat in voege was vóór de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat voornoemd artikel 89, lid 2 en 3 wordt vervangen door de volgende bepaling : "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek onder meer artikel 1385decies ingevoegd, luidend als volgt : ''Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, lid 1, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak..."

Krachtens artikel 3 Ger. W. is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bijgevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, lid 1 van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW wijzigt, slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Te dezen heeft de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich voorgedaan vóór en ná 1 januari 1999.

Voor zover de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999 is het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW van toepassing en diende de vordering dan ook ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering echter bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het in casu niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering dan ook ontoelaatbaar voor zover de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999.

Betreffende het proces-verbaal van 15 februari 2001

Bij de kennisgeving van het dwangbevel aan eiseres werd een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van 15 februari 2001 gevoegd.

Niettegenstaande op het eerste blad van dit proces-verbaal een stempel was aangebracht waarbij vermeld werd dat 8 bladen eensluidend werden verklaard, staat het ontegensprekelijk vast dat dit proces-verbaal slechts 7 bladen bevatte nu op het laatste blad uitdrukkelijk staat vermeld “zevende en laatste blad".

Het staat dan ook ontegensprekelijk vast dat eiseres een afschrift heeft bekomen van het volledig proces-verbaal met alle bijlagen zodat zij dan ook de mogelijkheid had om haar verdediging volledig te motiveren.

Betreffende de tegenstrijdigheden

Er bestaat geen tegenstrijdigheid tussen het motiverend gedeelte van het dwangbevel, waarin vermeld staat dat een intrest 0,80 % per maand verschuldigd is vanaf 21 januari 2000, en het beschikkend gedeelte van het dwangbevel, waarin vermeld staat dat een intrest van 0,80 % per maand verschuldigd is vanaf 21 maart 2001 vermeerderd met 72.800 BEF; de verschuldigde intrest vanaf 21 januari 2000 tot 21 maart 2001 bedraagt immers 72.800 BEF.

Om dezelfde reden bestaat er evenmin een tegenstrijdigheid tussen het proces-verbaal van 15 februari 2001, waarin vermeld staat dat intrest verschuldigd is vanaf 21 januari 2000, en voornoemd beschikkend gedeelte van het dwangbevel.

Bijgevolg werd de mogelijkheid van eiseres om zich volwaardig te verdedigen geenszins geschonden.

Betreffende de betwisting ten gronde

De hierna vermelde feiten, namelijk :

- de vaststelling dat sommige kopers van de firma … in het bezit waren van meerdere koperskaarten, namelijk één koperskaart op hun naam en een tweede of meerdere koperskaarten op fictieve namen en/of fictieve adressen of eventueel familieleden,

- de vaststelling dat in een onderzocht geval een fictieve koperskaart en de effectieve koperskaart samen werden gebruikt voor een aankoop;

- de akkoordverklaring van de gedelegeerd bestuurder van de firma … waarbij erkend werd dat de firma op de hoogte moest zijn dat twee of meerdere koperskaarten werden verstrekt aan éénzelfde klant, dat het gebruik van twee of meerdere koperskaarten door éénzelfde klant werd toegelaten en dat een deel van de facturaties gebeurde op naam van fictieve personen,

- het verband dat door de firma … werd gelegd tussen het nummer van de fictieve koperskaart op naam van … en het nummer van de effectieve koperskaart op naam van eiseres,

- de vaststelling dat van de 151 facturen die vanaf begin 1996 tot eind 1998 aan eiseres werden uitgereikt er in 28 gevallen juist ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van …,

- de vaststelling dat de aankopen op naam van eiseres en de aankopen op naam van … zijn gedaan in de vestiging te Antwerpen,

- de vaststelling dat de aangekochte goederen op naam van … en op naam van eiseres gelijkaardig zijn en behoren tot de soort goederen die in de winkel van eiseres te koop worden aangeboden,

- de vaststelling dat … de moeder is van eiseres,

- de vaststelling dat door de firma … niet verkocht werd aan particulieren,

- de vaststelling dat eiseres in haar conclusies, neergelegd ter griffie op 20 oktober 2003, erkent dat zij een tweede koperskaart heeft aangevraagd voor haar moeder

- de vaststelling dat eiseres in haar conclusies, neergelegd ter griffie op 20 oktober 2003, erkent dat zij een tweede koperskaart heeft aangevraagd voor haar moeder

- de vaststelling dat eiseres in haar conclusies, neergelegd ter griffie op 20 oktober 2003, stelt dat de door … aangekochte goederen bestemd waren voor persoonlijk ge-/verbruik,

zijn vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens, die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid bieden, doch die elkaar aanvullen zodat deze een rechtsgeldig vermoeden uitmaken en voldoende zekerheid bieden dat al de door de firma … aan … gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zijn aan eiseres.

Uit geen enkel element blijkt dat de door de firma … aan … gefactureerde goederen, mede gelet op de omvang, bestemd waren voor haar persoonlijk, voor een ander familielid dan eiseres of voor enig ander persoon.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de firma … niet verkocht aan particulieren, terwijl het niet betwist wordt dat … particulier is en dan ook geen effectieve koperskaart kon bekomen zodat het dan ook vaststaat dat haar koperskaart een fictieve koperskaart is.

Het is dan ook bewezen dat al de door de firma … aan … gefactureerde goederen in werkelijkheid leveringen zijn aan eiseres.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de 2 zaken, gekend onder AR 01/1764/A en AR 01/2195/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vordering inzake AR 01/1764/A ontoelaatbaar voor zover de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999 en toelaatbaar voor zover de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich heeft voorgedaan vanaf 1 januari 1999.

Verklaart de vordering inzake AR 01/2195/A toelaatbaar.

Verklaart de vordering inzake AR 01/1764/A voor zover deze zoals hoger vermeld toelaatbaar is en de vordering inzake AR 01/2195/A ongegrond en wijst deze vorderingen af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op tweemaal 327,22 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op éénmaal 171,05 EUR rechtsplegingsvergoeding voor beide samengevoegde zaken.

N. D. P. W.