---
title: "25 juni 2003 · Vervolging, geding · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 25 juni 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2003-06-25-6207"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

25 juni 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

113 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 25.06.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijfentwintig juni tweeduizend en drie in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**L. B.**, rechter, voorzitter van de kamer,

**P. W.**, rechter,

**N. V.**, rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

**Inzake : AR nr. 99/2329/A**

**1.** **N. M.**, zelfstandige, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer … en geïdentificeerd als belastingplichtige onder het nummer BE …,

**2. V. H. J.**, bediende, beiden wonende te …, ….

**eisende partijen,**

verschijnende bij meester **B. C.** loco meester **D. V. B.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**En in zake : AR nr. 01/4847/A**

**1.** **N. M.**, zelfstandige, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer … en geïdentificeerd als belastingplichtige onder het nummer BE …,

**2. V. H. J.**, bediende, beiden wonende te …, ….

**eisende partijen,**

verschijnende bij meester **B. C.** loco meester **D. V. B.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**,

**1.** vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14,

**2.** Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

**En inzake : AR nr. 99/2329/A**

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 20 april 1999,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 17 februari 2003,

\- de besluiten van partijen.

**En inzake : AR nr. 01/4847/A**

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **P. W.** in vervanging van gerechtsdeurwaarder **B. L.** te … op 25 juli 2001 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 1 en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **M. B.** te … op 26 juli 2001 voor wat betreft verwerende partij sub nr. 2,

\- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 15 april 2002.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 4 juni 2003.

---

De vorderingen strekken ertoe :

\- het verzet tegen het dwangbevel gekend onder Reg. 127/1628 uitgevaardigd op 7 januari 1999 door **F. D. W.**, Eerst Aanwezend inspecteur ad interim van het 3 de BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, en uitvoerbaar verklaard door de gedelegeerde ambtenaar op 13 januari 1999 ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

\- het bestreden dwangbevel te vernietigen en van nul en generlei waarde te horen verklaren en eisende partijen te horen ontslaan van de in het dwangbevel van haar gevorderde sommen;

\- verwerende partij te veroordelen tot integrale terugbetaling aan eisende partijen van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op alle sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd en dit vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW;

\- verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding;

\- het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

## 1. Feiten

**N. M.** exploiteert een kleinhandel in textiel te … en heeft de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige.

Op 13 juli 1998 werd een controle ter plaatse aangevat, door eerste aanwezende inspecteur **L. L.** bij het AOIF controlecentrum te Boom, die betrekking had over de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996.

Naar aanleiding van deze controle werden een aantal inbreuken vastgesteld op artikel 28, 2° W.BTW en [artikel 15, § 2 eerste lid van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-15-3ced) van 29 december 1992 in verband met de maatstaf van heffing.

Op grond van deze artikelen werden de kortingen, die volgens eisende partijen aan hun cliënteel werden toegestaan gedurende de jaren 1994, 1995 en 1996 niet aanvaard om reden dat enkel kasrollen werden voorgelegd waarop de datum, de verkoopprijs, een negatief bedrag en het saldo was vermeld. Volgens verwerende partij werd niet aangetoond dat de klant daadwerkelijk een korting had gekregen.

De verworpen kortingen werden opnieuw toegevoegd aan de aangegeven omzet, waardoor op grond van artikel 37 W.BTW en [artikel 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) van 20 juli 1970 een navordering aan BTW werd geheven tegen 20,5 % voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995 en tegen 21 % voor de periode vanaf 1 januari 1996.

Mevrouw **N.** verklaarde zich akkoord met een verschuldigd bedrag van 12.753 BEF in hoofdsom maar ging niet akkoord met de sommen verschuldigd wegens de inbreuken die werden opgenomen in het proces-verbaal van 9 december 1998 nadat, als gevolg van het niet akkoord, op 7 december 1998 de genomen beslissing was betekend.

Op grond van voormeld proces-verbaal werd op 7 januari 1999 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 13 januari 1999 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard. Dit dwangbevel werd op 1 april 1999 aan eisende partijen betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling.

In het dwangbevel werden volgende bedragen gevorderd :

\- BTW 122.298 BEF = 3.031,69 EUR

\- Boete 6.100 BEF = 151,22 EUR

\- wettelijke interesten vanaf 21 januari 1997,

\- moratoire interest over de verschuldigde geldboete

\- de vervolgingskosten.

## 2. Beoordeling

### Samenvoeging

De zaken gekend onder rolnummers 99/2329/A en 01/4847/A hebben hetzelfde oorzaak en voorwerp en betreffen dezelfde partijen zodat zij samenhangend zijn in de zin van artikel 30 van het gerechtelijk wetboek en dienen samengevoegd te worden.

### Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 20 april 1999

Krachtens artikel 700 Ger. W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Ger. W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, tweede en derde lid van het wetboek van BTW, dat in voege was vóór de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaardingen dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat voornoemd artikel 89, tweede en derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde Wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek onder meer artikel 1385decies ingevoegd, luidend als volgt : "Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak... "

Krachtens artikel 3 Ger. W. is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bijgevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, eerste lid van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, tweede en derde lid van het wetboek van BTW wijzigt, slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

In casu heeft de oorzaak van eisbaarheid zich ontegensprekelijk voorgedaan vóór 1 januari 1999 zodat het oude artikel 89, tweede en derde lid van het wetboek van BTW van toepassing is en de vordering dan ook diende ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering echter bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het in casu niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering ingesteld bij verzoekschrift dan ook ontoelaatbaar.

### Betreffende het verzet ingeleid bij dagvaarding d.d. 25 en 26 juli 2001

Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm en er worden noch door partijen redenen van ontoelaatbaarheid opgeworpen, noch worden er door de rechtbank ambtshalve op te werpen redenen van ontoelaatbaarheid vastgesteld, zodat de vordering ingeleid bij dagvaarding wel toelaatbaar is.

### Ten gronde

Eisende partijen stellen dat verwerende partij ten onrechte de door hen aan de klanten toegestane kortingen aan de maatstaf van heffing heeft toegevoegd.

Krachtens artikel 26 wordt voor de levering van goederen en de diensten de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.

Krachtens artikel 28, 2° W.BTW behoren de prijsverminderingen die door de leverancier of de dienstverrichter aan de afnemer toegekend worden en die door deze laatste verkregen zijn op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt niet tot de maatstaf van heffing.

[Artikel 14, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-14-c210) van 29 december 1992 bepaalt dat de belastingplichtigen een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding moeten voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren.

Ingevolge artikel 14, § 2, 3° van voormeld KB dienen eisende partijen een dagboek waarin zij de ontvangsten inschrijven met betrekking tot de handelingen waarvoor zij gebruik maken van de ontheffing van de factureringsplicht.

Krachtens artikel 15, § 2 van voormeld KB moeten de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.

Bijgevolg dienen eisende partijen met verantwoordingsstukken aan te tonen of en voor welk bedrag prijsverminderingen werden toegestaan.

Eisende partijen brengen telbanden, Z-totalen, genummerde kasbons en geïndividualiseerde kortingkaarten voor waaruit volgens hen het bewijs wordt geleverd dat alle verstrekte kortingen werden geregistreerd en alle ontvangsten werden gestaafd met bewijskrachtige kasbescheiden.

Zij brengen echter geen geïndividualiseerde kortingbonnen voor met betrekking tot de door verwerende partij verworpen kortingen doch stellen dat dit geenszins een gebruik is in hun sector en dermate tijdrovend is om op te stellen dat dit op termijn commercieel nadelig zou zijn.

Nochtans werden door eisende partijen thans een hele reeks geïndividualiseerde kortingbonnen voorgelegd die voor bepaalde periodes volledig in overeenstemming zijn met de telbanden zodat dit argument niet terzake dienend is.

Uit de voorgelegde verantwoordingsstukken met betrekking tot de litigieuze periode blijkt geenszins dat de goederenbewegingen kunnen gevolgd worden. De kastiketten zijn dermate vaag opgesteld dat zij niet controleerbaar zijn. Uit de telbanden die voorgelegd worden door eisende partijen, namelijk met betrekking tot 1995 en 1996 blijkt dat er wel degelijk door eisende partijen een hele reeks gedetailleerde kastickets werden opgesteld waarop zowel het kortingspercentage als het bedrag van de toegestane korting volledig werd vermeld en dit in overeenstemming met de geïndividualiseerde kortingbonnen. Het is derhalve zeer bevreemdend dat met betrekking tot de beweerde kortingen waarvoor geen geïndividualiseerde kortingbonnen kunnen voorgelegd worden de kastickets plots zeer vaag zijn en geen melding maken van het toegestane kortingpercentage doch enkel van een niet nader toegelicht negatief getal.

Verwerende partij stelt terecht dat een negatief getal op de telband niet noodzakelijk betekent dat er een korting werd toegestaan.

Eisende partijen leveren derhalve niet het bewijs van de aangegeven en beweerdelijk toegestane kortingen aan klanten bij gebreke aan bewijskrachtige verantwoordingsstukken terzake.

Volgens eisende partijen hebben de controleambtenaren tijdens voorgaande jaren genoegen genomen met de voorgebrachte telbanden en werden geïndividualiseerde kortingbonnen door hen als niet noodzakelijk aangemerkt.

Verwerende partij stelt dat er slechts een gedeeltelijke controle heeft plaatsgevonden bij eisende partijen met betrekking tot een gericht geselecteerde problematiek, namelijk de waarachtigheid en oorzaak na te gaan van het voor teruggaaf vatbaar belastingkrediet in de loop van het kalenderjaar zoals voorzien in het KB nr. 4 van 29 december 1969 genomen ter uitvoering van onder meer [artikel 76 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76). Dit blijkt uit stuk 11b van verwerende partij waarin uitdrukkelijk vermeld staat dat de onderneming ,werd geïnformeerd dat het om een gedeeltelijke controle ging.

Eisende partijen tonen niet aan dat er na voormelde controle nog een grondige controle van de boekhouding werd verricht door verwerende partij zodat zij zich niet kunnen beroepen op het vertrouwensbeginsel of de beginselen van behoorlijk bestuur op basis van de bovenvermelde beperkte controle.

Vervolgens stellen eisende partijen nog dat verwerende partij de solden verkopen heeft aanvaard op basis van dezelfde verantwoordingsstukken doch verwerende partij stelt terecht dat deze toegeving werd gedaan tijdens de onderhandelingsfase teneinde een minnelijke regeling te bereiken en dat zij in het kader van behoorlijk bestuur heeft geoordeeld dat zij niet kon terugkomen op de reeds medegedeelde cijfers vervat in het voorstel tot minnelijke schikking.

Bovendien zijn solden een algemeen bekend gegeven in de textielhandel, wat echter niet met zich meebrengt dat alle kortingen zonder stavingsstukken bewijskrachtige boekhouding moet worden aanvaard.

Bijgevolg is de vordering van eisende partijen niet gegrond.

### Betreffende de administratieve geldboete

De administratieve geldboete werd opgelegd conform de bepalingen van artikel 70, § 1 en 84, laatste alinea W.BTW en [artikel 1, 1° van KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987. Deze geldboete is van rechtswege verschuldigd zelfs in geval van goede trouw, zodat de vordering van eisende partijen desbetreffend ongegrond is.

### Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Voegt de zaken gekend onder AR nummers 99/2329/A en 01/4748/A samen,

**Inzake AR 99/2329/A**

Verklaart de vordering niet toelaatbaar,

**Inzake AR 01/4748/A**

Verklaart de vordering in verzet tegen het dwangbevel toelaatbaar doch ongegrond,

Veroordeelt eisende partijen tot de kosten van het geding in hoofde van verwerende partij begroot en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 167,33 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer- en anders gevorderde af.

**N. D.** **N. V.** **P. W.** **L. B.**

## Aangehaalde teksten

5

[KB nr. 1 art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-14-c210) 1 voorkomen

[KB nr. 1 art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-15-3ced) 1 voorkomen

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Geen geregistreerd kassasysteem, Herberekening van het omzetcijfer, Niet-bewijskrachtige boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geen-geregistreerd-kassasysteem-herberekening-omzetcijfer-rechtbank-luik-2025-03-24-3379) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Geregistreerd kassasysteem, Horeca, Verplichtingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geregistreerd-kassasysteem-gks-horeca-verplichtingen-raad-van-state-all-2017-03-16-2bce) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet bewijskrachtige boekhouding, Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-wedersamenstelling-omzetcijfer-hof-van-beroep-brussel-2015-07-10-f6fb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-brussel-2010-11-02-2e21) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-rechtbank-gent-2008-06-12-5417) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-bewijs-controlemaatregel-vervolging-hof-van-beroep-antwerpen-2011-09-06-6513) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijsmiddelen en controlemaatregelen, voorleggen van boeken en bescheiden, kasregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijsmiddelen-controlemaatregelen-voorleggen-boeken-bescheiden-hof-van-beroep-gent-2013-10-15-8b6b) 2 gemeenschappelijke bepalingen
