Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 04.11.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier november tweeduizend en twee in openbare zitting van de dertiende B kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
L. L., enig rechter,
M. V. N., griffier.
Inzake : A.R. Nr. 97/439/A
NV P. U., ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, voorheen met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, en thans te …, …,
eisende partij,
verschijnende bij meester S. B., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, in de persoon van de ontvanger van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4 (cfr. dagvaarding);
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Directie BTW Antwerpen, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73 (cfr. tweede aanvullende besluiten),
verwerende partij,
verschijnende bij meester M. P. loco meester M. V. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder J. W. in vervanging van gerechtsdeurwaarder A. V. te … op 10 januari 1997;
- de beschikking confom1 artikel 750, § 2 Ger. W. van 5 oktober 1999;
- de beschikking conform artikel 750, § 2 Ger. W. van 19 februari 2002;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummers 974/98 d.d. 3 mei 1998 en nummer 1103/97 d.d. 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de EUR.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 oktober 2002.
VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering van eisende partij strekt ertoe het door haar aangetekende verzet tegen het dwangbevel d.d. 16 september 1996 ref. …, uitvoerbaar verklaard op 17 december 1996, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dienvolgens dit dwangbevel ongegrond en zonder voorwerp te verklaren,
verwerende partij te veroordelen tot terugbetaling van alle hierop gebaseerde inhoudingen, meer de intresten vanaf de datum van inhouding, verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding en tot een schadevergoeding van … EUR.
FEITEN EN PROCEDURELE ANTECEDENTEN
Door eisende partij werd voor het derde kwartaal 1995 een nihil aangifte ingediend bij verwerende partij.
Na voorafgaandelijk schriftelijke aankondiging gaat de hoofdcontroleur van verwerende partij, per 24 november 1995 bij eisende partij op controle.
Deze controle resulteert in een correctie opgave waarbij de afgevaardigde bestuurder van eisende partij erkent schuldig te zijn aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW registratie en domeinen, de som van … BEF als belasting over de toegevoegde waarde, over welk bedrag, op grond van art. 91, § 1 W.BTW, de wettelijke intrest verschuldigd is vanaf 20 oktober 1995. Verder bevestigt de afgevaardigde bestuurder van eisende partij, dat het haar gekend is dat het totale bedrag van de door haar wegens die overtreding krachtens art. 70 en/of 71 W.BTW opgelopen wettelijke boeten … BEF bedraagt, doch dat dit bedrag verminderd wordt tot … BEF cfr. K.B. 41 tabel g.(stuk 4 verwerende partij).
Eisende partij maakte een met potlood ingevulde kopie van een BTW-aangifte over waar naast de verschuldigde BTW cfr. het akkoord, ook een bedrag vermeld werd van BTW welke zij in aftrek wenst te brengen.
De hoofdcontroleur verzoekt afspraak te maken met het oog op nazicht van de juistheid van de eventueel in aftrek te brengen BTW (stuk 3 eisende partij).
Door eisende partij wordt per 27 november 1995 het volgens baar aan BTW verschuldigde saldo, groot … BEF, aan verwerende partij overgemaakt (stuk 30 eisende partij).
Door verwerende partij worden aan eisende partij bijkomende stukken opgevraagd, met het oog op het innemen van standpunt in verband met het mogelijk recht op aftrek. Bij schrijven d.d. 9 februari 1996 meldt de hoofdcontroleur van verwerende partij dat bij uiteindelijk kopies ontving van de leveranciersrekeningen en klantenrekening, doch wat betreft leveranciers enkel met bijvoeging van onduidelijke kopies van cheques, zonder bewijs van afhaling van de rekening en bewijs van storting op de rekening van de Ieveranciers, reden waarom de invordering doorgevoerd wordt, cfr het ondertekende akkoord (stuk 8 eisende partij).
Tussen eisende partij, haar accountant en de hoofdcontroleur van verwerende partij, wordt uitvoerige briefwisseling gevoerd betreffende de voor te leggen bewijzen voor eventuele BTW-aftrek, stukken welke door eisende partij per 17 mei 1996 aan verwerende partij worden overgemaakt (stuk 23 eisende partij).
Verwerende partij meldt bij schrijven d.d. 30 april 1996 aan eisende partij, dat met een teruggave van … BEF rekening wordt gehouden, aftrek welke in mindering gebracht werd in de aangifte van de maand maart 1996.
Verwerende partij blijft aanspraak maken op het bedrag van … BEF BTW en … BEF intresten.
Dwangbevel werd betekend per 10 januari 1997 ter inning van het bedrag van … BEF BTW (samengesteld uit … BEF geldboete en … BEF intresten), alsmede een bedrag van … BEF verhoogde geldboete.
Van het bedrag van de verhoogde geldboete doet verwerende partij hangende de procedure afstand.
BEOORDELING
Op basis van de door partijen ontwikkelde argumenten en de voorgelegde stukken komt de rechtbank tot volgende besluiten.
Stelling van eisende partij is dat zij in november 1995 een bedrag van … BEF aan verwerende partij overmaakte en hiermee aan al haar BTW-verplichtingen had voldaan, zodat er geen reden was om haar intresten ten laste te leggen, dan wel bijkomende boetes.
In het slechtste geval kan volgens eisende partij gesteld worden dat het bedrag van … BEF, zijnde het verschil tussen de door haar ontvangen BTW en de betaalde BTW, laattijdig betaald werd zodat enkel hierop intresten en desgevallend een geldboete kan verschuldigd zijn.
Verwerende partij is de mening toegedaan dat in hoofdorde huidige procedure dient opgeschort te worden in afwachting van het resultaat van de strafzaak met notitienummer …,
Ondergeschikt, dat de vordering van eisende partij ontvankelijk is, doch als niet gegrond dient afgewezen te worden.
* Schorsing van de procedure.
Verwerende partij vordert dat huidige procedure wordt opgeschort, gelet op de verwevenheid met een strafzaak met notitienummer ….
Volgens verwerende partij zijn …, gewezen bestuurder van eisende partij, alsmede de huidige bestuurster van eisende partij, Mevrouw D. B., in deze zaak betrokken.
De betrokkenheid van huidige bestuurster van eisende partij, wordt door deze ten stelligste betwist, terwijl volgens eisende partij over de periode waarop huidig dispuut betrekking heeft, … geen bevoegdheid meer had binnen de vennootschap Personal Upgrade.
Verwerende partij brengt geen bewijs bij van de beweerde verwevenheid van huidige zaak met de strafzaak welke thans hangende zou zijn voor de correctionele Rechtbank te Antwerpen, zodat er geen reden is huidige procedure op te schorten tot er uitspraak is in de strafprocedure.
* Ten gronde
Door eisende partij werd, in strijd met de realiteit, voor het derde kwartaal 1995 een nihil aangifte aan verwerende partij overgemaakt.
Er kan geen betwisting over bestaan dat het hier een fout betreft in hoofde van eisende partij, dewelke dit trouwens met zoveel woorden toegeeft in besluiten : "dat de initiële fout in hoofde van concluante immers zeer snel werd rechtgezet doch verwerende partij bleef volharden in de weigering een en ander vrijwillig recht te zetten" (syntheseconclusie pag.5).
De reden welke hiervoor door eisende partij wordt ingeroepen; overmacht ingevolge explosieve groei en het afhaken van de boekhoudster nadat deze van verwerende partij afgeraden werd nog langer de belangen van eisende partij te behartigen, kan niet aangenomen worden.
Waar in haar schrijven d.d. 14 november 1995 melding maakt die voormiddag bij verwerende partij geweest te zijn, waar men zou hebben laten aanvoelen dat als zij voor eisende partij bleef werken, zij last zou krijgen in andere dossiers, dit alleszins niet als rechtvaardiging kan ingeroepen worden om een aangifte, welke per 20 oktober 1995 bij de BTW-administratie diende binnen te zijn, niet in te dienen.
Waar verwerende partij niet kon aannemen dat er in het derde kwartaal van 1995 geen omzet was bij eisende partij, deed zij terecht controle, wat resulteerde in de correctie opgave waarbij de afgevaardigde bestuurder van eisende partij erkent schuldig te zijn aan de Belgische Staat Administratie van de BTW Registratie en Domeinen, de som van … BEF als BTW, bedrag te vermeerderen met intresten vanaf 21 oktober 1995 en een verminderde geldboete van … BEF.
Dit bedrag aan verschuldigde BTW is gebaseerd op de in bewuste periode gerealiseerde verkoop.
De bewering dat dwang uitgeoefend werd om de ondertekening voor akkoord van deze correctieopgave te bekomen, wordt door niet het minste element bewezen.
Dit bedrag van BTW op verkoop kan eventueel verminderd worden met de BTW op de in deze periode gerealiseerde aankoop.
Ingevolge art.4, § 1 van KB 3, dient het recht op aftrok uitgeoefend als volgt : “De belastingplichtige oefent zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaal bedrag van de belastingen verschuldigd voor een aangifte tijdsvak, het totaal bedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan, en uitgeoefend kan worden krachtens art. 3."
Voor het derde kwartaal 1995 werd geen aftrekbare BTW opgenomen, zodat er geen recht op aftrek kan uitgeoefend worden.
Evenmin kan er betwisting over bestaan dat op ht ogenblik van controle, er geen sluitende administratie kon voorgelegd worden voor wat betreft de aftrekbare BTW, zodat niet tot compensatie kon overgegaan worden.
Waar compensatie aldus terecht later werd doorgevoerd. komt de vordering van eisende partij neer op een vraag tot kwijtschelding of vermindering van opgelegde boete en aangerekende intresten.
De boete en de intresten zijn echter verschuldigd ingevolge de vastgestelde, niet betwiste overtreding van het indienen bij de BTW van een nihil aangifte voor bewust kwartaal, hoewel er verkoop was voor een bedrag van … BEF waarop BTW aangerekend werd voor een bedrag van … BEF.
De afgevaardigd bestuurder van eisende partij verklaarde zich in de correctie opgave d.d. 24 november 1995 uitdrukkelijk akkoord met zowel het bedrag van de verschuldigde BTW als de hierop verschuldigde boete en de verschuldigde intresten, zodat de vordering van eisende partij als niet gegrond dient afgewezen te worden.
Afwijzing van het verzet tegen het dwangbevel houdt in zich dat de door eisende partij gevorderde schadevergoeding ''wegens tergend en roekeloos geding" eveneens ongegrond is.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle verdere en strijdige middelen verwerpend,
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel d.d. 16 september 1996, uitvoerbaar verklaard op 17 december 1996, ontvankelijk doch niet gegrond,
Wijst eisende partij ervan af, en veroordeelt haar tot de kosten van het geding, deze aan de zijde van verwerende partij door de rechtbank begroot op … EUR.
M. V. N. L. L.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.