Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 30.03.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertig maart tweeduizend en één in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
G. G., griffier.
Inzake : AR nr. 95/99957/A
D. I. NV, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer …, met BTWnummer BE …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
eisende partij,
verschijnende bij Meester R. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige-Ontvanger van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italielei 4 bus 4,
verwerende partij,
verschijnende bij Meester J. P., advocaat, loco Meester M. V. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, uitgesproken door het Vredegerecht van het Vierde Kanton te Antwerpen op 15 februari 1995, waarbij de zaak werd verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 maart 2001.
Gelet op het tegensprekelijk vonnis van het vredegerecht van het vierde kanton te Antwerpen van 15 februari 1995 waarbij de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd verzonden.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/836, uitgevaardigd op 5 februari 1993, nietig minstens ongegrond te horen verklaren, dienvolgens eiseres te horen ontslaan van de verschuldigdheid van de erin genoemde bedragen in hoofdsom, boete en intresten, verweerder zich bovendien te horen veroordelen tot teruggave van alle door eiseres ten onrechte betaalde bedragen, of bedragen die ten onrechte geheven, ingehouden of toegerekend zouden zijn op andere tegoeden van eiseres uit hoofde van ondermeer haar hoedanigheid als BTW-belastingplichtige en verweerder tevens te horen veroordelen tot de kosten van het geding.
Relevante feiten
Op 24 mei 1988 heeft eiseres, als handelaarster in personenwagens, vanuit de Verenigde Staten van Amerika een Chevrolet Cavalier ingevoerd.
Eiseres heeft de wegens de invoer verschuldigde BTW ten bedrage van 166.114 BEF volledig in aftrek gebracht.
Volgens eiseres wenste zij dit voertuig zo spoedig mogelijk verder te verkopen en had zij hiervoor reeds meerdere belangstellenden, doch ingevolge een aantal problemen bij de inschrijving van voornoemd voertuig in België en bij het bekomen van een gelijkvormigheidsattest, kon de verkoop slechts plaatsvinden op 17 november 1990.
Tussen de datum van invoer en de datum van verkoop werd met een handelaarsplaat van eiseres met het voertuig gereden.
Naar aanleiding van een BTW-controle op 13 november 1991 is volgens verweerder, onder andere uit de kilometerstand die op de hierna vermelde onderhoudsfacturen van het vocr1uig vermeld zijn, namelijk :
- factuur van 31 augustus 1989 : 25.059 km
- factuur van 26 april 1990 : 41. 916 km
- factuur van 17 mei 1990 : 443 72 km
gebleken dat het voertuig, vóór de verkoop ervan op 27 november 1990, door eiseres in gebruik werd genomen.
Volgens eiseres daarentegen werd met het voertuig uitsluitend gereden, hetzij met demonstratiedoeleinden, hetzij met het oog op het bekomen van een gelijkvormigheidsattest waarvoor een aanzienlijk aantal verplaatsingen dienden gemaakt te worden naar het keuringscentrum.
Het proces-verbaal van 14 april 1992 vermeldt dat, ingevolge het gebruik van het voertuig door eiseres, de aftrek van de BTW, bij invoer in geen geval hoger mocht zijn dan 50 % van de verschuldigde BTW, zodat eiseres volgens het dwangbevel van 5 februari 1993 dan ook de hierna vermelde bedragen verschuldigd was, namelijk :
- terug te storten BTW : 166.114 x 50 % = 83.057 BEF
- geldboete : 6.150 BEF
- intrest van 0,80 % per maand van rechtswege verschuldigd over de niet-tijdig betaalde BTW, te rekenen vanaf 21 januari 1991.
Na schuldvergelijking met een BTW-tegoed ten bedrage van 59.381 BEF, die werd toegerekend op de verschuldigde intresten voor een bedrag van 14.608 BEF, op de verschuldigde geldboeten voor een bedrag van 4.100 BEF en op de verschuldigde BTW voor een bedrag van 40.673 BEF, bleef eiseres aldus nog de volgende bedragen verschuldigd, namelijk :
- BTW : 42.384 BEF
- geldboete : 2.050 BEF
- intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW, vanaf 21 november 1992;
- moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving van het dwangbevel;
- vervolgingskosten.
Beoordeling
Betreffende de beperking van de aftrek tot 50 %
Krachtens artikel 45, § 2 van het Wetboek van BTW mag ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwervingen van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting.
Volgens het tweede lid van voornoemd artikel 45, § 2 is de beperking van 50 % echter niet van toepassing ten aanzien van voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht of verhuurd door een belastingplichtige die een specifieke economische activiteit uitoefent die bestaat in de verkoop of verhuur van automobielen.
De beperking van de aftrek tot 50 % is daarentegen wel van toepassing van zodra de belastingplichtige wiens specifieke economische activiteit bestaat in de verkoop of verhuur van automobielen, het voertuig krachtens artikel 12, § 1 van het Wetboek van BTW onttrekt, zelfs tijdelijk, ofwel voor zijn privé-doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel, ofwel om het te gebruiken als bedrijfsmiddel ten behoeve van zijn onderneming.
Her is bewezen dat tussen de datum van invoer op 24 mei 1988 en de datum van verkoop op 17 november 1990 met het voertuig minstens 19.313 km, zijnde het verschil tussen de kilometerstand van 44.372 km op de factuur van 17 mei 1990 en de kilometerstand van 25.059 km op de factuur van 31 augustus 1989, werd gereden, zodat het niet betwist kan worden dat het voertuig gedurende die periode in gebruik werd genomen.
Aangezien het bewezen is dat het voertuig in gebruik werd genomen, is het niet relevant dat het de bedoeling was om het voertuig zo spoedig mogelijk verder te verkopen, doch dat dit onmogelijk was ingevolge een aantal problemen bij de inschrijving in België en bij het bekomen van een gelijkvormigheidsattest.
Het loutere feit van de ingebruikneming volstaat immers, ongeacht de redenen waarom deze ingebruikname gebeurde.
Bovendien is het totaal ongeloofwaardig dat het voertuig, waarmede minstens 19.313 km werd gereden, uitsluitend werd gebruikt voor demonstratiedoeleinden en voor het bekomen van een gelijkvormigheidsattest.
Het recht op aftrek van BTW diende dan ook beperkt te worden tot 50 %, waarbij het niet relevant is dat eiseres het voertuig na verloop van tijd toch verkocht heeft.
Betreffende de schuldvergelijking
Nu het bewezen is dat het recht op aftrek van eiseres beperkt was tot 50 %, heeft de administratie terecht de schuldvergelijking doorgevoerd.
Betreffende de geldboete
De geldboete is ook bij goede trouw van eiseres verschuldigd, zodat het dan ook niet relevant is dat de betwisting stoelt op juridische gronden.
Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Conform artikel 92bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing, zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak.
alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze op heden door verweerder begroot op 12.000 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 6.450 BEF rechtsplegingsvergoeding.
G. G. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.