Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 16.03.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zestien maart twee duizend en één in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
G. G., griffier.
In zake : A.R. Nr. 91/65030/A
L. D. I. N.V., in vereffening,
ingeschreven in het handelsregister te Anttwerpen onder nummer …, met BTWnummer BE …, met maatschappelijke zetel te …, …;
- eisende partij,
- verschijnende bij Meester H. V. O., advocaat, loco Meester F. M., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
de Belgische Staat,
Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Hoofdcontroleur van de BTW te Antwerpen 10, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4, voorheen Rijnkaai 37,
- verwerende partij,
- verschijnende bij Meester J. P., advocaat, loco Meester M. V. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder C. S., loco gerechtsdeurwaarder P. G. te … op 15 oktober 1991;
- de beschikking gewezen conform artikel 747, § 2 Ger. W. van 3 november 2000, waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;
- de beschikking gewezen conform artikel 747, § 2 Ger. W. van 8 december 2000, waarbij de rechtsdag werd gewijzigd;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 16 februari 2001.
De vordering strekt ertoe, verweerder te horen veroordelen tot betaling van de som van … BEF, te vermeerderen met verwijlintresten vanaf 7 februari 1991 over … BEF, de gerechtelijke intresten over … BEF en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Eiseres was actief in de productie en distributie van lederen gebruiksvoorwerpen en maroquinerie waarbij de winkels, verspreid over het ganse land, gevestigd waren in gehuurde panden.
In de loop van 1990 en 1991 heeft eiseres diverse winkels gesloten en heeft de huurrechten overgedragen.
Naar aanleiding van een BTW-controle op 30 augustus 1990 werd aan eiseres detail gevraagd van de onroerende investeringen die in de winkels werden uitgevoerd, waarvan de huurrechten werden overgedragen.
Op 11 september 1990 heeft eiseres een correctieopgave voor akkoord ondertekend, waarbij ondermeer de aftrek van de BTW op de onroerende investeringen werd herzien in verband met de hierna volgende winkels, waarvan de huurrechten werden overgedragen, namelijk :
- winkel te Sint-Niklaas : … BEF
- winkel te Knokke : … BEF
TOTAAL : … BEF
Op 26 oktober 1990 schreef de raadsman van eiseres aan de BTW-Directie te Antwerpen ondermeer omtrent de problematiek van de herziening van de aftrek van de BTW op de onroerende investeringen. Volgens dit schrijven kon de aftrek van de BTW niet worden herzien.
Op 20 november 1990 meldde de BTW-Directie te Antwerpen dat dit verzoek aan een administratief onderzoek zou onderworpen worden.
In de BTW-aangifte voor de maand november 1990 heeft eiseres de herziening van de aftrek van BTW op de onroerende investeringen aangegeven in verband met de hierna vermelde winkels, waarvan de huurrechten eveneens werden overgedragen, namelijk :
- winkel te Mechelen: … BEF
- winkel te Turnhout : … BEF
TOTAAL : … BEF
Voornoemde BTW-aangifte werd ingediend op 19 december 1990, doch bij aangetekende brief van 18 december 1990 maakte eiseres uitdrukkelijk voorbehoud voor deze aangifte, die er enkel toe strekte om boeten en intresten te vermijden. Eiseres maakte hierbij tevens voorbehoud voor de vorige herzieningen.
Bij aangetekend schrijven van 7 februari 1991 heeft de raadsman van eiseres de teruggave gevorderd van ondermeer de herziening van de aftrek van BTW op de onroerende investeringen in verband met de winkels te Sint-Niklaas, Knokke, Mechelen en Turnhout teneinde de moratoire intresten te doen lopen.
Tot slot heeft eiseres in de BTW-aangifte voor de maand maart 1991 de herziening van de aftrek van BTW op de onroerende investeringen aangegeven in verband met de winkel te Brussel, waarvan het huurrecht eveneens werd overgedragen, namelijk : … BEF.
Deze BTW-aangifte werd ingediend op 18 april 1991, doch bij aangetekende brief van 17 april 1991 werd hiervoor ook uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt.
Bij schrijven van 2 augustus 1991 werd aan de raadsman van eiseres medegedeeld dat de Centrale Administratie van de BTW te Brussel had beslist dat de door eiseres afgetrokken BTW op de onroerende investeringen voor herziening vatbaar was, waarna eiseres tot dagvaarding is overgegaan.
De huidige betwisting heeft aldus betrekking op de vraag of de aftrek van BTW op de onroerende investeringen in de winkels, waarvan de huurrechten werden overgedragen, al dan niet dient herzien te worden.
Beoordeling
Betreffende de door eiseres voor akkoord ondertekende correctieopgave
De belastingwetten zijn van openbare orde, zodat geen akkoorden kunnen worden afgesloten over rechtskwesties.
De vraag of de aftrek van BTW op de onroerende investeringen in de winkels, waarvan de huurrechten werden overgedragen, al dan niet dient herzien te worden, is ontegensprekelijk een rechtskwestie, zodat hieromtrent geen akkoord kon worden gesloten.
Niettegenstaande eiseres de correctieopgave voor akkoord heeft ondertekend, kan zij hierop dan ook terugkomen.
Betreffende de herziening van de aftrek van BTW
De onroerende investeringen, die eiseres als huurster heeft laten uitvoeren, zijn omvormings- en verbeteringswerken en dienen bijgevolg als bedrijfsmiddelen te worden aanzien, zodat krachtens artikel 48 § 2 van het Wetboek van BTW en artikel 9 van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 de herziening van de aftrek van de BTW principieel mogelijk is.
Krachtens artikel 10, 4° van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 moet de aftrek van de BTW worden herzien indien het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan, tenzij wordt aangetoond dat :
- zulks het gevolg is van een levering als bedoeld in het Wetboek van BTW,
- het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd.
Vernietiging
Volgens eiseres zijn de overnemers van de huurrechten allen actief in een artikel dat volkomen vreemd is aan het artikel van eiseres, zodat zij de onroerende investeringen, die versleten zijn en bovendien logo's van eiseres bevatten, vernietigd hebben en vervangen door een totaal nieuwe infrastructuur. Bijgevolg zijn de bedrijfsmiddelen - volgens eiseres - vernietigd, zodat de aftrek van de BTW niet dient herzien te worden.
Uit artikel 10, 4° van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 blijkt zeer duidelijk dat er slechts vrijstelling is van de herziening, wanneer het bedrijfsmiddel ophoudt te bestaan in de onderneming ingevolge de vernietiging van het bedrijfsmiddel.
In casu hebben de bedrijfsmiddelen echter integendeel opgehouden te bestaan in de onderneming doordat eiseres de huurrechten van de winkels, waarin zij de onroerende investeringen heeft uitgevoerd, heeft overgedragen.
Bijgevolg is het bewezen dat de bedrijfsmiddelen geenszins hebben opgehouden te bestaan in de onderneming doordat zij werden vernietigd, zodat er geen vrijstelling is van de herziening van de aftrek van BTW.
Het is volkomen irrelevant dat de overnemers later, nadat de bedrijfsmiddelen door de overdracht van de huurrechten hebben opgehouden te bestaan in de onderneming van eiseres, deze bedrijfsmiddelen zouden vernietigd hebben.
Hetgeen met de bedrijfsmiddelen gebeurt, nadat zij hebben opgehouden te bestaan in de onderneming van eiseres, heeft dan ook niet de minste invloed op de herziening van de aftrek van BTW door eiseres.
Ook bij diefstal is er slechts vrijstelling van de herziening van de aftrek van BTW indien de bedrijfsmiddelen door de ontvreemding ophouden te bestaan in de onderneming.
Bijgevolg heeft de stelling van eiseres, dat zowel de diefstal als de vernietiging door de overnemers een actie is van een derde, dan ook geen enkel belang.
Voor de vrijstelling van de herziening van de aftrek van BTW is het enkel van belang dat de bedrijfsmiddelen zich op het ogenblik van de vernietiging of de ontvreemding nog in de onderneming bevonden, hetgeen in casu niet het geval is.
Levering als bedoeld in het Wetboek van BTW
Anderzijds moet zoals hoger vermeld de aftrek van BTW ook niet worden herzien indien het bedrijfsmiddel ophoudt te bestaan in de onderneming, wanneer zulks het gevolg is van een levering als bedoeld in het Wetboek van BTW.
De roerende voorwerpen, die blijvend aan een onroerend goed zijn verbonden (artikelen 524, laatste lid, en 525 B.W.), zijn goederen voor de toepassing van de BTW, maar volgen de regeling van het onroerend goed, waarmee ze zijn verbonden, wanneer ze samen daarmee worden verkocht. Zulke verkoop is dus een onroerende handeling die normaal genomen van de BTW is vrijgesteld.
Ingeval van afzonderlijke verkoop (d.w.z. afgescheiden van het onroerend goed) worden ze echter opnieuw roerende goederen uit hun aard en zijn dan, in beginsel, met BTW belastbaar.
Onroerende investeringen van een huurster zijn ontegensprekelijk roerende voorwerpen die blijvend aan een onroerend goed zijn verbonden.
Eiseres, die als huurster de onroerende investeringen heeft laten uitvoeren, bleef echter eigenares van deze omvormings- en verbeteringswerken tot op het einde van het huurcontract en kon deze werken dan ook, afgescheiden van het onroerend goed, verkopen of overdragen. Het recht van natrekking ten voordele van de eigenaar van het onroerend goed gaat immers slechts in op het einde van het huurcontract, voor zover de werken niet zijn verwijderd (Cass. 19 februari 1976, Arr. Cass. 1976, 721 ).
Met de overdracht van de huurrechten heeft eiseres de onroerende investeringen in de winkels overgedragen aan de overnemers van de huurrechten.
Bijgevolg is het dan ook bewezen dat deze bedrijfsmiddelen hebben opgehouden te bestaan in de onderneming van eiseres ingevolge leveringen aan de overnemers van de huurrechten, zodat krachtens artikel 10, 4° van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 de aftrek van de BTW op deze onroerende investeringen dan ook niet dient herzien te worden.
Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Conform artikel 92 bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing, zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar en gegrond.
Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van het bedrag van één miljoen vijfhonderd vierenvijftigduizend achthonderd drieënzestig Belgische Frank (… BEF), te vermeerderen met de verwijlintresten over … BEF vanaf 7 februari 1991 tot 15 oktober 1991 en met de gerechtelijke intresten over … BEF van dan af tot de datum der gehele betaling.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, deze op heden door eiseres begroot op … BEF dagvaardingskosten en … BEF rechtsplegingsvergoeding, en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … BEF dagvaardingskosten en … BEF rechtsplegingsvergoeding.
G. G. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.