Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 1 december 2000

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-antwerpen-2000-12-01-e1a4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
1 december 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

75 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 01.12.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op één december tweeduizend in openbare zitting van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

P. W., enig rechter,

G. G., griffier.

In zake : AR Nr. 94/91083/A

NV H. J. P. (in vereffening), ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met BTW-nummer BE …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, voorheen te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij Meester E. D. B. loco Meester V. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

verwerende partij,

verschijnende bij Meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

en inzake 98/6922/A :

NV H. J. P. (in vereffening), ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met BTW-nummer BE …, thans met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, voorheen te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij Meester E. D. B. loco Meester D. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

verwerende partij,

verschijnende bij Meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

inzake 94/91083/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. D. B. te … op 29 maart 1994;

- de besluiten van partijen;

inzake 98/6922/A

- het exploot van rechtsingang betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te … op 24 november 1998;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 3 november 2000.


Inzake AR 94/91083/A

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/1694, uitgevaardigd op 6 januari 1993, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 januari 1993, en op 25 januari 1993 aan eiseres betekend van nul en generlei waarde te horen verklaren, dienvolgens eiseres te horen ontslaan van de in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen en verweerder te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen, intresten in meer, welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, te vermeerderen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 van het Wetboek van BTW en de kosten van het geding.

Inzake AR 98/6922/A

De vordering strekt ertoe verweerder te zien en te horen veroordelen tot integrale teruggave van de geldboeten en intresten ten bedrage van … BEF welke door eiseres ten onrechte werden betaald, te vermeerderen met de moratoire intresten en de kosten van het geding.

Samenvoeging

Beide voornoemde zaken betreffen een geschil tussen dezelfde partijen en over dezelfde feiten waarbij gelijkaardige grieven worden opgeworpen en worden omwille van een goede rechtsbedeling dan ook samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

Relevante feiten

Uit een BTW-controle is gebleken dat eiseres haar maandelijkse, periodieke BTW-aangiften voor de maanden augustus 1990 tot en met januari 1992, zijnde in totaal 18 maanden, niet heeft ingediend.

Op 10 januari 1991, 10 april 1991, 24 juni 1991, 17 oktober 1991, 24 januari 1992 en 28 april 1992 werd eiseres bij aangetekende brieven herinnerd aan haar verplichtingen om deze aangiften in te dienen, doch deze herinneringsbrieven bleven zonder gevolg.

Bij aangetekend en gewoon schrijven van 8 mei 1992 werd eiseres in kennis gesteld dat op 27 mei 1992 bij haar een BTW-controle zou verricht worden teneinde aan de hand van de boeken en stukken die eiseres verplicht is te houden het bedrag van de opeisbare BTW vast te stellen voor de voornoemde periode van 1 augustus 1990 tot en met 31 januari 1992, doch op de dag van de aangekondigde controle werd niemand aangetroffen bij eiseres.

Aangezien gedurende 18 maanden geen BTW-aangiften werden ingediend en aangezien de boeken en stukken tijdens de aangekondigde controle niet ter inzage werden voorgelegd, werd voor deze 19 overtredingen een administratieve geldboete van … BEF per overtreding opgelegd, zijnde in totaal … BEF.

Op 15 juni 1992 werd eiseres uitgenodigd de verschuldigde bedragen te voldoen voor 15 juli 1992.

Bij gebreke aan betaling werd op 9 september 1992 een proces-verbaal opgesteld en werd op 6 januari 1993 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 25 januari 1993 samen met voornoemd proces-verbaal aan eiseres werd betekend, waarmede tevens bevel tot betaling werd gedaan.

Op 2 december 1993 werd door eiseres de administratieve geldboete ten bedrage van … BEF, de intresten ten bedrage van … BEF en de kosten ten bedrage van … BEF betaald.

Beoordeling

Inzake AR 94/91083/A

Nu eiseres - ingevolge het dwangbevel dat werd uitgevaardigd op 6 januari 1993 - de administratieve geldboete ten bedrage van … BEF, de intresten ten bedrage van … BEF en de kosten ten bedrage van … BEF op 2 december 1993 heeft betaald, kon zij de tenuitvoerlegging van het dwangbevel vanzelfsprekend niet meer stuiten zodat artikel 89 van het Wetboek van BTW dan ook niet van toepassing is.

Desgewenst kon eiseres in overeenstemming met artikel 90 van het Wetboek van BTW de teruggave vorderen.

Conform artikel 90, eerste lid wordt de vordering tot teruggave van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten ingesteld bij een exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat, meer bepaald aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.

Artikel 14, tweede lid van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde heeft voornoemde ambtenaar aangewezen, namelijk het hoofd van het controlekantoor waaronder de aanvrager ressorteert indien hij een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, of het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waar de aanvrager zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft, indien hij enig ander persoon is.

Eiseres heeft dan ook ten onrechte de Belgische Staat gedagvaard in de persoon van de Rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor zodat de vordering dan ook onontvankelijk is.

Inzake AR 98/6922/A

Het bestreden dwangbevel, dat op 6 januari 1993 werd uitgevaardigd, is onmiskenbaar een bestuurshandeling die onderworpen is aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

In tegenstelling met het uitoefenen van een gebonden bevoegdheid door de administratie waarbij de wet de inhoud of het voorwerp van de beslissing bepaalt die het bestuur moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn zodat de motieven slechts een ondergeschikte rol spelen, heeft de motivering vooral belang wanneer de administratie een discretionaire bevoegdheid uitoefent, dit is wanneer zij op grond van haar eigen appreciatie al dan niet kan optreden, of de keuze heeft van de maatregel die het meest geschikt voorkomt om het gestelde doel te bereiken.

Het bestreden dwangbevel heeft betrekking op administratieve geldboeten wegens het niet indienen van BTW-aangiften gedurende 18 maanden en wegens het niet ter inzage voorleggen van de boeken en stukken tijdens de aangekondigde controle waarvoor, conform artikel 70, § 4 van het Wetboek van BTW, per overtreding een boete van … BEF tot … BEF wordt vastgesteld.

Bijgevolg heeft de administratie de keuze tussen een boete van … BEF tot … BEF per overtreding zodat zij bij het bepalen van de hoegrootheid van deze boete onmiskenbaar een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van het dwangbevel dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.

Het dwangbevel beantwoordt aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wanneer het door zijn inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan eiseres kenbaar werden gemaakt teneinde haar toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

De motiveringsverplichting heeft aldus tot doel de bestuurder alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten. Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de bestuurder een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen.

Uit het proces-verbaal van 9 september 1992, dat gevoegd werd aan het dwangbevel van 6 januari 1993 dat op 25 januari 1993 samen met voornoemd proces-verbaal aan eiseres werd betekend, blijkt zeer duidelijk dat eiseres continu, gedurende 18 maanden, heeft nagelaten BTW-aangiften in te dienen en bovendien niet de minste medewerking heeft verleend :

- door, ondanks 6 aangetekende brieven om haar te herinneren aan haar verplichtingen, hieraan niet het minste gevolg te hebben gegeven en

- door, ondanks de aangekondigde controle, haar boeken en stukken niet ter inzage te hebben voorgelegd,

zodat het ontegensprekelijk vaststaat dat eiseres kennis had van de redenen die de administratie ertoe hebben aangezet om tegen haar dit dwangbevel uit te vaardigen en zij hieruit dan ook kon afleiden waarom deze boeten niet werden verminderd en de maximum boeten werden gevorderd zodat dit dwangbevel haar dan ook een inzicht verschafte in de motieven hiervan en zij dan ook terdege kon oordelen of het zin had zich hiertegen te verzetten.

Bijgevolg bevat dit proces-verbaal een duidelijke, volledige en gedetailleerde motivering van de beslissing tot toepassing van de maximum boete zodat het bestreden dwangbevel dan ook op afdoende wijze werd gemotiveerd conform artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen en conform de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Conform artikel 92bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie, de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de beide zaken, gekend onder AR 94/91083/A en AR 98/6922/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vordering inzake AR 94/91083/A onontvankelijk.

Verklaart de vordering inzake AR 98/6922/A ontvankelijk, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van verweerder begroot op … BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … BEF rechtsplegingsvergoeding.

G. G. P. W.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 4 art. 141 voorkomen