---
title: "Vervolging, geding · Hof van beroep te Gent, 31 mei 2011"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Hof van beroep te Gent (België), 31 mei 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2011-05-31-3ba0"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

31 mei 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

71 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 31.05.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer - terechtzitting van 31-05-2011**

## BELASTINGEN

Nr. **2001/AR/1430**

in de zaak van :

**L. M.**, wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. F.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, sector BTW, in de persoon van de Ontvanger van de BTW te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **N. F.** loco mr. **V. D. P. J.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure

Bij verzoekschrift van 19 juni 2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 19 maart 2001 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant in beperkte mate gegrond verklaard; in het bijzonder werd gezegd voor recht *dat de overeenkomstig het proces-verbaal de dato 30.03.1992 en het dwangbevel de dato 7.04.1992 verschuldigde BTW dient te worden herleid tot 829. 622 BF en dat de geldboete wordt bepaald op 165.000 BF.*

De eerste rechter beval de terugbetaling van het eventueel teveel ontvangen bedrag, verhoogd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW. De partijen werden elk tot de helft van de gerechtskosten veroordeeld.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het Hof de oorspronkelijke vordering van de appellant (volledig) gegrond zou verklaren en de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding van 2.500,00 euro.

Subsidiair vraagt de appellant dat het Hof, alvorens ten gronde te oordelen, de geïntimeerde zou veroordelen *tot mededeling - na doorhaling van de identiteit der belanghebbenden - van de door hem ingeroepen 66 overeenkomsten, en zulks binnen de maand na de betekening van het tussen te komen arrest, op straf van een dwangsom van 1.000 euro per maand vertraging*.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

## 2. De feitelijke gegevens

Op 20 april 1990 hebben de heren **G. D. S.** en **H. M.**, ambtenaren van de eerste controle van de Opsporings- en documentatiediensten van de BTW te Brussel een proces-verbaal opgesteld met betrekking tot vaststellingen die zij gedaan hadden bij de NV **P.**, een koffiebranderij in Brussel. Daaruit blijkt dat dit bedrijf twee soorten facturen opstelde. Aan de ene kant reikte zij facturen uit met vermelding van het BTW-nummer van de klant; aan de andere kant reikte ze facturen uit waarop in plaats van het BTW­nummer het cijfer "O" werd geplaatst (zogenaamde nulfacturen). Uit hetzelfde proces-verbaal blijkt dat de NV **K. P.** aanvankelijk voorhield dat de nulfacturen betrekking hadden op particuliere kopers, maar dat de verbalisanten tot de ontdekking kwamen dat in meerdere gevallen de nulfacturen geadresseerd waren aan belastingplichtigen. In het bijzonder werd vastgesteld dat er facturen waren die op naam van de handelsbenaming van de appellant, namelijk "**P.**" met vermelding van zijn BTW-nummer waren uitgereikt en daarnaast "nulfacturen" die op de persoonlijke naam van de appellant stonden. Voor de periode van 19 januari 1987 tot 29 december 1988 werden op naam van de appellant in het totaal 91 dergelijke nulfacturen (stuk 79 geïnd.) aangetroffen : 44 uit 1987 voor een bedrag van 165.099 frank (4.092,70 euro) BTW en 47 uit 1988 voor een bedrag van 185.104 frank (4.588,61 euro) BTW.

Op basis van dat proces-verbaal werd door de heer **W. G.** bij de appellant zelf een onderzoek gevoerd, waarbij de appellant werd ondervraagd ten einde zijn standpunt omtrent de nulfacturen te kennen, de. winstmarge op de door hem bij de NV **P.** aangekochte producten te vernemen en zijn boekhouding te controleren.

Dat mondde uit in het proces-verbaal van 30 maart 1992 waarin de vaststellingen werden weergegeven met als conclusie dat de boekhouding van de appellant niet bewijskrachtig was en dat voor de jaren 1987 en 1988 een meeromzet van 5.132.533 frank (127.232,17 euro) moest in aanmerking genomen worden waarop een bedrag van 872.531 frank (21.629,48 euro) BTW verschuldigd werd verklaard. Naast dit bedrag werd ook een verminderde proportionele boete van 174.000 frank (4.313,35 euro) aangerekend, met dien verstande dat die boete overeenkomstig [artikel 2 van KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) met de helft zou vermeerderen in geval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel.

Op 7 april 1992 werd op basis van dat proces-verbaal tegen de appellant voor de daarin vermelde bedragen, meer de interesten en vervolgingskosten een dwangbevel opgemaakt dat op 10 april 1992 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard. Het dwangbevel werd per aangetekende brief van 15 april 1992 aan de appellant ter kennis gebracht.

Met een dagvaarding van 20 oktober 1992 stelde de appellant zijn vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Hij deed verzet tegen het dwangbevel en vroeg om het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft, zoals hoger al vermeld, in zijn vonnis van 19 maart 2001 de vordering van de appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. In het bijzonder werd enerzijds rekening gehouden met een materiële vergissing bij de berekening in het proces-verbaal van 30 maart 1992 en werd anderzijds de verhoging van de boete met 50 % ongedaan gemaakt.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. Betwistingen tussen de partijen

3.1. De appellant voert aan dat hij op 14 januari 2008 een bevel tot betaling kreeg voor een bedrag van 1.668.257,18 euro, meer interest en kosten, terwijl elk redelijk mens zou moeten beseffen dat een kleine horecazaak geen dergelijke winsten kan opbrengen. De enige verklaring zou zijn dat er fouten bij de berekening werden gemaakt.

### Beoordeling

De vordering waarover het Hof in deze zaak moet oordelen omvat de cijfers uit het dwangbevel van 7 april 1992, zoals hoger vermeld. Het bevel tot betaling waarover de appellant spreekt, blijkt een dwangbevel te zijn dat is uitgevaardigd ter inning van aanslagen in de directe belastingen. Het gaat niet over BTW.

De opmerking van de appellant met betrekking tot het dwangbevel van 14 januari 2008, heeft dan ook niets met de huidige betwisting te maken.

3.2. De appellant voert ten gronde aan dat hij niets te zien heeft met de zwarte verkoop die bij de NV **P.** kennelijk plaats vond. Mocht hij koffie in het zwart hebben willen kopen, zo voert hij aan, dan kon hij dat bij zijn buurman die koffiebrander was. Hij stelt dat hij zijn aankopen uitsluitend deed bij een zekere **J.-C. V. K.** en dus nooit bij de NV **P.** zelf. De appellant houdt voor dat de heer **V. K.** - buiten het weten van de appellant - verkopen die hij aan anderen deed noteerde op bestelbonnen waarop de naam van de appellant werd genoteerd waarna de NV **P.** nulfacturen op zijn naam opmaakte. Hij stelt dat hij die facturen niet kon kennen omdat hij ze nooit te zien kreeg vermits uit de controle gebleken is dat de nulfacturen beantwoordden aan leveringen waarvoor steeds contant betaald werd en die door de NV **P.** niet werden opgestuurd naar de klant. Hij stelt dat hij de facturen dan ook nooit kon protesteren.

De heer **V. K.** zou een eigen handel (aan particulieren) in koffie hebben gevoerd, die hij gecamoufleerd zou hebben via de bestelbonnen op naam van belastingplichtige klanten waarvoor hij een nulfactuur liet opmaken. In dat verband verwijst de appellant naar de verklaring die een zekere **A. V. M.** ondertekende, gedateerd op 3 januari 2009. Er zouden nog tal van andere particulieren zijn die bij **V. K.** koffie afnamen,: maar die niet bereid zouden zijn een verklaring af te leggen.

De appellant beroept er zich op dat een andere klant van de heer **V. K.**, de heer **S.** uit Oostende, ook in hetzelfde geval was. Hij verwijst naar de verklaring van de heer **V. K.** die als getuige in de betwisting omtrent de BTW-schuld van de heer **S.** aan de rechtbank onder ede verklaarde dat hij aan die klant nooit koffie in het zwart heeft verkocht. De eerste rechter zou ten onrechte met die verklaring geen rekening hebben gehouden, maar toch nagelaten hebben - in strijd met artikel 29 W.Sv. - om het misdrijf van meineed mee te delen aan de Procureur des Konings. De eerste rechter zou daarop geen relevant antwoord hebben gegeven.

Tegen die achtergrond zou het feit dat 66 van de 68 klanten van de NV **P.** op wier naam nulfacturen werden aangetroffen een dading sloten met de BTW-administratie, geen argument zijn. Bovendien zou het sluiten van een dading niet inhouden dat de belastingplichtige schuld bekent, vermits hij kan kiezen voor de korte pijn. Bovendien zou het niet volstaan dat de geïntimeerde beweert dat er 66 dadingen waren zonder ze voor te leggen, al is het met schrapping van de namen van de belastingplichtigen. Zo nodig zou het Hof de voorlegging van die dadingen moeten bevelen.

Hoe dan ook zou uit de vaststelling dat 66 op 68 klanten de fraude bekenden, nog niet het bewijs voortvloeien dat die andere 2 ook fraudeurs waren.

## 4. Beoordeling

De appellant bevestigt dat hij beleverd werd door de heer **V. K.**, die ook in de verklaring van **Y. D.**, directeur van de NV **P.**, wordt aangeduid als de vertegenwoordiger van de NV **P.** aan de kust (stuk 2 app.). De appellant preciseert dat de heer **V. K.** reed van de ene horecaonderneming naar de andere, de bestelling opnam en onmiddellijk de koffie leverde, waarna hij voor elke levering een bestelbon stuurde aan **P.**. In het getuigenverhoor gehouden door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge in een andere gelijkaardige zaak (stuk 3 app.) verklaarde de heer **V. K.** onder meer dat hij "zwarte verkopen" deed volgens het systeem van de nulfacturen (maar niet aan de heer **S.**, partij in de zaak waarin hij als getuige was gehoord). Hij bevestigde in dezelfde verklaring dat hij beschikte over een lijst met klantennummers die twee reeksen nummers bevatte, de officiële nummers en de zwarte nummers. De zwarte leveringen noteerde hij op een kladblaadje dat hij afgaf op de firma.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek werd de verklaring genoteerd van de heer **D.**, directeur van de NV **P.** (stuk 2 app.), die verklaarde dat de facturatie werd gedaan door twee à drie bedienden die zich hiervoor steunden op de gegevens verschaft door de heer **V. K.**. Dit wordt bevestigd door mevrouw **R.** die in de zaak **S.** eveneens als getuige werd gehoord (stuk 3 app.). Zij stelde dat zij als bediende werkte in de boekhouding bij de NV **P.** en de facturatie gebeurde op basis van de gegevens die hun werden verstrekt door de heer **V. K.**. Zij legde uit dat zij van de heer **V. K.** een klantennummer kreeg met het aantal geleverde goederen, dat op basis van deze gegevens een factuur op naam werd opgesteld en dat bij het intikken van het nummer in de computer naam en adres van de klanten eruit kwamen.

Er bestaat geen betwisting over .het feit dat de nulfacturen niet werden opgestuurd aan de klanten maar door de NV **P.** bijgehouden werden.

De bovenstaande gegevens vormen een afdoende geheel van vaste feiten waaruit met vermoedens wordt aangetoond dat de appellant wel degelijk de leveringen in het zwart afnam die blijken uit de door de geïntimeerde voorgelegde nulfacturen op naam van de appellant.

De bewering van de appellant dat hij gemakkelijk koffie in het zwart kon aankopen bij zijn buurman (een koffiezaak) doet daaraan geen afbreuk.

In het licht van het hoger uiteengezet systeem van zwarte leveringen is het verder logisch dat de nulfacturen niet aan de appellant werden opgestuurd. Gezien het systeem van onmiddellijke levering en betaling via de heer **V. K.**, en gezien het ging om leveringen in het zwart waarbij discretie aan de orde is, was het niet zinvol de nulfacturen aan de afnemer op te sturen terwijl leveringen in het zwart toch ook redelijkerwijze niet officieel kunnen geprotesteerd worden. Zo dan toch nulfacturen werden opgesteld en bewaard door de NV **P.** is dit maar voor de noden van de boekhouding van dit bedrijf, opdat ze zou weten wat ze geleverd heeft, en ook zou kunnen uitmaken wat in het zwart en officieel geleverd werd. Nazicht van de voorgelegde nulfacturen op naam van de appellant leert dat zij telkens gedetailleerd vermelden welke producten werden geleverd, voor welke hoeveelheid en aan welke prijs, terwijl ook moet vastgesteld worden dat het om een niet onbelangrijke hoeveelheid facturen gaat (44 voor het boekjaar 1987 en 47 voor het boekjaar 1988). Dit toont aan dat de boekhouding van de zwarte leveringen accuraat werd bijgehouden, wat ook logisch is nu het voor de leverancier toch van belang is juist te weten wat hij (ook) levert via het zwarte circuit. Ten andere moet ook voor ogen gehouden worden dat wanneer koffie van de NV **P.** door de heer **V. K.** werd verkocht, ook bij zwarte verkopen door de NV **P.** zal verwacht worden dat daartegenover een betaling voor haar stond, die zij .dan toch overeenstemmend zal willen zien met de gegevens verschaft door de heer **V. K.** op grond waarvan de nulfacturen werden opgemaakt.

De appellant houdt voor dat de heer **V. K.** niet betrouwbaar zou zijn. Het feit dat de heer **V. K.** bij zijn getuigenverhoor in de zaak **S.** heeft verklaard dat hij nooit zwarte verkopen zou hebben gedaan aan **S.** (maar aan anderen wel), dat hij veronderstelt dat een vergissing zou zijn begaan bij de NV **P.** die de verkeerde naam zou verbonden hebben aan een klantennummer, en de eerste rechter dit als weinig geloofwaardig bestempelt, is hier niet dienend. Het gaat om loutere veronderstellingen van de heer **V. K.**, die de rechter mocht verwerpen als weinig geloofwaardig. Hij is immers niet gebonden door de verklaringen van de getuigen, zelfs onder eed afgelegd, en de beoordeling van de bewijswaarde van een zelfs onder eed afgelegde verklaring is aan de appreciatie van de rechter onderworpen. De argumentatie die de appellant put uit het feit dat de rechter in de zaak **S.** geen mededeling deed van het misdrijf van meineed aan de Procureur des Konings in toepassing van artikel 29 W.Sv. is dan ook ongegrond, en zou er trouwens toe leiden dat de rechter maar een getuigenverklaring onder eed zonder bewijswaarde zou kunnen achten indien hij ook een ambtelijke aangifte doet wegens meineed, wat strijdig is met zijn appreciatiebevoegdheid omtrent de bewijswaarde van de getuigenverklaring.

Dat de heer **V. K.** een eigen koffiehandel zou gevoerd hebben en daarom bij de NV **P.** onjuiste bonnetjes zou hebben ingediend, is opnieuw een niet bewezen bewering van de appellant. De door de appellant voorgelegde verklaring van **A. V. M.** (stuk 5 app.) is nietszeggend : hieruit is niet af te leiden dat de heer **V. K.** koffie verkocht voor eigen rekening of uit een eigen handel, terwijl ook op een andere wijze van dergelijke bewering geen bewijs wordt verschaft.

Het is daarenboven onwaarschijnlijk dat de heer **V. K.** in werkelijkheid de grote hoeveelheden koffie en andere aanverwante producten (hoofdzakelijk thee) aan een tempo dat uit de nulfacturen blijkt, zou verkocht hebben aan particulieren. Zelfs als zou aangenomen worden dat de heer **V. K.** koffie verkocht aan de heer **V. M.** en aan andere particuliere kennissen, dan kan dit nooit de grote omvang verantwoorden van de in de betreffende nulfacturen opgenomen omzet.

Gelet op hetgeen voorafgaat moet de geïntimeerde niet het bevel worden opgelegd tot mededeling van de dadingen met andere afnemers van de NV **P.**. Dit zou ook niet van aard zijn om concreet te bewijzen dat de appellant ook afnames in het zwart deed, wat daarentegen wel blijkt uit wat hoger werd uiteengezet.

De eerste rechter moet dan ook in zijn oordeel worden bijgetreden.

## 5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.200,00 euro toepasselijk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant : nihil

\- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 2.200,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **EENENDERTIG MEI TWEEDUIZEND EN ELF**.

Aanwezig de·Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
