---
title: "Vervolging, geding · Hof van beroep te Gent, 15 maart 2005"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete. Hof van beroep te Gent (België), 15 maart 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2005-03-15-dabe"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

15 maart 2005

## Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 1 maand

1. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Gent 15.03.2005
2. [Beslissing in cassatie Hof van Cassatie van België 24.04.2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/termijnen-betalingstermijn-ontvanger-toegestane-cassatie-brussel-2008-04-24-0a4d)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

51 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 15.03.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent - 5de kamer**

**Nr. 2002/AR/848**

in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoor gevestigd is te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. C.**, advocaat te …, …

tegen :

**G. C.**,

wonende te …, …,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. F.**, advocaat te …, … en te …, …,

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij aangetekende brief van 3.8.1999 werd aan de geïntimeerde kennis gegeven van het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **A. B.**, eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur en rekenplichtige van het 1e Btw-ontvangkantoor van Kortrijk op 28.7.1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3.8.1999 door **M. B.**, e.a. inspecteur a.i. aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge. In dit dwangbevel werd als schuld van de geïntimeerde tegenover de appellant opgenomen een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW, een geldboete krachtens [artikel 70 § 1 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) van … BEF (… EUR), de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.4.1998, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ingevolge [artikel 91 § 4 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten.

Bij aangetekende brief van 6.8.1999 werd aan de geïntimeerde kennis gegeven van het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **R. B.**, wd. eerstaanwezend inspecteur van het 1e Btw-ontvangkantoor van Kortrijk op 4.8.1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5.8.1999 door **M. B.**, e.a. inspecteur a.i. aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge. In dit dwangbevel werd als schuld van de geïntimeerde tegenover de appellant opgenomen een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW, een intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.12.1998, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ingevolge [artikel 91 § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten.

Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 28.9.1999 vorderde de geïntimeerde dat zou gezegd worden voor recht dat de in het dwangbevel opgenomen boetes tot nul worden herleid en dat geen intresten verschuldigd zijn, en dat de geïntimeerde zou gemachtigd worden de Btw-schuld afte betalen aan … BEF (… EUR) per maand.

Bij vonnis van 18.12.2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De boete en intresten werden noch kwijtgescholden noch herleid. De rechtbank machtigde de geïntimeerde om de Btw-schuld jegens de appellant af te betalen a rato van … EUR per maand, ten laatste tegen de vijfde dag van elke maand tot volledige aanzuivering van de schuld, verstaan zijnde dat deze machtiging tot afbetaling vervalt zodra de geïntimeerde één maal minstens één volle maand vertraging oploopt bij de afbetaling, in welk geval het de appellant toegelaten wordt het volledig saldo in één keer te vorderen.

Elk van de partijen werd verwezen in de eigen gerechtskosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 12.4.2002 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermeld vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend.

De appellant streeft met zijn hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis na en het afwijzen van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als onontvankelijk minstens ongegrond.

De geïntimeerde van haar kant vordert dat het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond zou worden verklaard. De geïntimeerde reikt geen middelen van onontvankelijkheid aan en ambtshalve aan te voeren middelen daartoe worden door het Hof niet ontwaard. Het hoger beroep is ontvankelijk.

2\. De appellant laat gelden dat de rechtbanken te dezen geen rechtsmacht hebben om een afbetalingsplan toe te staan.

Artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB dd. 17.7.1991) bepaalt :

> *"Elke rekenplichtige is aansprakelijk voor de invordering van de kapitalen, inkomsten, rechten en belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.*
>
> *Alvorens decharge te verkrijgen voor de niet-ingevorderde posten, moet hij doen vaststellen dat de niet-invordering geenszins aan zijn nalatigheid te wijten is en dat hij te bekwamer tijd alle nodige maatregelen getroffen en de nodige ven1olgingen ingesteld heeft".*

Deze bepaling houdt impliciet in dat het de ontvanger is die, op zijn eigen verantwoordelijkheid, de macht bezit om eventueel uitstel van betaling te verlenen, en houdt tevens in dat de toepassing door de rechtbanken van de artikelen 1244 Burg. W., 1333 Ger.W.(dat enkel van toepassing is *"in de gevallen waarin de rechtbanken uitstel kunnen verlenen voor het tenuitvoerleggen van hun beslissingen"*) en 1334 Ger. W. (dat naar artikel 1244 Burg. W. verwijst) hiermee onverzoenbaar en niet mogelijk is (vergelijk o.m. met Dirix, E en Broeckx, K., Beslag, APR, Antwerpen, Story-scientia, 2001, nr. 76 p. 47 onderaan en de aldaar aangehaalde rechterlijke beslissingen, allen daterend van vóór de wetten van 15.3.1999 en 23.3.1999; met Dassesse, M. en Minne, P., *Droit Fiscal - Principes généraux et impóts sur les revenus* ", Brussel, Bruylant, 2e uitg. - 1991, p. 189; met Van Gerven, W., *Verbintenissenrecht*, Leuven, Acco, derde uitgave, deel II, p.120 onderaan; zie ook noot 4 onder Cass. 13.1.1972, Pas. 1972, I, p. 470).

Krachtens artikel 569 eerste lid, 32° Ger.W. zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23.3.1999, neemt de rechtbank van eerste aanleg echter kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Tot deze geschillen behoren onder meer *" ... het (niet-)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 1O W 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit)... "* (zie uitdrukkelijk de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen en bij het wetsontwerp betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, Parl. Besch. Kamer, Zitting 1997-1998, 1341/1 en 1342/1, bespreking van artikel 4, p. 35).

Te dezen benaarstigt de appellant de inning van de BTW, geldboete, intresten en kosten, zonder enig uitstel van betaling, door middel van dwangbevel. Wanneer de geïntimeerde verzoekt om uitstel van betaling dan bestrijdt zij de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel en de impliciete weigering van de appellant om uitstel van betaling toe te staan, en is er sprake van een fiscaal geschil in de zin van artikel 569 eerste lid, 32° Ger.W.

Krachtens deze laatste wettelijke bepaling had de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dan ook rechtsmacht en bevoegdheid om uitstel van betaling te verlenen (en ingevolge het hoger beroep ook dit Hof).

Gezien hiervoor te dezen geen georganiseerd administratief beroep bestaat, mocht de geïntimeerde zich rechtstreeks tot de rechtbank wenden.

Tevergeefs voert de appellant aan dat [artikel 53 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), bepaling van openbare orde, de termijnen bepaalt binnen welke de BTW moet worden betaald en dat geen enkele wettelijke bepaling aan de ontvanger (en ook niet aan de rechter) de bevoegdheid geeft om hiervan af te wijken. Het gevraagde uitstel van betaling heeft te dezen geen betrekking op de termijn binnen welke de belasting moet worden betaald (deze is immers verstreken), maar wel op de modaliteiten volgens welke de niet-tijdig betaalde belasting geïnd wordt. Over deze modaliteiten beslist in de eerste plaats de ontvanger krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB dd. 17.7.1991), vervolgens de rechtbank krachtens artikel 569 eerste lid, 32° Ger.W. Deze bepalingen wijken niet af van [artikel 53 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53).

Evenmin druist het verlenen van uitstel van betaling in tegen het beginsel van de scheiding der machten, gezien de macht tot het verlenen van uitstel van betaling door een wet werd toegekend, meer bepaald door artikel 569 eerste lid, 32° Ger.W. De wetgever, die eerst aan de ontvanger de uitsluitende bevoegdheid tot het verlenen van uitstel van betaling - zij het impliciet - toegekend had (artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB dd. 17.7.1991)), vermocht de rechterlijke macht rechtsmacht te verlenen om uitstel van betaling te beoordelen.

Bij de beoordeling van de vraag of al dan niet uitstel van betaling moet worden verleend, en zo ja in welke mate, dient in billijkheid te worden beslist (vergelijk, doch in verband met artikel 1244 Burg. W., met de noot 1 en 2 getekend F.D. onder Cass. 13.9.1977, Pas. 1977, I, 41; met Dumon, F., *Billijkheid en recht*, RW 1957-58, kol. 1477 e.v. meer bepaald kol. 1490 cijfer 5°; zie ook Laurent, F., *Principes de Droit Civil*, Tome XVII, Brussel, Bruylant, 1878, nr. 570, pp. 558 e.v. die uiteenzet dat de wetgever van 1804 met artikel 1244 Burg. W. uitstel van betaling mogelijk heeft willen maken en van de wet van het contract heeft willen afwijken louter om humanitaire redenen, ondanks de negatieve ervaringen met de toepassing van uitstel van betaling van overheidswege tijdens het Ancien Regime).

De rechter heeft op oordeelkundige wijze uitstel van betaling verleend.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellant: op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer bis**, op **VIJFTIEN MAART TWEEDUIZEND EN VIJF**.

Aanwezig de Heren :

**G. T.**, Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.**

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 2 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, Nieuw gebouw, Werken in onroerende staat, Bouwwerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuw-gebouw-werken-rechtbank-brussel-2023-05-31-57ac) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldboeten, Vermindering van de geldboeten bij wijze van gunst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldboeten-vermindering-wijze-gunst-uitstel-hof-van-beroep-luik-2021-10-26-7d90) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Interest, Systeem van verrekening, Tarief interest](https://juriel.be/nl/rechtspraak/interest-systeem-verrekening-tarief-strijdigheid-cassatie-brussel-2023-03-24-9b56) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vestiging recht van erfpacht, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vestiging-recht-erfpacht-aftrek-herziening-hof-van-beroep-antwerpen-2019-06-04-fe32) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hof van beroep te Brussel, 21 mei 2026, 2016/AF/48](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boot-hof-van-beroep-brussel-2026-05-21-0abb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-aangegeven omzetcijfer, Verwerping van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzetcijfer-verwerping-aftrek-regularisatie-rechtbank-brussel-2024-04-08-3662) 3 gemeenschappelijke bepalingen
