Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.09.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 5e Kamer
Nr. 1997/AR/452 - In de zaak van :
G. BV, besloten vennootschap naar Nederlands recht, rechtsopvolger van …, bouwondernemer. wonende te …, … …, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Delft – Nederland, onder het nummer …, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te … (NL), …,
appellante van een vonnis van de REA te Brugge, 5e Kamer, d.d. 2.12.1996,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. B., .advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van de BTW te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te Vincke-Dujardinstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. C., advocaat te …, …,
en nr.1998/AR/807 - In de zaak van :
…, gepensioneerde, wonende te …, … Nederland, en
appellant van een vonnis van d,:,, REA te Brugge, 5e Kamer, d.d. 2.12.1996,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. C. B., voornoemd,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, voornoemd,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. C., voornoemd,
en nr.1998/AR/808 - In de zaak van :
…, aannemer, wonende te Nederland, …, …
appellant van een vonnis van de REA te Brugge, 5e Kamer, d.d. 2.12.1996,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. C. B., voornoemd,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, voornoemd,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. C., voornoemd,
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Gezien het tussenarrest van 7 januari 2002 waarbij de samenvoeging werd bevolen van de zaken 1997/AR/452, 1998/AR/807 en 1998/AFR/808 en waarbij ambtshalve de debatten werden heropend teneinde te beschikken over de historiek van de onderscheiden domicilies van …, vanaf 1 januari 1988 in België en Nederland, inzage te verkrijgen van de stukken ter staving van de beweerde rechtsopvolging door de BV G. van de in België stopgezette activiteiten van … waarbij partijen uitgenodigd werden standpunt in te nemen nopens de vraag welke procespartij in eerste aanleg de verzetsprocedure heeft gevoerd.
De hogere beroepen strekken er nog steeds toe het bestreden vonnis van 2 december 1996 teniet te doen en de oorspronkelijke vordering zoals hernomen ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het dwangbevel Reg. … uitgevaardigd op 5 augustus 1993 van nul en generlei waarde te verklaren en G. BV, en … te ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar/hem gevorderde sommen en derhalve de geïntimeerde te doen veroordelen, naast de betaling van de kosten, tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd en dit met vermeerdering van de moratoire intresten overeenkomstig art. 91 W.BTW.
De geïntimeerde vraagt de hogere beroepen als niet ontvankelijk af te wijzen, minstens als ongegrond en de appellanten te veroordelen in de kosten.
De appellanten menen dat hun beroepen minstens ten dele ontvankelijk zijn. Zij argumenteren voor het eerst voor het Hof dat er een persoonsverwisseling is gebeurd in die zin dat het aangevochten dwangbevel moet vernietigd worden omdat vader geen schuldenaar kan zijn van de BTW die slechts invorderbaar kan zijn van zijn zoon …, die als enige aannemingsactiviteiten uitoefende in België en dat nu het dwangbevel aan de vader werd betekend de vordering in het dwangbevel ten overstaan van de zoon ondertussen verjaard is.
Ten gronde laten de appellanten gelden dat het recht op teruggaaf niet kan geweigerd worden vanwege het louter niet voldaan zijn van een vormvereiste.
Wat de relevante gegevens betreft wordt in hoofdzaak verwezen naar het tussenarrest. Er weze enkel herhaald dat het gaat om BTW-inbreuken m.b.t. de periode van 1 januari 1989 tot 31 december 1991, datum van de stopzetting van de activiteiten ten name van …, kleinhandelaar in serres en bijhorigheden, destijds gevestigd te …, … (thans woonachtig te …, Nederland, met BTW-nummer…).
1. Nopens het hoger beroep ingesteld door …, gepensioneerde, wonende te Nederland, … en …, …, … (1998/AR/807).
De geïntimeerde besluit tot de onontvankelijkheid van dit hoger beroep wegens laattijdigheid.
Teneinde de ontvankelijkheid te beoordelen dient nagegaan te worden op wie het bestreden vonnis betrekking heeft hetzij op vader …, dan wel op de zoon …. Zoals hiervoor vermeld houden de appellanten voor het eerst in hoger beroep staande dat het vonnis eigenlijk betrekking heeft op de vader …, die echter geen schuldenaar van de BTW kan zijn omdat de BTW slechts invorderbaar is op de zoon, die als enige aannemingsactiviteiten in België uitvoerde. Het dwangbevel zou volgens de appellanten aan de vader betekend zijn zodat de vordering op de zoon waarvan sprake in het dwangbevel inmiddels is verjaard aangezien er door de BTW-administratie geen geldige stuitingsdaad werd gesteld.
De appellanten houden staande dat de betekening van het dwangbevel gebeurde aan de vader, dat de vader de opposant was en dat de betekening van het vonnis gebeurde aan de vader.
Uit de geschetste historiek in het tussenarrest moet blijken dat het proces-verbaal van 9 november 1992 en het daarop volgend dwangbevel van 5 augustus 19.. duidelijk betrekking hebben op de zoon met name ….
De verwijzing naar diens BTW-nummer, diens adres en diens activiteiten in België laten daaromtrent geen twijfel bestaan.
De betekening van het dwangbevel gebeurde aan …, wonende in Nederland, …, …, op 14 september 1993. Bij de betekening werden zowel het proces-verbaal als het dwangbevel medebetekend. Deze stukken maken één geheel uit met het betekeningsexploot. De zoon … kan er zich bezwaarlijk in vergissen dat het dwangbevel op hem betrekking had.
De inleidende dagvaarding inhoudende verzet tegen het dwangbevel werd betekend op 8 november 1994 ten verzoeke van …, ingeschreven in het … onder het nummer … (zijnde het handelsregister van de zoon in België), wonende te … (Nederland, …, …). Daaruit kan met zekerheid worden afgeleid dat de verzetsakte uitging van de zoon.
Gedurende gans de procedure voor de eerste rechter werd namens …, wonende te .., …, (Nederland), geconcludeerd soms met verwijzing naar het H.R. nummer … terwijl de naar voor gebrachte verweermiddelen wijzen op handelingen gesteld door de zoon …(…).
Nooit werd voorgehouden dat de betekening aan de verkeerde persoon gebeurde en nog minder dat het de vader was en niet de zoon die het verzet tegen het dwangbevel liet betekenen.
De eerste vraag die rijst is te weten of de betekening van het dwangbevel nietig is omdat het betekeningsexploot niet alle juiste voornamen heeft vermeld en omdat (mogelijks) een verkeerd adres werd vermeld (art. 43, 2° en 3° Ger.W.). Dit is niet het geval aangezien de nietigheidssanctie moet beoordeeld worden aan de hand van de principes van art. 861 Ger.W. dat belangenschade vereist. Het is duidelijk dat door het aantekenen van verzet deze proceshandeling haar normdoel heeft bereikt, nu het inleidend exploot van dagvaarding uitgaat van de zoon en de navolgende proceshandelingen gedurende de ganse procedure van eerste aanleg daaromtrent evenmin twijfel laten bestaan.
Voor de eerste rechter is nooit sprake. Geweest van enige persoonswisseling zodat ook het bestreden vonnis melding maakt van "…, wonende te (Nederland), …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …" (zijnde het inschrijvingsnummer van de zoon).
Dat het bestreden vonnis betrekking had op … blijkt bovendien uit het feit dat het eerste beroep werd ingesteld op 17 februari 1997 ten verzoeke van de BV G. als rechtsopvolgster van …, zijnde de zoon.
Het is pas na de betekening van het vonnis op 5 mei 1997 dat in de beroepsakten neergelegd op 3 april 19.. wordt voorgehouden dat … niet de zoon was doch wel de vader. Zoals hiervoor uiteengezet strookt dit niet met de door … gestelde proceshandelingen waarvan het Hof aanneemt dat voormelde proceshandelingen, waarvan de nietigheid nooit werd aangevoerd en minstens gedekt zijn door het eerste vonnis, gesteld werden door de zoon.
Dit heeft voor gevolg dat het hoger beroep ingesteld door de vader … niet toelaatbaar is, daar deze geen partij was in de procedure voor de eerste rechter.
2. Nopens het ingestelde hoger beroep door …, aannemer, wonende te Nederland …, …, (1998/AR/808).
Voorts blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens dat door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. D. S. met standplaats te Brugge op 5 mei 1997 het aangevochten vonnis werd betekend aan “…, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, wonende en gehuisvest te (Nederland), …, …" overeenkomstig artikel 40 Ger. W., waarbij een afschrift van het exploot werd toegestuurd bij ter post aangetekende zending met kennisgeving van ontvangst en onder gesloten omslag.
Het Hof stelt vast dat het bestreden vonnis werd betekend aan …, ingeschreven in het H.R. onder het nummer … wonende te (Nederland), …, …, zijnde ….
In tegenstelling tot de brief van P. D. S. (stuk 18 geïntimeerde) blijkt uit het thans na heropening van de debatten op 2 mei 2002 gedateerd uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie uitgaande van de gemeente … dat …, geboren op … sedert 30 juni 1988 woonachtig is aan de …, …, en niet te … (Nederland) aan de …, ….
De betekening op een plaats waar de geadresseerde niet meer is ingeschreven in de bevolkingsregisters is strijdig met de art. 35, 36 en 40 Ger.W. en deze foutieve vermelding van de woonplaats in het exploot is niet in overeenstemming met het voorschrift van art. 43, 3° Ger. W. dat op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Overeenkomstig art. 861 Ger. W. kan deze onregelmatigheid enkel worden gesanctioneerd bij belangenschade.
Te dezen komt de belangenschade bewezen voor nu door de betekening aan het verkeerd adres …, geen kennis kon nemen van het betekeningsexploot ven 5 mei 1997 waardoor het hem onmogelijk was binnen de wettelijke termijnen hoger beroep in te stellen. Het op 3 april 1988 (1998/AR/808) ingestelde hoger beroep dient derhalve als toelaatbaar te worden beschouwd.
3. Nopens het ingestelde hoger beroep door de BV G. als·(beweerde) rechtsopvolger van ….
Ook hier werpt de administratie de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep op omdat de BV G. geen partij was in eerste aanleg en ook niet als rechtsopvolger van … kan worden beschouwd.
De heropening van de debatten heeft dienaangaande nieuwe elementen aan het licht gebracht.
Met de administratie moet worden aangenomen dat de BV G. geen partij was in de procedure voor de eerste rechter. Evenmin blijkt uit de overgelegde stukken dat zij als rechtsopvolgster van … kan worden beschouwd. Zonder enig geschrift en zonder enig bewijs zou een fysieke persoon zijn zaak hebben overgedragen aan een reeds bestaande BV terwijl uit de aangifte stopzetting van de handelszaak moet blijken dat de handelszaak in België niet werd overgedragen.
Derhalve dient ook het hoger beroep van de BV G. als ontoelaatbaar te worden afgewezen.
4. Nopens de grond van de zaak.
De betwisting ten gronde heeft betrekking op de teruggaaf van geheven en afgedragen BTW met betrekking tot een aantal door de appellant opgemaakte creditnota’s.
Naar aanleiding van de stopzetting van de werkzaamheden van de appellant in België werd vastgesteld in diens boekhouding dat op datum van 31 december 1989 vier creditnota's waren opgenomen waarop een belasting van … BEF (… EUR) BTW was aangerekend en dat de teruggaaf van dit bedrag werd uitgeoefend door toerekening van dit bedrag op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangifteijdvak.
In dit zelfde PV werd tevens vastgesteld dat geen verbeterende stukken, noch verantwoordingsstukken ter staving van de uitgeoefende vordering tot teruggaaf konden worden voorgelegd zodat volgens de verbalisant door de appellant geen bewijzen werden aangebracht waaruit de echtheid van deze boekingen in het factuurboek moest blijken. Ingewonnen inlichtingen bij de medecontractanten bleken ook negatief te zijn.
Daar de voorwaarden van teruggaaf niet·vervuld waren terwijl bovendien ·de vormvereisten niet werden nageleefd (Art. 4, § 1 KB nr. 4 van 29 december 1969 en art. 79, eerste lid BTW-Wet) bleef de appellant … BEF of … EUR belasting verschuldigd, meer een verminderde boete en intresten.
Nadat door de administratie een dwangbevel werd uitgevaardigd tekende de appellant verzet aan. De eerste rechter wees de vordering tot teruggaaf af omdat de voorwaarden zoals gesteld in de wet en het K.B. niet werden nageleefd.
In zijn beroepsakte liet de appellant gelden, dit onder verwijzing naar het arrest Jeunehomme van het Europees Hof van Justitie dat de vereiste vermeldingen op een factuur beperkt moesten blijven tot hetgeen nodig is om de heffing van de BTW en de controle hierop te verzekeren zodat waar dit geldt voor de aftrek van de BTW dit evenzeer geldt voor de teruggaaf van de BTW. Volgens de appellant kan een Lidstaat geen overbodige en puur formele voorwaarden opleggen voor het recht op teruggaaf.
Tevergeefs stelt de appellant dat de voorwaarden in de Belgische BTW-Wetgeving strijdig zijn met de Europese regelgeving daar wat het recht op teruggaaf betreft de volledige vrijheid aan de Lid-Staten wordt toegekend. De EG-richtlijnen schrijven dienaangaande geen enkele voorwaarde voor en verwijzen daartoe naar de Lidstaten zelf.
De voorwaarden tot teruggaaf kunnen onder meer worden teruggevonden in artikel 77 W.BTW. Uit de lectuur van de diverse besluiten van de appellant zowel voor de eerste rechter als voor het Hof meent de appellant recht te hebben op een recht op teruggaaf hetzij omdat aan de medecontractant een prijsvermindering werd toegestaan (art. 77, § 1, 2° BTW-Wet), hetzij omdat de overeenkomst minnelijk of door een gerechtelijke beslissing werd vernietigd of ontbonden (art. 77, § 1, 5 ° BTW-Wet), hetzij omdat de prijs geheel of gedeeltelijk is verloren gegaan.
De administratie daarentegen stelt dat noch de vormvoorwaarden, noch de grondvoorwaarden vervuld zijn.
Overeenkomstig art. 4 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake BTW dient :
1° een verbeterend stuk te worden opgemaakt met vermelding van het voor teruggaaf in aanmerking komende bedrag;
2° dit stuk moet worden ingeschreven in een daartoe bestemd register;
3° in de gevallen waarop de appellant zich beroept moet van het verbeterend stuk een kopie aan de medecontractant worden afgeleverd met de vermelding "BTW terug te storten aan de Staat in de mate dat ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht".
Te dezen worden enkel creditnota's overgelegd, dewelke echter niet gedetailleerd zijn, geen reden van creditering vermelden en evenmin de vermelding bevatten "BTW terug te storten aan de Staat in de mate dat ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht".
Desbetreffend moet worden aangenomen dat het verbeterend stuk alle “vermeldingen moet bevatten die nodig zijn voor het identificeren van de handeling waarop de teruggaaf betrekking heeft, de reden van creditering en de vermelding "BTW terug te storten aan de Staat in de mate dat ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht”. De laatste vermelding is noodzakelijk om de medecontractant te wijzen op zijn verplichting tot terugstorting van de BTW. De reden van creditering teneinde na te gaan of de voorwaarden tot uitoefening van het recht op teruggaaf vervuld zijn.
Voormelde elementen zijn minimaal noodzakelijk om de controle op de juistheid van de teruggaaf te kunnen uitvoeren en zijn dus geenszins overbodig zodat de Belgische Staat er terecht op wijst dat deze elementen de toetsing van het arrest Jeunehomme kunnen doorstaan.
Overigens kan overeenkomstig art. 13 van het KB nr. 4 de teruggaaf van de belasting niet geldig worden verkregen wanneer de formaliteiten en de voorwaarden bepaald bij het KB nr. 4 niet werden nageleefd. Daaruit moet worden afgeleid dat de te vervullen formaliteiten en de wijze van uitoefening van teruggaaf voorgeschreven zijn op straffe van verval.
Ten overvloede moet worden vastgesteld dat overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 4 de vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet. Wanneer echter de rechthebbende op teruggaaf een belastingplichtige is die periodieke aangiften doet zoals de appellant ontstaat de vordering slechts bij het verstrijken van de termijn voor het indienen van de aangifte van het tijdvak waarin de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.
Dit houdt in dat de vordering tot teruggaaf zich moet hebben voorgedaan voor 20 januari 1990. Geen van de beweerde oorzaken van teruggaaf heeft zich echter voor deze datum voorgedaan.
Zelfs op datum van het opmaken van het inleidend proces-verbaal op 9 november 1992 konden geen stukken ter verantwoording worden voorgelegd die een prijsvermindering aantoonden (art. 77, § 1, 2e lid BTW-Wet). Evenmin werden er op datum van 20 januari 1990 stukken overgelegd waaruit moest blijken dat er een minnelijke overeenkomst of een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot vernietiging of ontbinding bestond (art. 77, § 1, 5° lid BTW-Wet). Tenslotte werd geenszins aangetoond dat op voormelde datum de vordering geheel of gedeeltelijk verloren was (art. 77, § 1, 7° lid BTW-Wet.). Al de voorgelegde stukken zijn van vele jaren nadien.
Uit voorgaande gegevens volgt dat de eerste rechter terecht het verzet van de appellant heeft afgewen. Impliciet heeft dit voor gevolg dat ook de vordering van de appellant tot het bekomen van een schadevergoeding van … BEF (… EUR) moet worden afgewezen. Overigens werden daaromtrent geen grieven door de appellant aangevoerd.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verder recht doende na tussenarrest.
Verklaart het hoger beroep in de zaak 1997/AR/452 en in de zaak 1998/AR/807 niet toelaatbaar en laat de kosten van de beroepsakte respectievelijk ten laste van de BV G. en van ….
Verklaart het hoger beroep in de zaak 1998/AR/… toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.
Verwijst de appellant … in de kosten begroot aan zijn zijde op :
- verzoekschrift hoger beroep … EUR
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR
en aan de zijde van de Belgische Staat op … EUR
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op ZEVENTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWEE.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.