Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 28 juni 2012

Zoeken

Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-brussel-2012-06-28-acac

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
28 juni 2012

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 10 maanden
  1. Weergegeven beslissingHof van beroep te Brussel28.06.2012
  2. Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België22.05.2014

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

86 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 28.06.2012

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Fiscale kamer 6D – Openbare terechtzitting van 28.06.2012

Nr. van de zaak : 2009/AR/1781

INZAKE VAN :

Mevr. F. R., wonende te …, …,

appellante,

die in persoon verschijnt, bijgestaan door Meester H. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de heer ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Leuven, met burelen te 3001 Heverlee, Philipssite 3A, bus 2,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester F. S., advocaat te …, …,


R. 2012/4923 EINDARREST – gegrond

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De procedurestukken

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :

- het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 3 april 2009 (A.R. nr. 2005/1066/A);

- het verzoekschrift tot hoger·beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 26 september 2009.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe :

- te zeggen voor recht dat zij voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 niet in overtreding was met de BTW-wetgeving;

- de correctieopgave van 22 oktober 2003, alsmede het dwangbevel van 26 november 2004 en de inregelstelling van 16 maart 2005 nietig te verklaren;

- geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle achtergehouden tegoeden.

De feiten en retroacten

Appellante is als kleinhandelaar in motorvoertuigen BTW-plichtige.

Door de administratie werd een controle uitgevoerd voor de periode lopende van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001.

Op 22 oktober 2003 ondertekende appellante een correctieopgave voor akkoord. Deze opgave vermeldde dat appellante … EUR verschuldigd was als BTW, … EUR als boete, en interest vanaf 21 januari 2002. De verschuldigde BTW werd voor … EUR gecompenseerd met de aftrekbare BTW, zodat nog … EUR BTW verschuldigd was.

Op 6 november 2003 betwistte appellante schriftelijk de BTW verschuldigd te zijn. Zij verzocht tevens om kwijtschelding van de boete en interesten.

Op 2 februari 2004 deelde de gewestelijke directeur schriftelijk aan appellante mede dat de boete werd verminderd tot … EUR. Op 3 maart 2004 deelde de gewestelijke directeur schriftelijk mede dat geen vrijstelling van nalatigheidsinteresten werd verleend.

Op 26 november 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 30 november 2004 uitvoerbaar werd verklaard. Krachtens dit dwangbevel was appellante … EUR verschuldigd als BTW, … EUR als geldboete en … EUR als interesten berekend tot 20 december 2004.

Op 7 januari 2005 deelde de Minister van Financiën mee dat met een aantal opmerkingen van appellante rekening zou worden gehouden en de vordering van de BTW, rekening houdend hiermee, verminderd werd.

Op 29 maart 2005 deelde de administratie aan appellante een inregelstelling mee. De te betalen BTW werd vastgesteld op … EUR; aangezien appellante recht op aftrek ten bedrage van … EUR, bleef aan BTW te betalen … EUR, alsook een boete van … EUR, meer interesten.

Op 19 april 2005 deelde de administratie aan appellante mee dat zij krachtens voormeld dwangbevel van 26 november 2004 derdenbeslag legde in handen van de BVBA B. A. N.. Het schrijven vermeldde dal de schuld bij het RCIV … EUR bedroeg.

Op 3 mei 2005 legde appellante een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Bij het bestreden vonnis van 1 april 2009 wees de rechtbank te Leuven de vordering van appellante af.

Voorwerp van het geding

1. Het hof stelt vast dat appellante in haar op 27 juli 2010 ter griffie van het hof neergelegde allernieuwste conclusies de nietigverklaring van het dwangbevel van 26 november 2004 vervolgt, evenals de terugbetaling van alle bedragen die op grond van dit dwangbevel werden betaald of ingehouden.

Dit dwangbevel (zie stuk 1 van appellante) is gebaseerd op de correctieopgave van 22 oktober 2003, en dus niet op de inregelstelling die dateert van na het dwangbevel en die overigens niet ondertekend werd door appellante.

Derhalve houdt appellante ten onrechte voor dat zij ervan uitgaat dat de administratie met haar dwangbevel uitgaat van de bedragen, zoals opgenomen in de inregelstelling en dat zij haar vordering beperkt tot de bedragen vermeld in deze inregelstelling.

Een andere vraag is of appellante zich kan beroepen op de door de administratie in de inregelstelling aangenomen punten.

2. Verder verklaarde appellante ter zitting van het hof van 14 juni 2012 uitdrukkelijk haar voor·de eerste rechter ingeroepen argumenten met betrekking tot :

- het niet-vertonen door de BTW-verificateur van zijn aanstellingsbewijs tijdens de controle, en

- het ondertekenen van de correctieopgave onder dwang niet langer te handhaven.

Discussie

a) Wat de beweerde nietigheid van het dwangbevel betreft

3. Appellante wijst erop dat het dwangbevel (zie stuk 1 van appellante) werd betekend op 1 december 2004, dat dit verwijst naar een correctieopgave met bijlagen, maar dat deze evenwel niet bij het dwangbevel werden gevoegd. Appellante meent dan ook dat het dwangbevel nietig is wegens gebrek aan motivering.

Met reden doet geïntimeerde evenwel gelden dat appellante geen bewijs levert van haar bewering. Bovendien heeft zij in het verleden op geen enkel ogenblik opgemerkt dat bijlagen bij het dwangbevel zouden ontbreken. Overigens werd in het dwangbevel uitdrukkelijk vermeld dat van de correctieopgave en bijlagen voor eensluidend verklaarde afschriften werden bijgevoegd en dat dit dwangbevel met bijlagen overeenkomstig art. 85, § 1, lid 2 W.BTW op 1 december 2004 met een ter post aangetekende brief ter kennis aan appellante werd gebracht.

4. Daarnaast put appellante de nietigheid van het dwangbevel ook uit het feit dat de correctieopgave op 29 maart 2005 werd vervangen door een inregelstelling en dat de administratie haar vordering beperkt tot het bedrag vermeld in deze inregelstelling. Daarmee geeft de administratie, volgens appellante, toe dat haar eerste correctieopgave verkeerd was. Nu de bedragen van de correctieopgave en van de inregelstelIing verschillen, kan de eerste correctieopgave geen motivering vormen voor het dwangbevel, want ze bleek onjuist.

Hiervoor onder 'Voorwerp van het geding' kwam het hof reeds tot het besluit dat appellante ten onrechte voorhoudt dat de vordering van de administratie werd beperkt tot het bedrag vermeld in de inregelstelling.

Terecht houdt geïntimeerde voor dat de gewijzigde correctieopgave als een nieuw voorstel van overeenkomst moet worden beschouwd. De eerste, door de belastingplichtige ondertekende correctieopgave maakt immers geen geldige en onherroepelijke dading uit. De fiscale wetgeving is immers van openbare orde en daarover kunnen geen overeenkomsten worden gesloten. De belastingplichtige blijft gerechtigd om de feitelijke en/of juridische fouten in de door hem ondertekende correctieopgave te doen gelden.

5. Volgens geïntimeerde is de latere inregelstelling niet het gevolg van fouten in de eerste correctieopgave, maar betreft zij een nieuw voorstel tot minnelijke regeling.

Geïntimeerde houdt voor dat de administratie·- wat de grond van de zaak betreft haar standpunt nooit gewijzigd heeft.

In zijn besluiten laat hij uitschijnen dat de inregelstelling het loutere gevolg is van het verzoekschrift van appellante van 13 april 2004 en dat het hier gaat om een vermindering van boeten.

Het hof stelt evenwel vast dat de inregelstelling veel verder gaat.

Deze inregelstelling (zie stuk 11 van geïntimeerde) is een gevolg van de ministeriële beslissing ET 107.434 (zie stuk 10 van geïntimeerde). Op pagina 2 van deze ministeriële beslissing staat letterlijk het volgende te lezen :

"Gelet evenwel op de korte termijn van inschrijving van het eerste voertuig (...), het derde voertuig (...), het veertiende voertuig (...) en het vijftiende voertuig (...) van de lijst van bijlage 2 van de correctieopgave, kan ik u met genoegen mededelen dat de administratie afziet van de invordering van de BTW met betrekking tot die voertuigen. Gelet op de ingetreden verjaring wordt eveneens afgezien van de invordering van de BTW met betrekking tot het zevende voertuig (...) en het elfde voertuig (...)".

Indien de eerste beslissing van de administratie waarbij, gelet op de korte termijn van inschrijving van bepaalde voertuigen, wordt afgezien van de invordering van de BTW met betrekking tot deze voertuigen, nog als een administratieve toegeving kan worden beschouwd (die afhankelijk is van de instemming, bij wijze van ondertekening van de correctieopgave door de belastingplichtige), is dat niet het geval voor wat de tweede beslissing betreft om af te zien van de invordering van de BTW met betrekking tot bepaalde voertuigen, opgenomen in bijlage 1 van de correctieopgave, ingevolge ingetreden verjaring. Het gaat in dit laatste geval om een loutere toepassing van de wet, die toepassing dient te vinden ongeacht of de inregelstelling al dan niet ondertekend werd door de belastingplichtige.

Derhalve heeft geïntimeerde, door pas in de inregelstelling rekening te houden met de verjaring, zijn standpunt wat de grond van de zaak betreft wel degelijk gewijzigd, in tegenstelling tot hetgeen hij zelf voorhoudt.

Derhalve kan de eerste correctieopgave dan ook geen motivering vormen voor het dwangbevel, want ze bleek niet correct te zijn.

Bijgevolg besluit appellante terecht tot de nietigheid van het dwangbevel.

De vordering van appellante dient derhalve in principe te worden ingewilligd (zie evenwel verder onder b), hierna), zonder dat het nodig is de overige argumenten van appellante te onderzoeken.

b) Wat de gevorderde interesten betreft

6. In het beschikkend gedeelte van haar op 27 juli 2010 ter griffie van het hof neergelegde allernieuwste conclusies vordert appellante de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van het dwangbevel werden betaald of ingehouden, verhoogd met de interesten vanaf de datum van betaling.

Appellante kan evenwel slechts interesten vorderen vanaf de datum van betaling op basis van art. 1378 BTW wanneer de ontvanger te kwader trouw was op het moment van het ontvangen van het geld. Dit impliceert dat de ontvanger, op het ogenblik van betaling, wist dat het bedrag, dat aan hem werd betaald, niet voor hem bestemd was of door hem niet kon behouden worden.

In deze is er bij de ontvanger geen sprake van kwade trouw. Derhalve vindt niet art. 1378 B.W., maar wel art. 1154 B.W. toepassing en is interest verschuldigd vanaf de aanmaning.

Het schrijven van appellante van 6 november 2003 (zie stuk 2 van geïntimeerde) kan niet als een dergelijke aanmaning worden beschouwd.

Bij gebrek aan aanmaning is de interest slechts verschuldigd vanaf het inleidend verzoekschrift (neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 3 mei 2005).

c) Wat de kosten betreft

7. Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter zitting van het hof van 14 juni 2012 verklaarden beide partijen de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van … EUR te begroten.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende,

Willigt de oorspronkelijke vordering van appellante in als volgt :

Verklaart het dwangbevel van 26 november 2004 nietig;

Beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden betaald of ingehouden, verhoogd met de interesten vanaf het gedinginleidend verzoekschrift;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoger beroep in hoofde van appellante op … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6D" van het hof van beroep te Brussel, op 28 JUNI 2012

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

J. V., alleenzetelend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. J. V.