---
title: "Vervolging, geding · Hof van beroep te Brussel, 23 november 2010"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, recht op aftrek van belasting, werkingssfeer. Hof van beroep te Brussel (België), 23 november 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-brussel-2010-11-23-00df"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

23 november 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

129 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 23.11.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Zitting van 23/11/2010 recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

In zake : **2009/AR/3499**

**T. L. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …, KBO Nr. …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen op 18 november 2009, door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;

vertegenwoordigd door Mr. **P. G.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT, vert. Gewestelijk directeur**, BTW, Domeinen en Registratie Antwerpen, 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 18 november 2009, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 30 december 2009, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

### *1.1. Voorwerp van de betwisting*

CVA **T. L.** is een vennootschap met als maatschappelijk doel het uitvoeren en doen uitvoeren van alle bouw-, veranderings- en verfraaiingswerken aan onroerende goederen, de groot- en kleinhandel in bouwmaterialen en alle aanverwante artikelen en producten, de handel, het aan- en verkopen van alle onroerende goederen, zo voor eigen rekening als voor rekening van derden, het uitbaten, huren, verhuren, onderverhuren, valoriseren, verkavelen, exploiteren van alle onroerende goederen, in de ruimste zin van het woord.

Op 27 mei 2004 en 30 augustus 2004 werd bij CVA **T. L.** een controle uitgevoerd voor wat betreft de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2004, waarna op 23 augustus 2005 proces verbaal werd opgesteld.

Deze controle betrof de aankoop door de vennootschap van een onroerend goed, gelegen op de hoek van de … en de … in …. Dit gebouw werd in 2004 aangekocht van NV G&P. De BTW, geheven bij de aankoop van dit onroerend goed werd door CVA **T. L.** in aftrek gebracht.

Op 24 augustus 2005 werd door de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen een dwangbevel uitgevaardigd, op regelmatige wijze geviseerd en uitvoerbaar verklaard en ter kennis gesteld van de belastingplichtige.

Deze schuld, gekend onder RCIV-nr. … werd inmiddels aangezuiverd.

De belastingplichtige tekende verzet aan, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 15 september 2005. Deze zaak was gekend onder AR 05/5730/A.

Er werden voor de periodes daarna 5 bijzondere rekeningen geopend, waarbij op basis van de aangiftes werd vastgesteld dat verschuldigde bedragen onbetaald bleven. Er werden telkens dwangbevelen uitgevaardigd, waartegen de belastingplichtige telkens in verzet ging bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

### *1.2. Procedure voor de eerste rechter*

De eerste rechter heeft alle verzetsprocedures samengevoegd. Procedureel oordeelde de eerste rechter dat er niet getornd kan worden aan de bewijskracht van de processen-verbaal en dat deze afdoende gemotiveerd zijn. De recepten van verdediging van de belastingplichtige werden volgens de eerste rechter evenmin miskend.

Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat er in de periode voorafgaandelijk aan de vaststellingen van 2004 geen spoor terug te vinden is van het feit dat CV A **T. L.** zou zijn opgetreden als beroepsoprichter. Het aangekochte gebouw werd te huur gezet en effectief verhuurd, zodat de vordering volgens de eerste rechter kennelijk ongegrond was.

Voor wat de boete van 10 % betreft, oordeelde de eerste rechter dat ze werd opgelegd overeenkomstig de wet en dat ze evenredig is met de feiten.

De vorderingen van CVA **T. L.** werden afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond en de vennootschap werd veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

### *1.3. Procedure voor het hof van beroep*

Voor het hof van beroep vordert appellante om het bestreden vonnis integraal te hervormen en om alle bestreden dwangbevelen van nul en generlei waarde te verklaren wat betreft de gevorderde BTW en om haar te ontslaan van alle in deze dwangbevelen van haar gevorderde proportionele boetes, interesten en kosten van betekening en uitvoering. In ondergeschikte orde vordert appellante : *"indien uw zetel- quod certe non - van oordeel zou zijn dat concluante geen beroepsoprichter was en de BTW op de aankoopfacturen van G&P NV ten onrechte zou hebben afgetrokken hebben, dient de globale vordering van geïntimeerde herleid verminderd te worden met de reeds door concluante spontaan gedane onttrekkingen van de verhuurde gedeelten, zoals uitgewerkt in sub (5.4.), supra, in concreto met … EUR. Derhalve geïntimeerde te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en/of toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering met de moratoire interesten overeenkomstig* [*artikel 91 van het BTW Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)*"*.

De belastingplichtige vordert verder om de dwangbevelen te vernietigen in de mate dat er een administratieve geldboete wordt gevorderd en om de Belgische .Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van appellante begroot op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De Belgische Staat vordert om het bestreden vonnis te bevestigen en om appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, hetzij een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van … EUR.

## 2. Bespreking

### *2.1. Procedure*

2.1.1. De bewijskracht van het proces-verbaal

Volgens appellante blijft de bewijskracht van een proces-verbaal beperkt tot de zintuiglijke waarnemingen, door de ambtenaren gedaan. Er werd in het proces verbaal gesteld dat het gebouw te huur werd gesteld, zonder rekening te houden met het feit dat er affiches werden geplaatst met "te huur en te koop".

In het proces-verbaal van **L. V.**, eerstaanwezend inspecteur bij de AOIF, sector BTW van 7 juni 2004 (stuk 5 administratie) staat vermeld dat werd vastgesteld dat zich op de ramen van het gebouw affiches bevonden met de volgende tekst :

> *"TE HUUR of TE KOOP*
>
> *-* *Nieuwe kantoren (van 250 m**2**-330 m**2**)*
>
> *-* *Individuele HVAC per niveau*
>
> *-* *met parkingmogelijkheid*
>
> *-* *samenvoeging mogelijk*
>
> *Inlichtingen : 0498/…"*

Er werd tevens vastgesteld dat zich op het gebouw een reclamebord bevond met de volgende tekst :

*"TE HUUR/TE KOOP*

*KANTOREN VANAF 245 m**2* *+ P*

***H. C.*** ***J. L. L.***

*Tel 03/…* *03/… ».*

In het proces-verbaal van 23 augustus 2005 wordt naar dit reclamebord verwezen en wordt hieruit afgeleid dat publiciteit gemaakt werd voor de verhuur van de kantoren. Er wordt wel vermeld dat er stond : "Te huur of te koop". In dit proces-verbaal wordt eveneens melding gemaakt van de briefwisseling tussen CVA **T. L.** enerzijds en **J. L. L.** en **H. C.** anderzijds. Er wordt geciteerd uit het mailverkeer tussen de opdrachtgever en het respectievelijke immobiliënkantoor. Er wordt eveneens melding gemaakt van de huurcontracten, opgevraagd bij de huurders NV **D. N. V.** en NV **I.**.

Het hof oordeelt, samen met de belastingplichtige dat de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal opgesteld door een inspecteur van de BTW beperkt blijft tot de feitelijke vaststellingen of de weergave van de verklaringen die werden opgenomen of de stukken die werden opgevraagd. In de mate dat hieruit bepaalde deducties worden gemaakt geldt de bijzondere bewijswaarde niet.

Voor zover het proces verbaal melding maakt van affiches of reclameborden, van briefwisseling met de makelaars en van verhuurcontracten of vermeldingen of websites, betreft het vaststellingen, waaraan de bijzondere bewijswaarde verbonden is. Voor zover de inspecteur daaruit afleidt dat het onroerend goed te huur werd gesteld, en dat de BTW ten onrechte in aftrek werd gebracht, betreft het een eigen interpretatie, die onderworpen is aan de beoordeling door de rechter. Uit het proces-verbaal blijkt duidelijk waar het gaat om vaststellingen en waar het gaat om deducties. Bovendien wordt met betrekking tot de vaststellingen niet aangetoond dat ze onjuist zijn. Het feit dat er uit de vastgestelde elementen bepaalde gevolgtrekkingen werden gemaakt, doet geen afbreuk aan de juistheid van de vaststellingen.

2.1.2. De wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen

Het proces-verbaal en de dwangbevelen waren volgens appellante onvoldoende gemotiveerd. Tevens begrijpt appellante niet waarom wordt verwezen naar artikel 46, § 2 W.BTW, dat betrekking heeft op gemengde BTW-belastingplichtigen. Er is volgens appellante ook geen motivering gegeven waarom bijzondere rekeningen werden geopend.

Het proces-verbaal is een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 tot uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Ook een dwangbevel dient uitdrukkelijk gemotiveerd te zijn.

Het hof stelt vast dat in de processen-verbaal van 7 juni 2004 en 23 augustus 2005 door de administratie wordt uiteengezet waarom zij van mening is dat het onroerend goed werd aangekocht met de bedoeling om het te verhuren. Er werd door de ambtenaar een uiteenzetting gegeven van de argumenten, met verwijzing naar de gegevens waarop werd, gesteund. Het hof oordeelt dat aldus de feitelijke en juridische redenen vermeld worden waarom de BTW volgens de administratie ten onrechte in aftrek werd gebracht. Deze processen-verbaal werden aldus afdoende gemotiveerd, in die zin dat ze de belastingplichtige in staat stelden om een passend verweer te voeren.

Ook het dwangbevel van 24 augustus 2005 is afdoende gemotiveerd, met verwijzing naar het proces-verbaal, voormeld, dat ter kennis gebracht werd aan de belastingplichtige.

De dwangbevelen met betrekking tot de latere periodes hadden betrekking op de bijzondere rekeningen die telkens werden opgemaakt en waarvan een afschrift bij· de betekening of de kennisgeving van het dwangbevel werd gevoegd. In deze documenten werd verduidelijkt voor welke periode de bijzondere rekening werd opgemaakt en welke de verschuldigde bedragen waren aan BTW, interest en belastingverhoging. Het betrof telkens bedragen die verschuldigd waren op basis van de door de belastingplichtige zelf ingediende aangiftes, doch die niet waren betaald, vermits de belastingplichtige van mening was dat de aftrek van de BTW in de vorige periode ten onrechte was verworpen. Het hof oordeelt dat de betrokken dwangbevelen dan ook afdoende zijn gemotiveerd.

Hierbij werd ook telkens gemotiveerd hoe de belastingverhoging werd berekend en op welke basis en werd telkens verduidelijkt hoe de vermindering van de verhoging werd bekomen.

2.1.3. Onderzoek : schending van de rechten van verdediging

Appellante stelt dat het onduidelijk is welke onderzoekshandelingen lastens haar werden gesteld.

Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal telkens werd verduidelijkt, hoe de gebruikte inlichtingen werden bekomen. Er wordt hierbij niet aangetoond dat onderzoeksdaden werden gesteld die buiten de bevoegdheid vallen van de AOIF of dat onderzoeksbevoegdheden werden aangewend voor doeleinden waarvoor ze niet waren bestemd. De rechten van verdediging werden terzake niet geschonden, nu de aanwezigheid van de belastingplichtige bij deze onderzoeksdaden niet is vereist. De stukken waarop de administratie zich steunt, met uitzondering van het dossier van de directe belastingen, werden door de administratie bovendien bijgebracht.

Wat dit laatste betreft dient er bovendien op te worden gewezen dat geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, mee moeten worden betekend met het dwangbevel (Cass., 20 maart 2008, AR [F.07.0016.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebrek-voldoening-belasting-dwangbevel-motivering-cassatie-brussel-2008-03-20-03c4), jure.juridat.just.fgov.be).

Het hof oordeelt dat aan de administratie aldus geen onregelmatigheden kunnen worden verweten bij het gevoerde onderzoek.

2.1.4. Bewijs door feitelijke vermoedens

Er wordt niet betwist dat de administratie gebruik maakt van het bewijsmiddel feitelijk vermoeden. Dat impliceert dat de administratie op basis van vaststaande gegevens, door middel van een logische redenering besluit tot een onbekend feit.

Het hof verwijst naar de betwisting ten grande, waar zal worden geoordeeld of de administratie terzake aan haar bewijslast heeft voldaan.

### *2.2. Ten gronde*

2.2.1. De hoedanigheid van beroepsoprichter

Appellante stelt dat ze bij de aankoop van het gebouw op de hoek van de … en de … de intentie had om op te treden als beroepsoprichter. Dit blijkt uit haar oprichtingsakte en de benaming waaronder ze is ingeschreven in het handelsregister. Dit blijkt ook uit de vermelding bij haar aanvraag voor een BTW-nummer en uit haar aanvraag als beroepshandelaar voor de toepassing van de registratierechten. Dit blijkt volgens appellante verder uit haar correspondentie met de BTW-adminstratie, uit de boekhoudkundige verwerking van de aankoop van het gebouwen uit een aantal verkooptransacties in 2004 en de volgende jaren.

De discussie betreft aldus de vraag of CVA **T. L.** bij de aankoop van het pand in 2004 kon beschouwd worden als beroepsoprichter en aldus voor onmiddellijke aftrek van de betaalde BTW in aanmerking kwam.

Als beroepsoprichter of bouwpromotor bedoeld in artikel 12, § 2 W.BTW wordt beschouwd de persoon die geregeld de gebouwen die hij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van die gebouwen, onder bezwarende titel vervreemdt, of ze met een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° W.BTW bezwaart, of die het met voldoening van de BTW te zijnen bate gevestigd of aan hem overgedragen bedoelde zakelijke rechten binnen dezelfde termijn overdraagt of weder overdraagt.

Een belastingplichtige heeft recht op aftrek van de BTW vanaf het ogenblik dat ondubbelzinnig het voornemen wordt uitgedrukt om een geregelde werkzaamheid te verrichten. De omstandigheid dat een economische activiteit niet daadwerkelijk in een dadelijke activiteit resulteert is hierbij zonder belang. Er moet derhalve nagegaan worden of er in hoofde van de belastingplichtige objectieve gegevens voorhanden zijn waaruit de wil van de belastingplichtige blijkt om een economische activiteit aan te vatten met de bedoeling geregeld belastbare handelingen te stellen.

Het feit dat in de periode voor de aankoop van het gebouw niet daadwerkelijk onroerende goederen werden verkocht en. dat het gebouw zelf niet onmiddellijk na de aankoop werd verkocht is derhalve niet doorslaggevend om aan de belastingplichtige de hoedanigheid van beroepsoprichter te ontzeggen.

Het hof volgt het standpunt van de belastingplichtige dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat deze bij de aankoop van het gebouw, gelegen op de hoek van de … en de … de intentie had om op te treden als beroepsoprichter :

\- Het maatschappelijk doel van CVA **T. L.**, zoals omschreven in de statuten omvat onder meer 'De handel, het aan- en verkopen van alle onroerende goederen, zo voor eigen rekening als voor rekening van derden, het uitbaten, huren, verhuren, onderverhuren, valoriseren, verkavelen, exploiteren van alle onroerende goederen, in de ruimste zin van het woord'.

\- CVA **T. L.** werd in het handelsregister ingeschreven als een 'onderneming in onroerende goederen'.

\- Er wordt niet betwist dat bij de aanvraag van het BTW-nummer melding werd gemaakt van de activiteiten die als activiteiten van een beroepsoprichter te beschouwen zijn.

\- Er wordt niet betwist dat het kantorencomplex, gelegen op de hoek …/… op de balans van de belastingplichtige werd geboekt onder de voorraden en niet onder de vaste activa.

\- Het feit dat het pand te huur werd gesteld door appellante neemt niet weg dat het tegelijkertijd ook te koop werd aangeboden. Dit blijkt onder meer uit de affiches die op het gebouw werden geplaatst en op de vermeldingen op het reclamepaneel. Dat het gebouw eveneens te huur werd aangeboden belet niet dat de intentie er was om het gebouw te verkopen.

\- Uit het faxbericht dat **T. L.** stuurde naar **J. L. L.** en **H. C.** NV blijkt dat deze makelaars het pand zowel te huur als te koop mochten aanbieden (stukken 6 en 7 van de administratie).

\- **H. P.**, bestuurder van appellante, had vóór de aankoop van het pand reeds contact met **J. L. L.** met het oog op de verkoop van het pand …/… (stuk 20 appellante). Er was toen nog niet geweten wie als verkoper zou optreden: G&P of **T. L.**.

\- Op de web site van **H. C.** werd het gebouw in het voorjaar 2004 te huur/te koop aangeboden (stuk 18 appellante). Ook op de website van **M. V.** werd het gebouw te huur/te koop aangeboden (stuk 10 appellante).

\- Er werd interesse voor aankoop van een deel van het pand betoond door NV **I.** L Benelux in augustus 2005, en er werd door Immobiliën **H. C.** NV een offerte uitgewerkt en overgemaakt, in samenspraak met **T. L.** (stuk 19 appellante) .

\- Reeds in september 2004 was **N. N.**, verificateur, de mening toegedaan dat de belastingplichtige voor de verkoop van het vruchtgebruik op 49 parkings, gelegen in het pand … te … geen nummer als toevallige BTW-plichtige diende te bekomen en dat deze verkoop kon geschieden onder het BTW-nummer … (zie stuk 1 appellante). De verklaring van appellante dat zij enkel op zekerheid speelde toen zij het BTW-nummer aanvroeg als toevallig BTW-belastingplichtige is in deze geloofwaardig en de aanvraag wijst er niet op dat zij zich niet als een beroepsoprichter beschouwde.

\- In de overeenkomst van 2 december 2003 tussen NV G&P (partij enerzijds) en **T. L.** (partij anderzijds) (stuk 24 appellante) met betrekking tot de aankoop van het pand op de hoek …/… wordt er al verwezen naar een wederverkoop door **T. L.** : "Partij enerzijds verbindt er zich toe bij doorverkoop door partij anderzijds er zorg voor te dragen dat zij de volledige afwerking van de kantoren zal garanderen".

\- In 2004, 2005 en 2006 werden grote delen van het gebouw gelegen op de hoek van de … en de … effectief ook verkocht. Ten onrechte betwist de administratie de verkoopfacturen die als stuk 22 worden neergelegd. Een deel van deze verkopen wordt immers bevestigd in de notariële akte van 10 oktober 2005, stuk 3 van appellante.

2.2.2. Tijdstip van aftrekbaarheid van de BTW

Appellante stelt dat ze de BTW als beroepsoprichter onmiddellijk en integraal in aftrek mocht brengen.

De administratie betwist niet dat een beroepsoprichter, als bedoeld in artikel 12, § 2 W.BTW de BTW onmiddellijk in aftrek mag brengen voor een onroerend goed dienend tot zijn activiteit als beroepsoprichter.

Ten onrechte houdt de administratie voor dat de belastingplichtige in deze minstens als een gemengde belastingplichtige moet worden beschouwd, vermits hij minstens een deel van het onroerend goed bestemde voor de verhuur.

Hierboven werd immers geoordeeld dat aangetoond is dat CVA **T. L.** bij de aankoop van het pand op de hoek …/… optrad als beroepsoprichter, vermits werd aangetoond dat hij van bij de aanvang de bedoeling had om dit pand opnieuw te verkopen. Hij is derhalve niet te beschouwen als een gemengde belastingplichtige, en het feit dat een deel van het pand ook effectief werd verhuurd doet hieraan geen afbreuk.

2.2.3. Onttrekking naar aanleiding van latere verhuur

Appellante stelt dat ze bij verhuur telkens een onttrekking heeft doorgevoerd. Minstens dient op dit punt een correctie te worden aangebracht, teneinde dubbele heffing te vermijden.

Wanneer een beroepsoprichter een oorspronkelijk voor de verkoop bestemd gebouw verhuurt, wordt dit ingevolge artikel 12, § 1, eerste lid, 3° W.BTW gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel in hoofde van de beroepsoprichter op het moment van de effectieve aanvang van de verhuur wegens de ingebruikneming van het verhuurde goed als bedrijfsmiddel. Op dat moment dient een onttrekking plaats te vinden.

Er wordt niet betwist dat CVA **T. L.** een onttrekking doorvoerde telkens wanneer een deel van het onroerend goed werd verhuurd. Het betrof onttrekkingen, verricht in de aangiftes van het eerste kwartaal van 2004, het tweede kwartaal van 2005 en het eerste kwartaal van 2007. De belastingplichtige heeft aldus de wet correct toegepast.

2.2.4. De overige betwistingen

Het feit dat appellante de latere BTW niet betaalde, was volgens haat het gevolg van het feit dat ze meende recht te hebben op de recuperatie van de BTW op de aankoop van het gebouw.

Het hof stelt vast dat de belastingplichtige de verschuldigdheid van de BTW in de betrokken dwangbevelen in se niet betwist. Zij stelt wel dat deze BTW kon verrekend worden met de BTW die ze kon aftrekken naaf aanleiding van de aankoop van het pand …/….

Het hof oordeelt dat de belastingplichtige aldus vooruitliep op de beoordeling van haar recht op aftrek en van haar hoedanigheid als beroepsoprichter. Zij eigende zichzelf het recht toe de betwisting in haar voordeel te beslechten en een compensatie door te voeren van de nog verschuldigde BTW met de BTW die zij meende ingevolge de aankoop van het pand aan de …/… straat te mogen aftrekken.

Het hof oordeelt dat het vooruitlopen op het oordeel in verband met haar hoedanigheid van beroepsoprichter, de belastingplichtige niet het recht gaf om de belastingschulden voor de latere periodes onbetaald te laten. Er werden voor deze periodes dan ook terecht dwangbevelen uitgevaardigd en deze werden ten onrechte betwist.

2.2.5. Administratieve boetes

Appellante stelt dat er reden is tot kwijtschelding van de boetes van telkens 10 %. Ze zijn onafdoende gemotiveerd en staan niet in verhouding tot de gepleegde inbreuken. Minstens is er sprake van een betwisting van principiële aard.

In de mate dat een belastingverhoging werd verbonden aan de terugvordering van de BTW die in aftrek werd gebracht bij de aankoop van het pand aan de …/… in het voorjaar 2004, vervalt deze belastingverhoging, vermits hierboven werd geoordeeld dat deze aftrek terecht was.

Het hof oordeelt verder dat in onderhavig geval geen sprake kan zijn van een principiële betwisting. De vraag of CVA **T. L.** bij de verwerving van het pand aan de …/… optrad als een beroepsoprichter betreft een feitenkwestie en liet de belastingplichtige niet toe de verschuldigde belasting, verbonden aan de daaropvolgende periodes, zoals die bleken uit de aangiftes niet te voldoen. Door de uit de aangiftes blijkende verschuldigde BTW niet te voldoen pleegde de belastingplichtige een inbreuk op haar fiscale verplichtingen, zodat de belastingverhogingen voor deze latere periodes principieel terecht werden opgelegd.

Het is de rechter toegelaten een sanctie die het karakter heeft van een strafsanctie inde zin van artikel 6 E.V.R.M. met volle rechtsmacht te toetsen. Dit impliceert dat de rechter de interne en externe wettigheid van de sanctie nagaat, en dus controleert of er geen sprake is van machtsoverschrijding of machtsafwending en of er geen inbreuk werd gemaakt op de algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel.

Samen met de administratie oordeelt het hof dat de belastingverhogingen, behalve de belastingverhoging van … EUR, verbonden aan de BTW-schuld R.C.I.V. nr. …, terecht werden gevestigd. Ze zijn evenredig met de gepleegde inbreuken en er is geen reden om ze te verminderen of kwijt te schelden.

2.2.6. Interesten

Appellante vraagt tevens kwijtschelding van de nalatigheidsinteresten maar motiveert niet waarom zij op een vrij stelling aanspraak kan maken. Ter zitting verklaart appellante niet langer aan te dringen op een kwijtschelding. De administratie stelt dan ook terecht dat niet tot een kwijtschelding kan worden overgegaan.

### *2.3. Rechtsplegingsvergoeding*

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient bepaald te worden overeenkomstig de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (BS 31 mei 2007), uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007.

Ze zijn het er ook over eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste fiscale schulden. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering.

Ze zijn het er tenslotte over eens dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in deze, gelet op de verschuldigde bedragen … EUR bedraagt.

Vermits elk van de partij en omtrent een onderscheiden onderdeel van de vordering in het ongelijk werden gesteld past het om de . rechtsplegingsvergoedil1g overeenkomstig artikel1017, laatste lid Ger. W. om te slaan.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in de hierna bepaalde mate en opnieuw recht doende,

Verklaart de vordering van CVA **T. L.** ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,

Verklaart het dwangbevel van 24 augustus 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard en betekend op dezelfde dag, van nul en generlei waarde voor wat de gevorderde BTW betreft en ontslaat CVA **T. L.** van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde proportionele boetes, interesten en kosten van betekening en uitvoering.

Veroordeelt de Belgische Staat tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en/of toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel, te vermeerderen met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW,

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, met name in de mate dat het de vorderingen van CVA **T. L.** voor het overige ontvankelijk doch ongegrond verklaart,

Slaat de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … EUR in eerste aanleg en … EUR in hoger beroep, om.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **DRIEENTWINTIG NOVEMBER TWEEHUIZENDENTIEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. D.** en **M. G.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V.L.** **M. G.** **M. D.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-reikwijdte-uitsluiting-hof-van-beroep-gent-2022-09-06-1075) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Overschrijding drempel IC-verwervingen, afstand van verlopen tijd van verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overschrijding-drempel-ic-verwervingen-afstand-cassatie-all-cassation-2022-11-25-125b) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek van de voorbelasting, Bewijslast, Diensten, Management-fees, Wederkerig contract](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-voorbelasting-bewijslast-diensten-management-rechtbank-2020-11-30-1f06) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Diensten, Vergoeding, Transfer voetbalspeler, Transfer trainer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/diensten-vergoeding-transfer-voetbalspeler-trainer-hof-van-beroep-gent-2021-09-21-25c3) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 1 gemeenschappelijke bepalingen
