---
title: "Vervolging, geding · Hof van beroep te Antwerpen, 4 mei 2010"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, administratieve geldboete. Hof van beroep te Antwerpen (België), 4 mei 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2010-05-04-56b3"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

4 mei 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

82 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 04.05.201

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : **2008/AR/2606**

**V. I. NV**, met zetel te …, …;

**appelIante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 april 2008;

vertegenwoordigd door Meester **W. H.** loco Meester **F. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

1\. **de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

2\. **de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie BTW, registratie en domeinen Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, gewezen op 28 april 2008, dat betekend werd op 19 september 2008; het origineel van de akte van betekening wordt voorgelegd. Tegen het vonnis van 28 april 2008 werd een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift in hoger beroep dat neergelegd werd ter griffie van dit Hof op 14 oktober 2008.

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies.

## 1. Feiten en voorafgaandelijke procedure

1.1. Appellante handelt in diamanten en is sinds 1 november 1996 voor deze activiteit geregistreerd als BTW-belastingplichtige (synthesebesluiten geïntimeerde, blz. 2).

1.2. Tot begin 2002 is appellante actief onder de rechtsvorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA)en onder de naam "**B.**". Samen met de heer **F. V.** richt de BVBA **B.** (thans NV **V. I.**) op 29 maart 2002 de NV **B.** op. De BVBA **B.** doet daarbij een inbreng in natura van activa (inclusief cliënteel) en passiva (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 5).

In het voorjaar van 2002 worden de rechtsvorm en de naam van de BVBA **B.** gewijzigd in de NV **V. I.**. Bij notariële akte van 15 november 2004 werd de NV **V. I.** (opnieuw) omgevormd tot de BVBA **V. I.**.

Op 5 juni 2002 heeft de NV **B.** haar naam gewijzigd in NV **G. G. I.**.

1.3. In 2002 werd de handelsactiviteit van de NV **V. I.** uitgeoefend voor rekening van de NV **G. G. I.**. Daarover bestaat geen betwisting (besluiten voor appellante, blz. 2, nr. 2; synthesebesluiten van geïntimeerde, blz. 2, nr. 3).

1.4. Op 1 februari 2004 wordt de NV **G. G. I.** failliet verklaard. In het kader van het faillissement wordt een strafrechtelijk onderzoek gestart. De boekhouding van de failliet verklaarde NV **G. G. I.** werd in opdracht van de curator, in bewaring gegeven aan de NV **H.** & Co.

Omdat appellante en de failliet verklaarde onderneming hun maatschappelijke zetel op hetzelfde adres hadden, is, volgens appellante, ook een deel van de boekhouding van NV **V. I.** meegenomen en opgeslagen bij de NV **H.** & Co.

1.5. Op 10 augustus 2004 heeft de fiscale administratie de boekhoudstukken die zich bevonden in de opslagruimte van de NV **H.** & Co ingezien.

Blijkens het achteraf door de fiscale administratie opgestelde proces-verbaal waren niet alle boekhoudstukken van het jaar 2002 aanwezig.

1.6. Op 30 juni 2005 werd een correctieopgave aangetekend verstuurd. Daarin werd aan appellante voorgesteld om akkoord te gaan met de terugbetaling van ten onrechte afgetrokken voorbelasting t.b.v. … EUR en met een verminderde geldboete van … EUR (bundel met stukken van geïntimeerde, stuk nr. 4)

1.7. Op 20 oktober 2005 werd door de bevoegde ambtenaren van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit een proces-verbaal opgesteld en verzonden aan appellante.

1.8. Bij gebrek aan reactie op het proces-verbaal werd op 29 november 2005 een dwangbevel uitgevaardigd door de bevoegde Eerstaanwezend Inspecteur, rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 1, dat op 1 december2005 door de Gewestelijk Directeur van de administratie van de BTW werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd betekend op 12 december 2005 en beveelt de betaling van … EUR, te vermeerderen met de boeten (… EUR), de interesten en de kosten van het exploot en de verzending.

Op 19 december 2005 werd lastens appellante op grond van het dwangbevel uitvoerend beslag op roerende goederen gelegd.

1.9. Appellante heeft vervolgens op 29 december 2005 een verzoekschrift neergelegd op de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen met verzoek om het dwangbevel onwettig te verklaren. In zijn vonnis van 28 april 2008 verklaarde de eerste rechter de vordering van appellante (toen eisende partij) toelaatbaar, maar slechts zeer ten dele gegrond. Enkel in de mate dat van appellante een boete werd geëist van meer dan 10 %, werd het dwangbevel onwettig verklaard. De eerste rechter veroordeelde eiseres (thans appellante) tot 9/10 de en verweerder (thans geïntimeerde) tot 1/10 de van de kosten die in hun geheel bepaald werden op … EUR "*bij wijze van rechtsplegingsvergoeding aan elke zijde*".

1.10. Op 14 oktober 2008 legde appellante op de griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen een verzoekschrift tot hoger beroep neer tegen het vonnis van 28 april 2008.

## 2. Standpunten van partijen

2.1. *Appellante*

(1) Appellante stelt vast dat de fiscale administratie een gedeelte van de BTW die zij als voorbelasting via haar aangiften in 2002 in rekening heeft gebracht, aanvaardt. Zij kan echter niet nagaan op welke transacties de BTW-aftrek wel is toegestaan en op welke transacties dat niet het geval is. Dat impliceert een schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Wegens de gebrekkige motivering eist appellante de vernietiging van het dwangbevel.

(2) Appellante erkent dat niet alle boekhoudstukken worden voorgelegd.

Zij wijst erop dat het lopend gerechtelijk onderzoek haar verhindert om inzage te nemen in de stukken die zich in de opslagruimte van de NV **H.** & Co bevinden. Zij wordt dus geconfronteerd met een toestand van overmacht.

(3) Appellante vraagt rekening te houden met de factuur die NV **G. I.** aan haar gericht heeft op 30 december 2002 voor een bedrag van … EUR, vermeerderd met een (voor appellante aftrekbare) BTW van … EUR. Zij vraagt het via het dwangbevel gevorderde bedrag te verminderen met de aldus gefactureerde BTW.

(4) Appellante wijst erop dat geïntimeerde voor de eerste rechter heeft erkend dat de opgelegde boete te hoog was omdat aanvankelijk een foute tabel van het K.B. nr. 41 was toegepast; de boete moest, zoals de rechter ook beslist heeft, herleid worden tot 10 %. Appellante stelt thans dat geen enkele boete verschuldigd is omdat de vordering van geïntimeerde ongegrond is en omdat de opgelegde (verminderde) boete onevenredig zwaar is.

(5) Appellante verzoekt het Hof het dwangbevel te vernietigen en geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen die toegerekend werden op de via het dwangbevel gevorderde sommen.

2.2. *Geïntimeerde*

(1) Geïntimeerde stelt dat het dwangbevel gesteund is op het proces-verbaal van 20 oktober 2005 en daarnaar ook verwijst. Bijgevolg is het dwangbevel voldoende gemotiveerd.

(2) Geïntimeerde wijst erop dat appellante de bewijslast draagt van de betaalde (aftrekbare) voorbelasting. Appellante toont niet aan dat ze inspanningen heeft gedaan om kopies van de ontvangen facturen te bekomen of om de in beslag genomen boekhoudstukken terug te krijgen.

(3) Met de factuur, uitgaande van de NV **G. G. I.** en de daarop aangetekende BTW kan geen rekening gehouden worden omdat de factuur formeel niet aan de voorschriften voldoet. Bovendien heeft de factuur betrekking op een transfert van geld, waarop in casu geen BTW verschuldigd is zodat er van aftrekbare BTW geen sprake kan zijn.

(4) Voor de eerste rechter heeft de fiscale administratie reeds erkend dat er een fout is gemaakt bij het opleggen van de boete. De fout is rechtgezet en de boete is conform de wettelijke bepalingen.

## 3. Bespreking

3.1. Over de motivering van het dwangbevel

Het dwangbevel dat krachtens artikel 85, § 1, eerste lid W.BTW wordt uitgevaardigd, is volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie een bestuurshandeling waarop de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van toepassing is. Bijgevolg is de administratie verplicht om de juridische en de feitelijke overwegingen te vermelden die de grondslag zijn van de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (Cass. 1 december 2005, T.F.R. 2006, afl. 307, 712, nr. 2006/76; [Cass. 20 maart 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebrek-voldoening-belasting-dwangbevel-motivering-cassatie-brussel-2008-03-20-03c4), R.W. 2009-2010, 1306, verkorte weergave). Omdat het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, moeten het belastbaar feit, het bedrag van de schuld en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk gemaakt worden. Om de belastingplichtige toe te laten zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie, is het volgens de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie *"noodzakelijk dat het proces-verbaal, als bijlage waarnaar het dwangbevel verwijst, mee betekend wordt"* ([Cass. 20 maart 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebrek-voldoening-belasting-dwangbevel-motivering-cassatie-brussel-2008-03-20-03c4), geciteerd).

In het concreet dossier dat voorligt, is het Hof van oordeel dat de fiscale administratie op een afdoende wijze het dwangbevel heeft gemotiveerd in het proces-verbaal dat samen met het dwangbevel werd betekend. In het proces-verbaal stelt de fiscale administratie :

\- dat appellante in 2002 via haar BTW-aangiften een aftrekbare voorbelasting van … EUR van de Staat heeft teruggevorderd;

\- dat de administratie zich soepel heeft opgesteld en de aftrek van een gedeelte van de BTW, met name … EUR, heeft aanvaard, hoewel geen regelmatige facturen werden voorgelegd;

\- dat zij meer bepaald de aftrek heeft aanvaard van de BTW, waarvan zij via haar interne informatie kon nagaan dat hij door de leveranciers van appellante aan de Schatkist was doorgestort;

\- dat zij ook de aftrek heeft aanvaard van de BTW die appellante heeft voldaan (en tegelijkertijd heeft teruggevorderd) in verband met de intracommunautaire verwervingen en werken in onroerende staat.

Het proces-verbaal vermeldt vervolgens dat er ten belope van het saldo, … EUR, geen bewijskrachtige documenten worden voorgelegd of in het bezit zijn van de fiscale administratie zodat appellante de afgetrokken voorbelasting ten belope van dat bedrag moet terugstorten. Hieruit blijkt dat het dwangbevel de BTW-belastingplichtige in staat stelt om het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de fiscale administratie te kennen. Van enige willekeur bij het vaststellen van het bedrag van de vordering is er geen sprake.

3.2. Over het recht op aftrek van de BTW

Krachtens artikel 45 W.BTW heeft de belastingplichtige het recht om van de belasting die hij aan de Schatkist verschuldigd is, de belasting af te trekken die geheven is van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij deze goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen of handelingen die opgesomd zijn in artikel 45, § 1, 2° tot 5° W.BTW.

Om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige op grond van het [artikel 3, § 1, van het K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969 in het bezit zijn van een factuur die is opgemaakt overeenkomstig de voorschriften van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 of een invoerdocument.

In het voorliggend dossier geeft appellante wel toe dat facturen en boekhoudstukken ontbreken maar wijt deze tekortkoming aan het feit dat de ontbrekende stukken zich bevinden in de lokalen van de NV **H.** & Co. Appellante stelt dat ze al het nodige zal doen om deze stukken voor te leggen zodra de fiscale administratie aanduidt welke stukken juist ontbreken.

Het Hof is van oordeel dat appellante met deze stellingname de bewijslast verlegt. Uit het artikel 45 W.BTW en het artikel 3 van het K.B.nr. 3 volgt duidelijk dat de belastingplichtige de bewijslast draagt dat hij recht heeft op de aftrek van de voorbelasting en dat hij over de nodige stukken beschikt om de aftrek waarop hij recht heeft, effectief te kunnen uitoefenen. De belastingplichtige hoeft daarbij niet te wachten totdat hij van de fiscale administratie de nodige instructies ontvangt om de nodige bewijzen voor te leggen.

Daarnaast merkt het Hof op dat appellante reeds in het verzoekschrift dat ze neerlegde op de Rechtbank van Eerste Aanleg, op 29 december 2005, zich ertoe verbond om de ontbrekende facturen en invoerdocumenten voor te leggen. Het Hof sluit zich aan bij de vaststelling van geïntimeerde dat appellante op geen enkele wijze aantoont dat ze enige moeite heeft gedaan om de stukken die zich volgens haar onterecht in de opslagplaatsen van de NV **H.** & Co bevinden, terug te krijgen. Appellante toont ook niet aan dat ze inspanningen heeft gedaan om aan haar leveranciers een kopie te vragen van de uitgereikte facturen, overeenkomstig de aanschrijving nr. 10 van 9 augustus 1974. Volgens het Hof kan appellante zich in casu niet beroepen op één of andere vorm van overmacht die het haar onmogelijk maakte om de ontbrekende stukken voor te leggen.

In verband met de factuur van 30 december 2002, uitgaande van de N.V. **G. G. I.** en gericht aan appellante, volgt het Hof de conclusie van geïntimeerde dat de daarin aangerekende BTW, ten belope van … EUR niet voor aftrek in aanmerking komt. Volgens het Hof is terzake niet voldaan aan de materiële voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op aftrek omdat appellante nalaat aan te tonen op welke belastbare handelingen de factuur betrekking heeft. De factuur vermeldt, zonder verder detail "doorfacturatie opbrengsten **V. I.** NV naar **G. I.** NV" gedurende de eerste 9 maanden van het jaar 2002. Er wordt niet aangetoond welke belastbare levering van goederen of welke dienstprestatie de grondslag vormt voor deze facturatie. Het Hof volgt de interpretatie van geïntimeerde die stelt dat het document betrekking heeft op het doorstorten van ontvangsten die appellante voor rekening van de NV **G. I.** heeft ontvangen.

Bovendien ontbreekt op de factuur een uitgaand factuurnummer zodat ook niet voldaan is aan de formele voorwaarden om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. De uitoefening van het recht op aftrek is namelijk afhankelijk van het bezit van een regelmatige factuur en om regelmatig te zijn moet de factuur het nummer vermelden waaronder ze is ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier of de dienstverrichter ([art. 5, § 1, 1° K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992).

3.3. Over de geldboete

Aanvankelijk werd aan appellante een geldboete opgelegd van … EUR. Zowel het proces-verbaal van 20 oktober 2005 als het op 1 december 2005 uitvoerbaar verklaarde dwangbevel verwijzen daarvoor naar artikel 70, § 1 W.BTW en naar artikel 84 W.BTW. Het artikel 70, § 1 W.BTW legt voor iedere overtreding van de verplichting om de belasting te voldoen een geldboete op gelijk aan het dubbel van het ontdoken recht of niet tijdig betaalde belasting. Op grond van artikel 84 W.BTW wordt het bedrag van de proportionele boeten vastgesteld volgens een door de Koning te bepalen schaal. De schaal voor de vermindering van de proportionele boeten maakt het voorwerp uit van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987. Uit het proces-verbaal van 20 oktober 2005 blijkt dat de fiscale administratie de verminderde boete had bepaald overeenkomstig tabel G, rubriek V van het genoemde K.B.nr. 41. Voor de eerste rechter heeft geïntimeerde erkend dat niet tabel G, maar wel tabel B van het K.B. nr. 41 van toepassing is zodat de proportionele geldboete beperkt wordt tot 10 % van de ten onrechte afgetrokken BTW.

Appellante stelt dat geïntimeerde op deze wijze de motivering van haar dwangbevel wijzigt of aanvult, wat niet toegelaten is, zodat de vernietiging van het dwangbevel zich opdringt.

Het Hof verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie : De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen noch enige andere wet staan eraan in de weg dat na het opstellen van een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert, ter ondersteuning van wat in het dwangbevel reeds is vermeld ([Cass. 20 maart 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebrek-voldoening-belasting-dwangbevel-motivering-cassatie-brussel-2008-03-20-03c4), R.W. 2009-2010, 1306, verkorte weergave; in dezelfde zin : cass. 1 december 2005, T.F.R. 2006, afl. 307, 712). In casu heeft de fiscale administratie niets gewijzigd aan de mededeling in het proces-verbaal en in het dwangbevel dat een boete wordt opgelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen terzake. De belastingplichtige heeft zich daartegen kunnen verweren en heeft dat ook gedaan. Voor de eerste rechter heeft geïntimeerde ingezien dat er bij de vaststelling van de boete een fout is gemaakt en heeft hij, in het belang van de belastingplichtige, de fout hersteld op grond van het juiste juridisch argument dat het opleggen van de boete verantwoordt.

Het Hof volgt verder de zienswijze van de eerste rechter dat de opgelegde boete van 10 % in overeenstemming is met de wettelijke en reglementaire voorschriften, en in evenredigheid is met de feitelijke gegevens. Er zijn geen redenen om de opgelegde boete verder te verminderen of kwijt te schelden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van de 4F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 28 april 2008.

Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding en neemt akte van het akkoord van partijen tijdens de terechtzitting van 9 november 2009, om de rechtsplegingsvergoeding per aanleg te bepalen op … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VIER MEI TWEEDUIZENDENTIEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**M. G.**, Raadsheer;

en **L. M.**, plaatsvervangend Raadsheer;

**A. V. L.**, Griffier.

**A.V. L.** **L. M.** **M. G.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafdossier, Inzage, Verjaring, Rechten van de verdediging, Aftrek, Neutraliteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafdossier-inzage-verjaring-rechten-verdediging-hof-van-beroep-luik-2020-04-24-5cae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, factuur, valse factuur, fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-factuur-fraude-rechtbank-luik-2019-12-16-60c7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-boete-btw-fiscale-hof-van-beroep-antwerpen-2021-01-19-8d4d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onnauwkeurige-onregelmatige-facturen-rechtbank-brussel-2023-06-09-982e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
