---
title: "Vervolging, geding · Hof van beroep te Antwerpen, 30 juni 2003"
description: "Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs. Hof van beroep te Antwerpen (België), 30 juni 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2003-06-30-757c"
lang: "nl"
---

# Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

30 juni 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

58 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 30.06.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

**EINDARREST – Dwangbevel**

Zitting van : **30/6/2003**

Inzake : **2001/AR/383**

**A. C.**, zelfstandig vleeshandelaar, HR te Tongeren Nr. …, wonende te …, …;

**appelIant,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 3 januari 2001;

vertegenwoordigd door Meester **W. D.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, wiens kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **P. B.** loco Meester **P. v. d. S.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 3 januari 2001 door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 februari 2001;

Gelet op het tussenarrest uitgesproken door deze Kamer op 18 maart 2003;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep

De heer **A. C.**, appellant, is een groothandelaar in vlees en in deze hoedanigheid als BTW-belastingplichtige onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Op 16 december 1986 werd door twee verificateurs bij de Administratie van de BTW een controle uitgevoerd in het **G. E.** van …. Bij vergelijking tussen de gewichten vermeld op de weegrol, en tevens ingeschreven in het register van de binnenkomende dieren, werd vastgesteld dat er op twee runderen, eigendom van appellant, een hoger gewicht stond geschreven dan aangegeven op de weegrol. Volgens het proces-verbaal van 16 december 1986 zou op de runderen een gewicht zijn aangegeven van 655 en 402 kg tegenover een gewicht op de weegrol van 355 en 302 kg. Vóór een herweging kon gebeuren waren de runderen evenwel reeds versneden en gedeeltelijk weggevoerd door appellant.

Een bijkomend onderzoek werd ingesteld en op 22 februari 1988 bood de heer **J. S.**, verificateur bij de Administratie van de BTW, zich aan bij de boekhouder van appellant, m.n. de heer **M. W.** te …, om er de boekhouding met betrekking tot de periode van 1 januari 1984 tot en met 31 december 1986 te controleren.

Hierbij zouden overtredingen zijn vastgesteld, bestaande in het niet aangeven, voor deze jaren, van bepaalde ontvangsten met betrekking tot de belastbare werkzaamheid en bijgevolg het niet afdragen aan de Schatkist van de over deze niet ·aangegeven ontvangsten verschuldigde BTW, het ten onrechte in aftrek brengen van BTW-bedragen die hiervoor niet in aanmerking komen en tevens het ten onrechte uitoefenen van een niet-bestaand recht op teruggaaf. Van één en ander werd proces-verbaal opgesteld op 28 oktober 19**93**, hetzij meer dan vijf jaar na het onderzoek.

Met het oog op het bekomen van de betaling der verschuldigde bedragen, vaardigde de met de invordering belaste ontvanger overeenkomstig [artikel 85 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85), op 17 november 1993 een dwangbevel uit, dat op 1 december 1993 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt. Dit dwangbevel, met bevel tot betaling, werd op 14 december 1993 bij exploot van gerechtsdeurwaarder **L. H.**, met standplaats te …, aan appellant betekend. Uit dit dwangbevel blijkt dat appellant een bedrag van 1.266.837 BEF als BTW verschuldigd is. Bovendien, is appellant een bedrag van 731.400 BEF als geldboete verschuldigd wegens het geheel der overtredingen (de artikelen 70, § 1, en § 1bis, van het BTW-Wetboek). Tevens is er van rechtswege een intrest verschuldigd van 0,8 % per maand over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1987 ([artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)), te verminderen met de intussen verrichte betalingen ten bedrage van 170.777 BEF. Daarenboven is er over het bedrag van de wettelijke geldboeten, vanaf de betekening van het dwangbevel, een moratoire intrest verschuldigd, tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de terzake geldende regelen ([artikel 91, § 4, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)).

Aangezien geen betaling kon worden bekomen van de aan de schatkist verschuldigde sommen, werd op 14 januari 1994, bij toepassing van het bepaalde in de artikelen 85, § 2, 2°, 86 en 88, W.BTW, hypothecaire inschrijving genomen op onroerende goederen van appellant. Bij gebrek aan voldoening der gevorderde bedragen, werd bij exploot van gerechtsdeurwaarder **L. H.** op 16 oktober 1995 overgegaan tot een herhaalde betekening van het dwangbevel.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder **P. W.**, met standplaats te Hasselt, tekende appellant op 20 oktober 1995 verzet aan tegen voormeld dwangbevel. Tevens werd de Belgische Staat gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt.

Bij vonnis van de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt uitgesproken op 3 januari 2001 werd het door appellant ingestelde verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelt vooreerst dat de materiële vaststellingen die zijn geschied door de controleambtenaren door hun opname ervan in het proces-verbaal van 28 oktober 1993 (in het vonnis verkeerdelijk gedagtekend op 28 oktober 1988) de in artikel 59, § 1, in fine W.BTW bepaalde bewijskracht tot bewijs van het tegendeel hebben en dat de bewijskracht van het proces-verbaal niet wordt aangetast door het feit dat het meer dan vijf jaar na de controle werd opgesteld, nu dat document enerzijds de weergave vormt van de optekeningen die de controleambtenaar had gedaan bij en naar aanleiding van de vroegere controle en anderzijds de mathematische gevolgtrekkingen weergeeft die dezelfde verbalisant verwerkte uit de opgetekende gegevens, Het bestreden vonnis verwerpt de grieven van appellant, die aan de controleambtenaar verwijt dat hij zich niet heeft vergewist omtrent de juiste werking van de weegapparatuur van het slachthuis en verder stelt dat de inschrijvingen in de registers der slachthuizen geen zekere en vaststaande gegevens zouden vormen, ter vaststelling door de verbalisant als loutere materiële gegevens. Van enige schending van de rechten van de verdediging kan evenmin sprake zijn, daar de controle ten kantore van de boekhouder is geschied, zodat hij de inhoud ervan moest kennen. De eerste rechter stelt verder vast dat het over de ganse controleperiode uitgebouwde feitelijke vermoeden gesteund is op precieze, concrete en gedetailleerd vastgestelde uitbatinggegevens in die ganse gecontroleerde periode, zodat geen (verboden) extrapolatie voorligt. De eerste rechter besluit dat het proces-verbaal van door de controleambtenaar vastgestelde vaststaande gegevens uitgaat en dat het op basis van verantwoorde mathematische berekeningen is gekomen tot het opgetekende resultaat aan omzetverhoging, zodat het de waarde heeft van een feitelijk vermoeden, dat door appellant niet wordt vervangen door een gefundeerd en positief tegenbewijs. Geen wettelijk beletsel verbood tenslotte de controleambtenaar bij de opbouw van zijn feitelijk vermoeden gebruik te maken van hem door de wetgever ter beschikking gestelde wettelijke deelvermoedens, wat niet leidde tot een verboden opeenstapeling van feitelijke vermoedens op feitelijke vermoedens. Het bedrag van de tot een som van 487.600 BEF herleide boete werd door appellant niet betwist en evenmin de daaropvolgende verhoging naar 731.400 BEF wegens het uitvaardigen van een dwangbevel. Het verzet wordt dienvolgens ongegrond verklaard.

Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 februari 2001.

In zijn akte van hoger beroep en in zijn op 4 september 2001 neergelegde besluiten betwist appellant de bewijswaarde van het proces-verbaal van 16 december 1986 en van het proces-verbaal van 28 oktober 1993, daar zij geen vaststellingen bevatten omtrent de werking van de weegapparatuur van het slachthuis. Hij stelt tevens dat vaststellingen van de verbaliserende ambtenaar, die vijf jaar later worden opgetekend geen betrekking meer hebben op zintuiglijke waarnemingen van feiten, maar eerder op herinneringen van deze waarnemingen. Appellant besluit dat zijn rechten van verdediging en dat de beginselen van behoorlijk bestuur hierdoor geschonden werden. Hij meent verder dat de vaststellingen gedaan in het slachthuis geen bekend feit vormen en werpt op dat het totaal verkoopbaar geslacht gewicht wordt afgeleid uit een bij vermoeden afgeleide rendementsverschil en een bij vermoeden bepaald vochtverlies van 3 %. De meeropbrengst wordt tenslotte vastgesteld door toepassing van een gemiddelde verkoopprijs. Dergelijke berekening komt volgens appellant neer op een toepassing van een verboden opeenstapeling van vermoedens. Appellant voert tenslotte aan dat de administratieve boete wegens gebrek aan motivering dient te worden vernietigd, minstens dient te worden kwijtgescholden of verminderd tot een bedrag van 245.000 BEF, en dat de automatische verhoging van de boete niet 50 % wegens uitvaardiging van een dwangbevel in strijd is met artikel 6 EVRM. Appellant besluit dan ook tot vernietiging van het bestreden vonnis en van het dwangbevel en in ondergeschikte orde tot vernietiging, kwijtschelding, minstens gevoelige vermindering van de opgelegde boete.

De Belgische Staat beaamt in zijn syntheseconclusie neergelegd op 18 oktober 2001 de redengeving van het bestreden vonnis. De Administratie is immers voortgegaan op vaststaande en verifieerbare gegevens dewelke integraal onder de controle van appellant tot stand zijn gekomen, zodat de vaststellingen in het proces-verbaal de gegrondheid van de vordering aantonen en is bewezen dat het bedrag van de in het dwangbevel gevorderde BTW wel degelijk en integraal verschuldigd is. Anderzijds dienen de administratieve geldboeten die van rechtswege worden opgelopen, zonder dat moet worden nagegaan of goede of kwade trouw aanwezig is, ingevolge materiële vergissing verminderd te worden tot een bedrag van 367.500 BEF. Enkel binnen deze perken is het hoger beroep gegrond.

Bij tussenarrest uitgesproken door deze Kamer op 18 maart 2003 werd opgeworpen dat vordering van appellant niet geheel duidelijk is, daar hij enerzijds de gedane vaststellingen uitdrukkelijk aanvecht en anderzijds de juistheid van een meeromzet (gedeeltelijk) zou erkennen. Anderzijds werd vastgesteld dat appellant niet al zijn stukken zou hebben neergelegd. De debatten werden dan ook heropend om aan appellant toe te laten de nodige toelichtingen te verstrekken en de ontbrekende stukken neer te leggen.

In zijn besluiten na tussen arrest neergelegd op 1 april 2003 wijst appellant erop dat uit blz. 13 van het proces-verbaal van 28 oktober 1993 blijkt dat het bedrag van 53.793 BEF, waarmee hij zich akkoord verklaart, verband houdt met de correctie van een aantal verrichte boekingen (ten onrechte uitgeoefend recht op teruggaaf ad 52.800 BEF en ten onrechte uitgeoefend recht op aftrek ad 993 BEF) en dat hieruit derhalve geen erkenning van de juistheid van de meeromzet mag worden afgeleid.

## 2. Ten aanzien van het recht

Overwegende dat door het Hof dient te worden vastgesteld dat uit de lezing van het beschikkend gedeelte van de door appellant op 4 september 2001 neergelegde conclusie geen erkenning van de juistheid van de meeromzet mag worden afgeleid; Dat de erkenning door appellant van de verschuldigdheid van een bedrag van 53.793 BEF immers betrekking heeft op correcties van foutief verrichte boekingen, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 28 oktober 1993, en niet op de vaststelling door de controleambtenaar van een meeromzet, die appellant nog steeds ten stelligste betwist;

Overwegende dat het dwangbevel, dat op 17 november 1993 tegen appellant is uitgevaardigd door de met de invordering van de BTW belaste ambtenaar, steunt op een proces-verbaal van 28 oktober 1993; Dat dit proces-verbaal betrekking heeft op een door de controleambtenaar op 22 februari 1988 verrichte onderzoek ten kantore van de boekhouder van appellant betreffende de beroepswerkzaamheden door appellant als belastingplichtige uitgeoefend in de periode van 1 januari 1984 tot en met 1986;

Overwegende dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 59, § 1, W.BTW, overtredingen van de bepalingen van het W.BTW of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën; Dat deze processen-verbaal bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen (artikel 59, § 1, tweede lid, W.BTW); Dat geen enkele bepaling van het W.BTW voorschrijft binnen welke termijn een proces-verbaal naar aanleiding van gedane vaststellingen moet worden opgemaakt en gebeurlijk aan de belastingplichtige ter kennis moet worden gebracht;

Overwegende dat door de Administratie geen enkele reden werd opgegeven voor het opstellen van het proces-verbaal meer dan vijf jaar na de gedane vaststellingen; Dat zelfs al is er hiervoor geen wettelijke termijn voorzien, dan nog moet uit het verlopen van een dergelijke lange termijn en gelet op de door de wet aan het proces-verbaal gehechte bewijswaarde een miskenning van het recht van verdediging van de belastingplichtige worden besloten; Dat de verdediging, inderdaad, door het laattijdig opmaken van het proces-verbaal na verloop van een redelijke termijn op ontoelaatbare wijze wordt bemoeilijkt; Dat de aanwezigheid van de gevolmachtigde van appellant ter gelegenheid van de door de controleambtenaar gedane onderzoeken geen voldoende waarborgen inhoudt, nu de bewijsvoering niet op dat ogenblik moet kunnen worden uitgeoefend, maar wel op het ogenblik van de heffing van de BTW wegens meeromzet en de oplegging van de administratieve boeten; Dat het door de belastingplichtige te leveren tegenbewijs bovendien niet gericht is tegen hetgeen men kan menen dat door de controleambtenaar materieel werd vastgesteld, maar wel tegen de materiële vaststellingen zoals door hem in het proces-verbaal wordt geacteerd; Dat uit het enkel feit dat de belastingplichtige zich in de procedure verweert niet mag worden afgeleid dat hij zijn rechten van verdediging volwaardig kan uitoefenen; Dat de Administratie tenslotte onbehoorlijk handelt, wanneer zij de belastingplichtige onredelijk lang in het ongewisse laat over de gevolgtrekkingen, die zij uit een onderzoek wenst af te leiden; Dat het proces-verbaal van 28 oktober 1993 derhalve nietig is en hieraan minstens geen bewijswaarde kan worden verleend; Dat, nu het bestreden dwangbevel op dit proces-verbaal steunt en geen andere bewijsmiddelen ter staving van de BTW-vordering worden aangevoerd, dit dwangbevel eveneens teniet moet worden gedaan; Dat het hoger beroep dan ook gegrond is;

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Recht doende op **tegenspraak**,

Het tussenarrest van 18 maart 2003 verder uitwerkend,

Gelet op artikel 24 van de wet van is juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw recht doende,

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de heer Ontvanger van het Ministerie van Financiën, Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt op 17 november 1993, waarbij ten laste van appellant door de Belgische Staat de betaling gevorderd wordt van de volgende sommen :

\- belasting over de toegevoegde waarde : 1.266.837 BEF (hoofdsom)

\- geldboete : 731.400 BEF

\- interesten vanaf 21 januari 1987 : p.m.,

ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt dit dwangbevel en zegt voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn (in de mate dat ze een bedrag van 1.333,49 EUR (53.793 BEF) overstijgen);

Verwijst geïntimeerde in de kosten van de procedure, begroot aan de zijde van appellant op vijftig euro en negenenzeventig cent (50,79 EUR) voor kosten akte van verzet, honderd negenenvijftig euro en negenentachtig cent (159,89 EUR) voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, en tweehonderd drieëntwintig euro en tien cent (223,10 EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **DERTIG JUNI TWEEDUIZENDENDRIE**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.**, Raadsheer;

**E. v. E.**, plaatsvervangend Raadsheer;

**A v. L.**, Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend Raadsheer **D. D. H.**, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door plaatsvervangend Raadsheer **E. V. E.** hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van **30 juni 2003**.

**A.V. L.** **E. V. E.** **S. B.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Wedersamenstelling van de omzet, Bewijs door vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzet-bewijs-vermoedens-geen-hof-van-beroep-brussel-2023-02-a664) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Projectontwikkeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-projectontwikkeling-kosten-hof-van-beroep-antwerpen-2026-01-06-088b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Personenwagen van het merk Lamborghini, Beroepsgebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-personenwagen-merk-lamborghini-rechtbank-brussel-2025-01-29-2c51) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Motivering dwangbevel, Nalatigheidsintresten, Betaling onder voorbehoud, Strafsanctie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-motivering-dwangbevel-hof-van-beroep-brussel-2024-04-24-660f) 2 gemeenschappelijke bepalingen
