---
title: "Vervolging, belastbaarheid · Hof van beroep te Antwerpen, 11 september 2012"
description: "Vervolging, belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, vrijstelling. Hof van beroep te Antwerpen (België), 11 september 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-belastbaarheid-werkingssfeer-levering-goederen-hof-van-beroep-antwerpen-2012-09-11-fab6"
lang: "nl"
---

# Vervolging, belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, vrijstelling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

11 september 2012

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 10 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 05.11.2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-antwerpen-2010-11-05-59ec)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 11.09.2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

127 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 11.09.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Antwerpen - zesde kamer burgerlijke zaken – terechtzitting van 11/09/2012**

**2011/AR/2484**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW­Ontvangkantoor te Antwerpen waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4

**eiser in hoger beroep,**

vertegenwoordigd door Mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat te …, …

tegen de vonnissen van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 05 november 2010 en 24 juni 2011

**tegen :**

**P.** NV, met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven onder het KBO-nummer …

**verweerster in hoger beroep,**

vertegenwoordigd door Mr. **H. J.** in eigen naam en loco Mr. **V. S.**, advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 5 november 2010 en van 24 juni 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 augustus 2011, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

### *1.1. Voorwerp van de betwisting*

De betwisting betreft de vraag naar het moment waarop het recht op aftrek ontstaat van de BTW, betaald naar aanleiding van de verkoop door NV **P.** als toevallige belastingplichtige van een appartement.

NV **P.** was eigenaar van een appartementsgebouw **'R. H.**', …, …. Het betrof een 'nieuw' gebouw in de zin van artikel 44, § 3, 1°, a) W.BTW.

Vermits NV **P.** geen beroepsoprichter was van gebouwen in de zin van artikel 12 W.BTW, diende zij bij de vervreemding van de appartementen de procedure te volgen van artikel 8 W.BTW en van K.B. nr. 14 van 3 juni 1970.

Zij diende met betrekking tot het gehele gebouw op 12 december 2006 een voorafgaande verklaring nr. 104 3 in, in de zin van [artikel 1 van K.B. nr.14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01), waarin zij ervoor opteerde om de appartementen van het gebouw te verkopen onder het stelsel van de BTW (stuk 5 Belgische Staat).

### *1.2. Verkoop, proces-verbaal dwangbevel*

Bij authentieke akte van 15 december 2006 verkocht NV **P.** een deel van het gebouw, met name de volle eigendom van een appartement, nr. A4/8.04, met autostaanplaats nr. 54 en bergruimte nr. 42 voor een prijs, exclusief het grondaandeel van … EUR.

Op 30 november 2009 stelde **G. O.** van de BTW-administratie een proces verbaal op (stuk 2 Belgische Staat). Hij stelde vast dat er niet binnen de maand nadat de BTW verschuldigd was geworden over de volledige maatstaf een aangifte was ingediend. De verschuldigde BTW werd binnen die termijn evenmin voldaan.

De ambtenaar stelde dat aldus over de betrokken verkoopprijs van het appartement (… EUR) BTW verschuldigd was voor een bedrag van … EUR.

De ambtenaar stelde dat van de verschuldigde BTW in aftrek kon worden gebracht, de BTW, geheven van de handelingen die strekten of bijdroegen, naar gelang het geval, tot de oprichting of de verkrijging van het gebouw dat werd vervreemd of waarop het zakelijk recht werd gevestigd, evenals de BTW geheven van de handelingen die rechtstreeks tot doel hadden het gebouw te vervreemden of het met het zakelijk recht te bezwaren.

Om dit echt op aftrek uit te oefenen diende de belastingplichtige volgens de ambtenaar in het bezit te zijn van de in [artikel 3 van K.B. nr.3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) bedoel e stukken en facturen. De ambtenaar stelde evenwel vast dat die niet werden voorgelegd.

Aldus was volgens de heer Olieslagers verschuldigd :

\- als BTW : … EUR;

\- als geldboete : krachtens artikel 70, § 1 W.BTW het dubbele van de verschuldigde BTW, verminderd overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, V van de bijlage van K.B. nr. 41 tot 20 % van … EUR, en afgerond tot … EUR;

\- de interesten over … EUR vanaf 15 januari 2007.

Op 1 december 2009 werd een dwangbevel uitgevaardigd, op 4 december 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 1 Belgische Staat)., Dit dwangbevel werd aan de belastingplichtige betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 17 december 2009 (stuk 3 Belgische Staat).

### *1.3. Procedure voor de eerste rechter*

De belastingplichtige tekende tegen dit dwangbevel verzet aan. De vennootschap legde daartoe een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 29 april 2010.

Bij tussenvonnis van 5 november 2010 besliste de eerste rechter vooreerst dat de vordering ontvankelijk was en dat het betrokken BTW­controle kantoor territoriaal bevoegd was om de controle uit te voeren.

De eerste rechter oordeelde verder dat 15 december 2006, met name de datum van het verlijden van de authentieke akte, te beschouwen was als belastbaar feit. Binnen de maand daarop volgend, en dus uiterlijk op 14 januari 2007, diende de belastingplichtige bijgevolg een aangifte in te dienen en de belasting te voldoen. De eerste rechter stelde vast dat de aangifte pas werd ingediend op 6 januari 2010.

De eerste rechter oordeelde evenwel dat uit het loutere feit dat de aangifte laattijdig werd ingediend, niet volgde dat de belastingplichtige haar recht op aftrek niet meer kon uitoefenen.

Dit recht op aftrek ontstond volgens de eerste rechter krachtens [artikel 4 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) op het moment waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd werd. De eerste rechter stelt dit moment vast op 14 januari 2007.

Volgens de eerste rechter kon krachtens [artikel 5 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar, volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich voordeed, teruggave gevraagd worden van de BTW die niet in aftrek kon worden gebracht op het tijdstip van de aangifte :

> *"Zoals hoger vermeld heeft de oorzaak van de teruggaaf zich voorgedaan op 14 januari 2007 zodat eiseres haar recht op aftrek kon uitoefenen tot en met 31 december 2010, hetgeen zij deed met haar laattijdige aangifte op 6 januari 2010, zelfs wanneer deze aangifte vormgebreken zou vertonen en met haar inleidend verzoekschrift op 29 april 2010"*.

De eerste rechter stelde evenwel vast dat de belastingplichtige de vereiste stavingstukken niet voorlegde en heropende met het oog hierop de debatten, met bevel om in toepassing van de artikelen 877 en volgende Ger.W. de bedoelde stukken bij het dossier te voegen.

In zijn eindvonnis van 24 juni 2011, na het neerleggen van de stukken, stelde de eerste rechter vast dat een aantal aankoopfacturen geen betrekking had op het verkochte appartement en dat een aantal slechts voor een gedeelte betrekking had op dit appartement. De eerste rechter oordeelde bijgevolg dat de aftrekbare BTW slechts … EUR bedroeg.

De vordering van de belastingplichtige werd toelaatbaar verklaard en gegrond in die zin dat het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde werd verklaard in de mate dat geen rekening gehouden werd met de aftrekbare BTW ten bedrage van … EUR. De herberekening van het dwangbevel werd bevolen en de Belgische Staat werd veroordeeld tot teruggave van de als gevolg hiervan geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.

NV **P.** werd veroordeeld tot de kosten van het geding, door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR.

### *1.4. Procedure voor het hof van beroep*

De Belgische Staat legde een verzoekschrift hoger beroep neer en vordert voor het hof van beroep om het tussenvonnis van 5 november 2010 en het eindvonnis van 24 juni 2011 te vernietigen en om, opnieuw rechtdoende, het verzet van NV **P.** tegen het dwangbevel als ongegrond af te wijzen.

De Belgische Staat vordert verder om het incidenteel beroep van de belastingplichtige ongegrond te verklaren en om de vennootschap te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, telkens begroot op … EUR.

De belastingplichtige, thans verweerder in hoger beroep, vordert om het door de Belgische Staat ingestelde hoger beroep ontvankelijk en ongegrond te verklaren.

De belastingplichtige stelt tevens incidenteel beroep in en vordert om te zeggen voor recht dat NV **P.** wel degelijk voldoende bewijsstukken heeft voorgelegd die de omvang van het recht op aftrek aantonen en dat de van NV **P.** gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn in de mate dat de administratie in haar vordering, geen rekening wil houden met de aftrekbare BTW, begroot op … EUR, en dus in dezelfde mate de vordering van de administratie te verminderen waardoor slechts … EUR als verschuldigd BTW-saldo rest.

De belastingplichtige vordert tenslotte om te zeggen voor recht dat de vordering in geld waardeerbaar is en om de Belgische Staat aldus te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van … EUR en in hoger beroep van … EUR. De vennootschap vordert om, voor zover als nodig de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten en de aan NV **P.** aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.

## 2. Bespreking

### *2.1. NV P. als toevallige belastingplichtige*

Overeenkomstig artikel 44, § 3, 1° W.BTW is de levering van een uit zijn aard onroerend goed in principe van de belasting vrijgesteld. Evenwel :

> *"wordt evenwel uitgesloten de levering van een gebouw, wanneer ze wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw door :*
>
> *(...)*
>
> *een belastingplichtige waarvan de economische activiteit niet bestaat in de geregelde verkoop van gebouwen met voldoening van de belasting, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het gebouw dat hij heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen, te vervreemden met voldoening van de belasting."*

Overeenkomstig artikel 8 W.BTW heeft ook eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een gebouw heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met voldoening van de belasting en het vóór, tijdens of na de oprichting, doch uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw, onder bezwarende titel geheel of ten dele vervreemdt, ten aanzien van die vervreemding de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting.

Overeenkomstig [artikel 1 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemding van gebouwen, de vestiging van een zakelijk recht op een gebouw en de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje of b, tweede streepje van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna K.B. nr. 14), heeft eenieder die een handeling verricht bedoeld in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje W.BTW onder de daarin gestelde omstandigheden, ten aanzien van die handeling de hoedanigheid van belastingplichtige, op voorwaarde dat hij :

1° vooraleer de overeenkomst met betrekking tot die handeling wordt gesloten, bij het controlekantoor van de BTW waaronder hij ressorteert, een verklaring in tweevoud indient waarin hij zijn bedoeling uitdrukt een gebouw te vervreemden, een zakelijk recht op een gebouw te vestigen, een dergelijk recht over te dragen of weder over te dragen met voldoening van de belasting;

2° de medecontractant op de hoogte brengt van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting, door middel van een vermelding in de eerste akte die tussen hen titel vormt van de vervreemding, de vestiging van een zakelijk recht op een gebouw of de overdracht of wederoverdracht van een dergelijk zakelijk recht.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat NV **P.** een toevallige belastingplichtige is in de zin van artikel 8 of 44, § 3, 1° W.BTW. Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat de vennootschap de kennisgeving, vereist in [artikel 1 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) heeft verricht.

NV **P.** kon het appartement dat bij notariële akte van 15 december 2006 werd verkocht aldus vervreemden met toepassing van de BTW.

### *2.2. Tijdstip waarop de BTW verschuldigd wordt*

Overeenkomstig [artikel 2 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) moet de toevallige belastingplichtige, met het oog op de voldoening van de door hem verschuldigde belasting, voor iedere vervreemding van een gebouw, iedere vestiging van een zakelijk recht op een gebouw en iedere overdracht of wederoverdracht van dergelijk recht, bij het controle kantoor van de BTW waaronder hij ressorteert een aangifte in drievoud indienen.

De verplichting tot indienen van de in het eerste lid van artikel 2 bedoelde aangifte ontstaat op het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt. Aan die verplichting moet worden voldaan binnen een maand vanaf dat tijdstip (artikel 2, tweed lid K.B. nr. 14).

De belasting moet overeenkomstig [artikel 2, derde lid van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) worden voldaan binnen de termijn die gesteld is voor het indienen van de aangifte.

Er bestaat in onderhavig geval geen betwisting over het feit dat de verschuldigdheid van de belasting over de volledige maatstaf van heffing bij de verkoop van appartement nr. … met autostaanplaats nr. … en bergruimte nr. … is ontstaan op 15 december 2006, hetzij op het moment van het verlijden van de authentieke akte, waarbij de volle eigendom van dit appartement werd overgedragen voor de prijs van … EUR, exclusief grondaandeel.

De aangifte diende aldus te worden ingediend en de BTW diende te worden betaald, uiterlijk binnen de maand vanaf dat tijdstip, hetzij uiterlijk 14 januari 2007.

### *2.3. Ontstaan van het recht op aftrek en teruggaaf*

#### 2.3.1. Toepasselijke wetgeving

[Artikel 4, eerste lid van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) luidt als volgt :

> *"De in artikel 1 bedoelde belastingplichtige die een in artikel 8, § 1, of 44, § 3, 1°, a, tweede streepje, van het Wetboek, bedoeld gebouw vervreemdt (…), kan van de ter zake van die handeling verschuldigde belasting in aftrek brengen de belasting geheven van de handelingen die strekken en bijdragen naar gelang van het geval, tot de oprichting of de verkrijging van het gebouw dat wordt vervreemd (…), evenals de belasting geheven van de handelingen die rechtstreeks tot doel hebben het gebouw te vervreemden of het met het zakelijk recht te bezwaren.”*

Het derde lid van [artikel 4 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) luidt als volgt :

> *"Ten aanzien van de belasting die betaald of verschuldigd is vóór het in artikel 2, tweede lid, bepaalde tijdstip, ontstaat het recht op aftrek, in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 1 december 1969, eerst op dat tijdstip"*.

Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige, op het tijdstip waarop hij de in artikel 2 bedoelde aangifte indient, in het bezit zijn van de in [artikel 3 van K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969, bedoelde facturen of stukken ([artikel 4, laatste lid K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4)).

[Artikel 5 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) luidt als volgt :

*"§ 1 De belastingplichtige oefent zijn recht op aftrek uit door op het totaalbedrag van de door hem verschuldigde belasting, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek is ontstaan op het tijdstip van indiening van de in artikel 2 bedoelde aangifte.*

*Wanneer volgens de gegevens van die aangifte het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag aan de belastingplichtige teruggegeven overeenkomstig* [*artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 4*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-12-2329) *van 29 december 1969. De aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf.*

*§ 2 Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is niet vervuld zijn op het tijdstip van indiening van de in artikel 2 bedoelde aangifte en, in het biezonder, wanneer niet is voldaan aan de door artikel 4, vierde lid gestelde voorwaarden, kan van de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht teruggaaf worden verkregen vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aftrekbare belasting die verschuldigd is geworden na de indiening van de in artikel 2 bedoelde aangifte.*

*Om de in deze paragraaf bedoelde teruggaaf te verkrijgen moet de belastingplichtige een aanvraag indienen bij het controlekantoor waaronder hij ressorteert.*

*De teruggaaf vindt plaats overeenkomstig* [*artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 4*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-12-2329) *van 29 december 1969.*

*De Minister van Financiën bepaalt welke stukken de belastingplichtige moet overleggen.”*

#### 2.3.2. Argumenten van partijen

De administratie stelt dat het recht op aftrek van de voorbelasting ontstond op het ogenblik dat de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd werd,·dus op 15 december 2006. Het recht op aftrek kon slechts worden uitgeoefend tot uiterlijk bij het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat dit tijdstip, met als gevolg dat het recht om aftrek uit te oefenen definitief verviel op 31 december 2009. De aangifte, ingediend op 6 januari 2010 was bijgevolg laattijdig, zodat geen recht op aftrek meer kon worden uitgeoefend.

Volgen de administratie is [artikel 5, § 2 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) in deze niet van toepassing, vermits de facturen die recht gaven op aftrek reeds van bij de aanvang konden worden voorgelegd.

De belastingplichtige stelt dat het recht op aftrek van de voorbelasting de concretisering uitmaakt van één van de basisbeginselen van het BTW­stelsel, met name het neutraliteitsprincipe. Gelet op dit beginsel dient elke beperking van het recht op aftrek op strikte wijze te worden toegepast.

Gelet op dit beginsel ontstaat het recht op aftrek bij een toevallige belastingplichtige volgens de vennootschap niet op het moment waarop de BTW verschuldigd wordt (15 december 2006). Volgens de vennootschap geldt voor toevallige belastingplichtigen een afwijkend regime, vastgelegd in K.B. nr. 14. De belastingplichtige verwijst in dit verband meer bepaald naar [artikel 4, derde lid van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4), naar het feit dat de BTW pas opeisbaar wordt indien de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt ([artikel 2, tweede lid van K.B. nr.14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e)) en naar artikel 5 § 1, eerste lid van dit K.B. Volgens de belastingplichtige kan het recht op aftrek door een toevallige belastingplichtige slechts worden uitgeoefend in een bijzondere aangifte die na de vervreemding moet worden ingediend.

De belastingplichtige stelt in ondergeschikte orde dat, indien het recht op aftrek niet ontstaat op het moment waarop de bijzondere BTW-aangifte werd ingediend, de termijn waarbinnen een recht op aftrek of een vordering tot teruggave kan worden ingesteld, slechts een aanvang kan nemen bij het verstrijken van de maand waarbinnen de bijzondere aangifte had moeten worden ingediend.

De belastingplichtige verwijst in dit verband uitdrukkelijk naar de beslissing van de administratie van 2 september 1997 nr. E.T.87901, neergelegd als stuk 8.

#### 2.3.3. Beoordeling

• Het recht op aftrek

Het recht op aftrek ontstaat in de regel op het ogenblik waarop de BTW opeisbaar wordt ([artikel 2 van K.B. nr.3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art2)).

Het hof oordeelt dat in K.B. nr. 14 niet wordt afgeweken van deze regel, tenzij In de hypothese dat de belasting betaald of verschuldigd is vóór het in artikel 2, tweede lid, bepaalde tijdstip.

Daar waar volgens de algemene regeling in dat geval de BTW reeds gedeeltelijk opeisbaar wordt op het moment van eerdere facturatie of betaling, zal ingevolge [artikel 4, derde lid van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) toch gewacht worden tot op het moment waarop de volledige maatstaf van heffing voorhanden is.

In onderhavig geval dient te worden geoordeeld dat de BTW niet betaald of verschuldigd is geworden, op voormeld tijdstip, met name vóór 15 december 2006. De BTW werd op dat moment slechts opeisbaar, met als gevolg dat het recht op aftrek eveneens op dat moment ontstond.

Er is geen enkele wettelijke bepaling die het ontstaan van het recht op aftrek situeert op het moment van het verstrijken van de aangiftetermijn. Integendeel, uit [artikel 5, § 1 van K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) volgt dat het recht van aftrek dient te worden uitgeoefend in de aangifte zelf. [Artikel 5, § 2 K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) betreft het recht op teruggaaf, niet het recht op aftrek (zie verder).

Voor zover de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek is onderworpen, niet tijdig werden vervuld, dient aldus de algemene regel van [artikel 4, tweede lid van K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art4) (K.B. van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde) te worden toegepast. Volgens deze bepaling wordt het recht op aftrek in dergelijk geval uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af trekken belasting opeisbaar is geworden. Vermits de belasting in onderhavig geval opeisbaar werd op 15 december 2006, verstreek deze termijn voor het uitoefenen van het recht op aftrek op 31 december 2009.

Het neutraliteitsprincipe wordt hierdoor geenszins geschonden. Ingevolge dit beginsel, moet het recht op aftrek of teruggave kunnen worden uitgeoefend, van zodra de BTW verschuldigd wordt en dient enkel het saldo te worden betaald. Dit neutraliteitsprincipe en dus de mogelijkheid om in de aangifte op het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek is ontstaan wordt uitdrukkelijk bevestigd in [artikel 5, § 1 van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5).

Samen met de administratie stelt het ho vast dat aan de belastingplichtige de gelegenheid werd geboden om haar recht op aftrek alsnog uit te oefenen. De belastingplichtige werd immers tot tweemaal toe aangemaand om een aangifte in te dienen (stuk 6 administratie).

Ten overvloede kan worden opgemerkt dat de facturen, waarvan de belastingplichtige de BTW wil aftrekken allen dateren van voor het verlijden van de authentieke akte (zie stukken 10 tot en met 103 belastingplichtige). Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek niet kon uitoefenen van zodra de volledige maatstaf van heffing gekend was, in onderhavig geval op het moment van het verlijden van de authentieke akte op 15 december 2006. Het feit dat de belastingplichtige een maand de tijd krijgt om een aangifte in te dienen en de belasting te voldoen vanaf 15 december 2006, neemt niet weg dat zijn aangifteplicht, zijn betalingsplicht en zijn recht op aftrek begint te lopen op het moment van het verlijden van de authentieke akte.

• Recht op teruggaaf

Artikel 76, § 2 W.BTW biedt de mogelijkheid om bij wege van teruggaaf het recht op aftrek uit te oefenen, wat onder meer het geval is voor toevallige belastingplichtigen (J. HEIRMAN, 'Belasting over toegevoegde waarde (BTW)', in *Tiberghien*, *Handboek voor fiscaal recht* 2011-2012, A. TIBERGHIEN, Kluwer, Mechelen, 2011, p. 1268, nr. 5703).

De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet ([artikel 3 van K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art3) van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde).

Overeenkomstig [artikel 5, § 2 van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) kan van de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht teruggaaf worden verkregen vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

Het komt er dus op aan te weten of deze bepaling in onderhavig geval kan worden toegepast en meer bepaald of er zich in deze een oorzaak van teruggaaf heeft voorgedaan in de zin van artikel 5, § 2 van K. B. nr. 14.

In deze ontkent de belastingplichtige niet dat de BTW opeisbaar werd op het moment van het verlijden van de authentieke akte van 15 december 2006. Ook blijkt uit de stukken van de belastingplichtige dat de facturen, die volgens de vennootschap recht gaven op aftrek op dat moment reeds voorhanden waren. De administratie stelt in deze terecht dat slechts teruggaaf van de belasting kan worden gevraagd van de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht op het moment dat de aangifte diende te worpen ingediend. Dit blijkt uit de letterlijke tekst van [artikel 5, § 2 van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) : *"Wanneer de formaliteiten (...) niet vervuld zijn (...), kan van de* *belasting die niet in aftrek kon worden gebracht* *teruggaaf worden verkregen (...)"* (onderlijning door het hof).

Het hof oordeelt dan ook, samen met de administratie, dat er niet aangetoond werd dat er voorbelastingen voorhanden zijn, die niet in aftrek konden worden gebracht. In die zin kan [artikel 5, § 2 van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) van ook niet worden toegepast.

Enkel nog ten overvloede merkt het hof op dat de beslissing van 2 september 1997 nr. E.T.87901 (stuk 8 belastingplichtige) in deze niet relevant is.

Ten eerste betreft zij een andere hypothese, met name de navordering of teruggaaf van de BTW ingevolge de aanpassing van de verkoopprijs indien de prijs niet overeenstemt met de verkoopwaarde.

Ten tweede is deze beslissing achterhaald door de wijziging van [artikel 3 van K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art3) door het K.B. van 1 september 2004 (B.S. 10 september 2004), van toepassing met ingang van 20 september 2004. Als gevolg van deze wijziging werd het tweede lid van [artikel 3 van K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art3) weggelaten en luidde dit artikel : *"De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet"*. De latere toevoegingen aan [artikel 3 van K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art3) hebben betrekking op de gevallen waarin er sprake is van een faillissement of een gerechtelijke reorganisatie, hypotheses die in deze niet relevant zijn.

De administratie stelt bovendien terecht dat de verjaringstermijnen op het vlak van de BTW sinds de beslissing van 2 december 1997 zijn gewijzigd.

### *2.4. Incidenteel beroep*

Vermits hierboven werd geoordeeld dat er geen recht op aftrek meer bestond en dat er geen recht op teruggaaf meer kon worden uitgeoefend, oordeelt het hof dat geen verder onderzoek meer moet worden verricht met betrekking tot de omvang van dat recht.

Verder stelt het hof vast dat de Belgische Staat als eiser in hoger beroep slechts een rechtsplegingsvergoeding vordert van … EUR per aanleg. Vermits de Belgische Staat in deze in het gelijk werd gesteld, hoeft ook de vordering van de belastingplichtige terzake niet verder te worden onderzocht en kan de vordering terzake van de Belgische Staat worden toegekend.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar en gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de NV **P.** toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof hervormt het beroepen vonnis van 5 november 2010 en dat van 24 juni 2011.

Het hof verklaart het verzet van NV **P.** tegen het dwangbevel van 1 december 2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 december 2009 en aan de NV **P.** betekend op 17 december 2009 toelaatbar doch ongegrond.

Het Hof veroordeelt NV **P.** tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 11 september 2012 door :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter

**S. B.**, Raadsheer

**L. M.**, Raadsheer

**L. K.**, Griffier.

**L. K.** **M. G.** **D. B.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

9

[KB nr. 14 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4) 9 voorkomens

[KB nr. 14 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4) 6 voorkomens

[KB nr. 4 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 4 voorkomens

[KB nr. 14 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) 3 voorkomens

[KB nr. 14 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) 3 voorkomens

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 12](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-12-2329) 2 voorkomens

[KB nr. 3 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Toevallige belastingplichtige, Geldboete, Intresten, Aangifte, fiscale boete, Btw-aangifte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplichtige-geldboete-intresten-aangifte-hof-van-beroep-brussel-2021-09-08-56c5) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-hof-van-beroep-gent-2013-04-30-03ad) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, andere vrijstelling, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-voldoening-belasting-rechtbank-gent-2009-02-16-73dd) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, werkingssfeer, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-werkingssfeer-levering-hof-van-beroep-antwerpen-2010-03-16-af0a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Toevallige belastingplichtige, Recht op aftrek, Onregelmatige factuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplichtige-recht-aftrek-onregelmatige-hof-van-beroep-brussel-2016-09-14-ff58) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Materiële voorwaarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd) 1 gemeenschappelijke bepalingen
