Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 27.06.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgende vonnis verleend
In de zaak 11/320/A Rep.nr. 2012/7640
NV W. L., met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …,
eiseres,
voor wie is opgetreden meester F. D. L. en meester T. L., beiden advocaat, met kantoor te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het 1ste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoor gevestigd is te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
voor wie is opgetreden de heer S. E., inspecteur bij een fiscaal bestuur.
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het geding inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie dezer rechtbank de dato 26 januari 2011.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting de dato 30 mei 2012.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres bezit wegens de uitoefening van haar activiteit van verhuur en leasing in auto's de hoedanigheid van BTW-belastingsplichtige conform artikel 4, § 1 W.BTW. Zij werd als dusdanig geregistreerd onder het BTW-registratienummer BE … sedert 1 februari 1984.
Op 22 oktober 2009 werd door een ambtenaar van de FOD Financiën, Administratie van de Ondernemingen en Inkomensfiscaliteit, sector BTW controlecentrum Kortrijk een toezicht aangevat inzake de toepassing voor eiseres van de BTW-wetgeving en -reglementering over de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2005.
Naar aanleiding van deze controle werd door verweerder op 11 mei 2010 door de controlerende ambtenaar een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd, dit daar geen minnelijk akkoord kon bereikt worden.
Op 16 juni 2010 ging eiseres over tot betaling onder alle voorbehoud van de gevorderde bedragen.
Op 26 januari 2011 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank neer.
2.2. Eiseres vraagt dat : de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dienvolgens gezegd wordt voor recht dat de betwiste BTW, boeten en intresten ongegrond werden geheven en de taxatie integraal ontlast wordt minstens de verjaring ervan vastgesteld wordt en verweerder veroordeeld wordt tot teruggave van de door eiseres onder voorbehoud betaalde BTW eer de wettelijke intresten vanaf de datum van aanmaning en verweerder veroordeeld wordt tot teruggave van de integraal betaalde boete ad. … euro meer de wettelijke intresten vanaf de datum van aanmaning, verweerder te veroordelen tot teruggave van de aangerekende intresten meer de wettelijke intrest vanaf de datum van aanmaning, subsidiair de boete kwijt te schelden, minstens te herleiden; te bevelen dat een integrale kopie van het proces-verbaal van 27 augustus 2007 en bijlagen bij het dossier worden gevoegd en verweerder te veroordelen tot de gedingkosten begroot op een rechtsplegingsvergoeding van … euro.
2.3. Verweerder vraagt dat : de vordering ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen middelen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Eiseres voert aan dat de BTW-administratie geen toepassing kon maken van de verlengde aanslagtermijn van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW noch van de verlengde aanslagtermijn voorzien in artikel 81bis, 61, tweede lid, 2° W.BTW, nu zij door het stellen van bijkomende onderzoeksverrichtingen (het controletoezicht op 22 november 2009) zelf heeft aangegeven dat de rechtsvordering waarop zij zich steunt op zichzelf niet aantoont dat door eiseres ten onrechte belasting in aftrek zou zijn gebracht, zodat de BTW-vordering verjaard is.
3.2.2. Verweerder liet bij kennisgeving de dato 22 oktober 2009 aan eiseres weten toepassing te willen maken op grond van artikel 81bis W.BTW van de zevenjarige verjaringstermijn.
In voormelde kennisgeving wordt verwezen naar drie gerechtsdossiers met notitienummers AN.21.98.2848/06, AN.21.F1.1336-07 en AN.20.F1.616-07.
In deze kennisgeving wordt verwezen naar artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW.
In het proces-verbaal de dato 11 mei 2010 alsmede in haar syntheseconclusie stelt de BTW-administratie dat de rechtsgrond waarop verjaringstermijn werd verlengd de toepassing betreft van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 2° W.BTW, met name omdat een rechtsvordering aantoonde dat in België belastbare handelingen niet werden aangegeven of belasting aftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn.
3.2.3. Indien de BTW-administratie wil terugvallen op de bijzondere zevenjarige verjaringstermijn omdat 'een rechtsvordering' aantoont dat bv. belastbare handelingen niet werden aangegeven vereist de zevenjarige verjaringstermijn dat de belastbare handelingen of onterechte aftrekken door de rechtsvordering zelf worden aangetoond.
Het feit dat de administratie na inzage van het gerechtsdossier nog een onderzoek uitvoerde alvorens de rechtzetting te kunnen uitvoeren, wijst erop dat het gerechtsdossier op zich geen belastbare handelingen of onterechte belastingaftrekken aantoont (Brussel 19 mei 2001, Fiscoloog nr. 1253, p. 1).
In casu werd door de BTW-administratie na de inzage van het gerechtsdossier nog een controletoezicht gehouden bij eiseres op 22 oktober 2009.
In het proces-verbaal de dato 11 mei 2010 wordt trouwens uitdrukkelijk verwezen naar de hogervermelde uitgevoerde controleverrichtingen bij eiseres, controleverrichtingen die plaats gevonden hebben nadat inzage werd genomen van het gerechtsdossier (stuk 1 bundel eiseres).
Dit wijst erop, zoals het Hof van Beroep te Brussel in het voormeld arrest van 19 mei 2011 statueerde dat het gerechtsdossier op zich geen belastbare handelingen of onterechte belastingaftrekken aantoont.
De BTW-administratie heeft aldus in casu artikel 81bis, § 1, eerste lid, 2° W.BTW geschonden.
3.2.4. Zelf mocht aangenomen worden dat de BTW-administratie zich zou gesteund hebben op artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW voor de verlenging van de verjaringstermijn, vindt deze bijzondere verjaringstermijn geen toepassing.
De administratie kan steeds een onderzoek uitoefenen binnen de bewaringstermijn van zeven jaar, met dien verstande evenwel dat wanneer werkelijk een onderzoek in het kader van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW wordt gevoerd, de onderzoekingen gedurende het vierde tot het zevende jaar slechts tot doel kunnen hebben het bewijs van fraude in hoofde van de BTW-plichtige te kunnen aantonen.
Behoudens de mogelijke toepassing van de verlengde verjaringstermijn op grond van een andere bepaling moeten in dergelijk geval de overtredingen die niet aan de karakteristieken van fraude beantwoorden, immers geacht worden te zijn verjaard.
Eiseres laat gelden dat in het proces-verbaal van 11 mei 2010 het bedrieglijk opzet in haren hoofde niet bewezen wordt noch het oogmerk om te schaden.
Verweerder stelt, verwijzend naar een vonnis van deze rechtbank en kamer de dato 27 juni 2011 dat het bedrieglijk opzet wel werd bewezen.
In het voormelde proces-verbaal wordt vastgesteld dat door eiseres geen adviesproject van adviesbureau de NV K. wordt voorgelegd.
Dit laat niet toe te besluiten dat eiseres zou gehandeld hebben met bedrieglijk opzet of oogmerk schaden.
Evenmin wordt in de bijlagen aan het voormeld proces-verbaal een bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres weerhouden.
Er wordt enkel een overzicht gegeven van de verschillende klanten van NV K..
Geen opmerking wordt gemaakt over het kwestieuze adviesproject.
Het vonnis waaraan de BTW-administratie verwijst de dato 27 juni 2011 vindt in casu geen toepassing nu de feitelijke omstandigheden onderliggend aan dit vonnis verschillend zijn van onderhavig geschil.
Zo was de BTW-plichtige in voormeld vonnis de accountant van O. en werd deze meermaals bij naam genoemd in het strafdossier (stuk 3 en 10 bundel eiseres), en legt eiseres wel een betalingsbewijs voor in verband met de adviescheques (stuk 12 bundel eiseres).
Verweerder levert aldus niet het bewijs van een bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden in hoofde van eiseres.
De verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° W.BTW vindt geen toepassing.
De vordering is behept met verjaring.
3.2.5. De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren ervan niet toe een ruimer voordeel van eiseres kan leiden.
3.2. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en dient conform artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten te dragen.
De gerechtskosten belopen in hoofde van eiseres het basisbedrag der geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. … euro, zoals gevorderd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak alle verder middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat de vordering van de BTW, boetes en intresten lastens eiseres op grond van het bestreden proces-verbaal van 11 mei 2010 ongegrond werden geheven en beveelt de integrale vernietiging ervan wegens verjaring.
Veroordeelt verweerder tot teruggave van de door eiseres reeds hierop betaalde BTW meer te wettelijke intresten vanaf 30 juni 2010 alsmede tot teruggave van de door eiseres reeds betaalde boete, meer de wettelijke intresten vanaf 30 juni 2010.
Veroordeelt verweerde tot teruggave van de aangerekende en betaalde intresten meer de wettelijke intresten vanaf 30 juni 2010.
Veroordeelt verweerder tot de gerechtskosten in haar hoofde niet te begroten daar ze hem te laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. … euro.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op zevenentwintig juni tweeduizend en twaalf.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
M. S., griffier.
S. M. A. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.