---
title: "Verlengde verjaringstermijn, Vermoeden belastingontduiking · Hof van beroep te Gent, 17 februari 2026, 2024/AR/1452"
description: "Verlengde verjaringstermijn, Vermoeden belastingontduiking, Intracommunautaire levering. Hof van beroep te Gent (België), 17 februari 2026, 2024/AR/1452."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlengde-verjaringstermijn-vermoeden-belastingontduiking-hof-van-beroep-gent-2026-02-17-e499"
lang: "nl"
---

# Verlengde verjaringstermijn, Vermoeden belastingontduiking, Intracommunautaire levering, Recht op aftrek

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2024/AR/1452

**Datum**

17 februari 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

145 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 17.02.2026 (2024/AR/1452)

FIN 54625922/01

*Verlengde verjaringstermijn - Vermoeden belastingontduiking - Intracommunautaire levering - Recht op aftrek*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Gent**

**Arrest**

**Vijfde kamer**

**17 februari 2026**

Rolnummer: 2024/AR/1452

In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, ON 0308.357.159,

Algemene Administratie Bijzondere Belastinginspectie 5e directie, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 805,

*appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door Carine Dossche, attaché*

tegen

**M.A.**, advocaat,

met kantoor te …, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement cie1, destijds met zetel te ..., ON ..., daartoe aangesteld bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent dd. 17.07.2020

*geïntimeerde q. q., verder "geïntimeerde" genoemd*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 18 september 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 25 juni 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/1477/A, dat werd betekend op verzoek van de geïntimeerde aan de Belgische Staat op 23 augustus 2024.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 16 december 2025. Daarna werd het debat gesloten en nam het hof de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De geïntimeerde werd opgericht in 1999 en is als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer ... voor de activiteit van groothandel in niet-elektrische huishoudelijke artikelen (nl. handel in bedden, boxsprings en toebehoren).

Op 26 september 2018 werd een controle aangekondigd door de administratie voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Op 19 november 2018 ging de controle door bij de gevolmachtigde van de geïntimeerde en werden boekhoudkundige stukken in retentie genomen door de administratie.

Op 20 december 2018 werd aan de geïntimeerde een kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn in de zin van [artikel 81bis, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) toegestuurd, met de volgende inhoud:

> "*Wij hebben het volgende vastgesteld:*
>
> *1/Intracommunautaire handelingen:*
>
> *-Voor de door ons onderzochte jaren is er een substantieel verschil tussen de intracommunautaire aankopen opgenomen in de boekhouding en de beschikbare informatie door de Lidstaten ter beschikking gesteld.*
>
> *-Voor de intracommunautaire leveringen hebben we vastgesteld dat het overgrote deel van de klanten het BTW-nummer niet meer geldig is, dat de betalingen van de fakturen hoofdzakelijk cash is en dat er nagenoeg geen bewijs van transport is. Een vraag om inlichtingen werd aan de bevoegde administraties gesteld.*
>
> *2/Binnenlandse aankopen*
>
> *Wij hebben vastgesteld dat belangrijke leveranciers (cie2 in 2015, cie3 in 2016 en cie3 en cie4 in 2017) hun fiscale verplichtingen niet voldoen, dat de betalingen van de fakturen cash gebeuren en dat cie1 de enige klant is. (doorlopende nummering)*
>
> *Tevens is er een wanverhouding tussen de uitgereikte fakturen van deze leveranciers aan de NV cie1 en de mogelijke aankopen van deze leveranciers.*
>
> *Deze leveranciers zijn kort na hun leveringen of dienstprestaties in faling gegaan*."

Op 18 september 2019 werd een proces-verbaal inzake btw opgesteld. De administratie stelde hierin, met verwijzing naar vragen om inlichtingen gestuurd aan de Franse administratie, dat de intracommunautaire leveringen niet konden worden vrijgesteld van belasting, aangezien het bewijs niet was geleverd dat aan de voorwaarden opgenomen in KB nr. 52 was voldaan. De administratie stelde o.m. het volgende: "*Voor de intracommunautaire leveringen van cie1 aan de diverse Franse klanten (...) stellen we vast dat de betalingen hoofdzakelijk cash gebeurden. Bovendien werd geen of vals bewijs van transport m.b.t. de 'transacties' voorgelegd. ALLE vernoemde Franse klanten voldeden niet of nauwelijks aan hun fiscale verplichtingen. Ze zijn allen opgehouden te bestaan en hun BTW-nummers is niet meer geldig of zal geschrapt worden*." Wat betreft de binnenlandse aankopen, verwierp de administratie het recht op aftrek op de facturen opgesteld door cie2 en cie3 aangezien de facturen niet voldeden aan [artikel 5, §1, 6° KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa). De administratie stelde bovendien het volgende: "*3. De vennootschappen (cie2 en cie3\] voldeden niet aan hun fiscale verplichtingen of de verschuldigde BTW als gevolg van het indienen van hun periodieke BTW-aangifte werd niet voldaan. 4. Uit de doorlopende nummering van de facturen uitgereikt door beide vennootschappen aan de cie1 stellen we vast dat cie1 de enige afnemer was*." De administratie vorderde btw na op de intracommunautaire leveringen van 374.514,38 euro en vorderde de ten onrechte in aftrek genomen btw op voormelde binnenlandse aankopen van 105.284,89 euro terug, hetzij een totaal van 479.799,27 euro. Er werd een geldboete opgelegd van 200% of 959.590,00 euro, met de volgende motivering:

> "*Op grond van artikel 1, laatste lid van voornoemd KB nr. 41 is de in de bijlage van dit besluit opgenomen schaal voor vermindering van de proportionele geldboeten niet van toepassing, aangezien de overtredingen overduidelijk begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Hiervoor wordt verwezen naar de aard, de omvang en de zwaarwichtigheid van de overtredingen, namelijk:*
>
> *Intracommunautaire leveringen*
>
> *-* *bijna alle 'intracommunautaire' klanten voldoen niet aan hun fiscale verplichtingen;*
>
> *-* *het BTW-nummer van alle intracommunautaire klanten is niet meer geldig of zal geschrapt worden;*
>
> *-* *de betalingen gebeuren hoofdzakelijk in cash;*
>
> *-er werden geen of valse bewijzen van transport voorgelegd;*
>
> *Aftrek van de voorbelasting*
>
> *-* *aankoop bij voornoemde (malafide) leveranciers bedraagt meer dan de helft van de binnenlandse aankopen van handelsgoederen*
>
> *-* *beide leveranciers voldeden niet aan hun fiscale verplichtingen en gingen korte tijd na de facturatie in faling;*
>
> *-* *betalingen gebeuren hoofdzakelijk in cash;*
>
> *-cie1 is de enige klant van beide (malafide) leveranciers;*
>
> *-de facturen zijn onvoldoende gespecifieerd, ergo niet conform de bepalingen opgenomen in het K.B. nr. 1,* [*art. 5, §1, 6°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa)*voornoemd*;"

Op 23 september 2019 werd het proces-verbaal aan de geïntimeerde toegestuurd. Op 14 november 2019 werd aan de geïntimeerde een innings- en invorderingsbericht inzake btw toegestuurd, waarin de administratie aangaf dat de fiscale schuld van 479.799,27 euro btw in hoofdsom, boetes van 959.590,00 euro en nalatigheidsintresten was opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder het artikelnummer ... op 4 november 2019, dat uitvoerbaar was verklaard op 7 november 2019.

Bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 17 juli 2020 werd de geïntimeerde failliet verklaard en werd Mr. Magnus aangesteld als curator.

Met een verzoekschrift neergelegd op 31 mei 2022 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Bij vonnis van 25 juni 2024 van de zesde kamer van deze rechtbank werd als volgt geoordeeld:

*Verklaart de vordering van etser ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.*

*Vernietigt het innings- en invorderingsregister met schuldnummer ... en met registernummer ... opgemaakt op naam van cie1 op 4 november 2019 en uitvoerbaar verklaard op 7 november 2019.*

*Beveelt verweerder het eventueel reeds betaalde terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten.*

*Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten van eiser bestaande in de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22 €.*

Het is tegen dit vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellant

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*1.* *Dit hoger beroep zowel ontvankelijk als gegrond te verklaren;*

*2.* *Dienvolgens het bestreden vonnis dd. 25 juni 2024, rolnr. 22/1477/A, repertoriumnr. 24/7046 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, te vernietigen;*

*3.* *Opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerde af te wijzen*

*4.* *Te zeggen voor recht dat de aanslag met nr. ..., gebaseerd op het proces-verbaal van 18 september 2019 terecht werd gevestigd en niet moet worden vernietigd.*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.*

*Dienvolgens het eerste vonnis te bevestigen en:*

*1.* *het proces-verbaal van 23 september 2019 nietig en van generlei waarde te verklaren;*

*2.* *het innings- en invorderingsbericht van 14 november 2019 nietig te verklaren; en*

*3.* *het onderdeel van de schuldvordering van de FOD FINANCIËN van 10 mei 2021 dat betrekking heeft op artikelnummer ... nietig te verklaren.*

*Appellante te veroordelen tot het betalen van alle kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 22,00 EUR.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Omtrent de motivering van de kennisgeving tot uitbreiding van de verjaringstermijn

4.1.1. De geïntimeerde stelt dat de kennisgeving verstuurd op 20 december 2018 tot uitbreiding van de verjaringstermijn op grond van [artikel 81bis, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) geen vermoedens bevat van belastingontduiking, wat leidt tot de nietigheid van de rechtzetting voor het jaar 2015. De geïntimeerde stelt dat de brief van 20 december 2018 allesbehalve nauwkeurig is en dat de administratie erin verwijst naar niet nader omschreven, foutieve en zelfs niet-bestaande (of verzonnen) vaststellingen.

4.1.2. Het is de btw-administratie toegestaan om de verlengde verjaringstermijn bepaald in [artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) toe te passen op voorwaarde dat zij "*voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis \[geeft\] van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode*". Het is niet vereist dat de fiscale administratie over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van belastingontduiking aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever om de fiscale administratie op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een aanvullend onderzoek wil bewijzen. De voorafgaande kennisgeving van een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer het vermoeden onnauwkeurig is omschreven of berust op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van een vermoeden van belastingontduiking worden besloten (zie ook Cass. 16 juni 2023, AR [F.21.0181.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-fraudetermijn-kennisgeving-verplichtingen-cassatie-brussel-2023-06-16-b8a8) en AR [F.21.0187.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-fraudetermijn-kennisgeving-verplichtingen-cassatie-brussel-2023-06-16-b8a8), op juportal.be).

Waar de kennisgeving inderdaad vrij summier is, vermeldt het wel degelijk op nauwkeurige manier vaststellingen die een vermoeden van belastingontduiking verantwoorden. Immers: Wat de intracommunautaire handelingen betreft, stelt de administratie vooreerst vast dat er een substantieel verschil bestaat tussen de intracommunautaire aankopen opgenomen in de boekhouding en de beschikbare informatie die andere Lidstaten ter beschikking hebben gesteld. Waar de geïntimeerde betwist intracommunautaire aankopen te hebben gedaan, wordt dit tegengesproken door de door de geïntimeerde zelf ingediende btw-aangiftes voor de jaren 2014-2018 die telkens bedragen onder het rooster 86 vermelden (zie stuk 38, bundel administratie). Van een 'verzonnen' vaststelling is geen sprake.

Op grond van een door de administratie vastgestelde discrepantie tussen de in de boekhouding opgenomen cijfers en de cijfers afkomstig van de Lidstaten (nl. de toepassing VIES) kan belastingontduiking worden vermoed. De administratie dient niet expliciet de achterliggende redenen te vermelden waarom zij in een bepaald gegeven of element een aanwijzing van belastingontduiking ziet (zie ook Cass. 4 juni 2021, AR F.16.0015.N, op juportal.be). Dat er uiteindelijk geen btw werd nagevorderd volgend op deze vaststelling, is geen reden om de kennisgeving verstuurd op grond van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) ongeldig te verklaren. Dit artikel vereist enkel vermoedens van belastingontduiking, en geen bewijs van belastingontduiking of van inbreuken op de btw-wetgeving.

Dit vermoeden is evenwel uitermate summier en algemeen omschreven. Krachtens [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) dient de kennisgeving op nauwkeurige wijze kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking. Nauwkeurig betekent nauwgezet, precies, zorgvuldig, niet slordig of oppervlakkig (zie Van Dale woordenboek). Indien de administratie verwijst naar 'de beschikbare informatie door de Lidstaten ter beschikking gesteld' kan worden verwacht dat zij deze informatie concreet vermeldt. Het niet vermelden van deze informatie leidt ertoe dat de belastingplichtige in een positie wordt geplaatst die hem niet toelaat zich tegen deze vaststelling te verdedigen. Samen met de eerste rechter is het hof van oordeel dat deze vaststelling niet nauwkeurig want niet voldoende precies en zorgvuldig is omschreven, en aldus niet voldoende is om een uitbreiding van de verjaringstermijn te verantwoorden.

De administratie verwijst voorts voor de intracommunautaire leveringen naar drie vaststellingen, nl. (i) dat het overgrote deel van de klanten niet meer beschikt over een geldig btw-nummer, (ii) dat de betalingen van de facturen hoofdzakelijk cash is, en (iii) dat er nagenoeg geen bewijs van transport is.

Op grond van deze vaststellingen kon de administratie belastingontduiking vermoeden, in die zin dat bewust een inbreuk werd begaan op de regels die voorzien in een vrijstelling voor intracommunautaire leveringen die vereisen dat de goederen worden geleverd aan een belastingplichtige of aan een niet-belastingplichtige maar voor btw geïdentificeerde rechtspersoonlijk en daadwerkelijk worden verzonden of vervoerd naar een andere Lidstaat. Wanneer 20 van de 22 klanten van een belastingplichtige die een totaalbedrag aan intracommunautaire leveringen over de periode 2015-2017 vertegenwoordigen van meer dan 1,3 miljoen euro, op het ogenblik van de controle door de administratie (in casu eind 2018) niet meer over een geldig btw-nummer blijken te beschikken, is dit ontegensprekelijk een aanwijzing van belastingontduiking. Zoals de administratie stelt, volstaan de veelvuldige schrappingen van btw-nummers kort na de beweerde, omvangrijke leveringen door de geïntimeerde als een vermoeden van belastingontduiking. Dat de geïntimeerde voorafgaand aan de levering de geldigheid van het BTW-nummer verifieerde, doet hieraan geen afbreuk.

Deze aanwijzing werd voldoende nauwkeurig omschreven. De vaststelling was precies en correct, in die zin dat uit het proces-verbaal blijkt dat het om 20 van de 22 klanten gaat en dus inderdaad het 'overgrote deel van de klanten' betrof. De geïntimeerde kende zelf de klanten van haar intracommunautaire leveringen en was aldus perfect in staat om zich tegen deze vaststelling door de administratie te verdedigen.

Deze vaststelling, samengenomen met de vaststellingen dat heel wat transacties cash werden betaald (wat wordt bevestigd door de eigen stukken 15-35 van de geïntimeerde, waarvan het hof op grond van de verklaringen van de geïntimeerde in conclusies over welke documenten zijn overgemaakt aan de administratie, aanneemt dat deze stukken gelijklopend zijn aan degene overgemaakt aan de administratie in november 2018) wat de betalingsstromen niet controleerbaar maakt, en dat voor heel wat klanten geen objectief bewijs van transport werd overgemaakt (wat ook blijkt uit de eigen stukken 15-35 van de geïntimeerde; zie ook randnummer 4.2.2 hierna) wat het bewijs van daadwerkelijke verzending of levering naar een andere Lidstaat bemoeilijkt, volstaat om een vermoeden van belastingontduiking te verantwoorden. Gelet op de stukken 15-35 van de geïntimeerde (waarvan het hof op grond van de verklaringen van de geïntimeerde in conclusies over welke documenten zijn overgemaakt aan de administratie, aanneemt dat deze stukken gelijklopend zijn aan degene overgemaakt aan de administratie in november 2018) diende de administratie deze vaststellingen niet in detail te concretiseren per klant want kon de geïntimeerde zich perfect verdedigen tegen deze vaststellingen van de administratie, aangezien de geïntimeerde over dezelfde informatie beschikte als de administratie.

Aangezien één aanwijzing van belastingontduiking volstaat, voldoet de kennisgeving aan de vereisten van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter). Het hof stelt geen schending vast van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter). Het onderzoek werd op correcte wijze uitgebreid tot het jaar 2015 met toepassing van de termijn voorzien in [artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis). Er is geen reden om op deze grond tot nietigheid van de navordering voor het jaar 2015 te besluiten. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd.

Of er in dit verband daadwerkelijk sprake is van belastingontduiking, en of aldus de btw voor het jaar 2015 kan worden nagevorderd, wordt beoordeeld in randnummer 4.4.

4.1.3. Gelet op dit oordeel dient niet ingegaan te worden op de middelen betreffende de eventuele toepassing van [artikel 81bis, §1, tweede lid, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis).

### 4.2. Omtrent de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen

4.2.1. Een verkoper van goederen die zich beroept op de vrijstellingsregeling voorzien in [artikel 39bis, lid 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) moet bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van die bepaling vervuld zijn.

[Artikel 39bis, lid 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) bepaalt dat van de BTW zijn vrijgesteld:

> "*de leveringen van goederen door de verkoper (...), door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen (...)*"

Krachtens [artikel 39bis, lid 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) worden de beperkingen en voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen bij koninklijk besluit vastgelegd. Overeenkomstig KB nr. 52 van 29 december 1992 is voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van [artikel 39bis, lid 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) vereist dat de volgende voorwaarden vervuld zijn:

\- de goederen moeten door de verkoper worden geleverd;

\- de verkoper moet het bewijs leveren dat de goederen buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap zijn verzonden of vervoerd;

\- het bewijs moet worden geleverd dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere Lidstaat;

\- de verkoper moet in het bezit zijn van de stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt (zoals contracten, bestelbons, vervoerdocumenten en betalingsstukken).

Deze laatste vereiste sluit niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer bewijst aan de hand van andere dan de in [artikel 3 van het KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb#ar52-art3) vermelde stukken (zie ook Cass. 4 juni 2009, AR [F.08.0088.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-uitvoer-invoer-intracommunautaire-leveringen-cassatie-brussel-2009-06-04-5802), op juportal.be).

Deze bepalingen zijn een omzetting van [artikel 138 van de BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138), die aan de lidstaten de verplichting oplegt om vrijstelling te verlenen voor goederenleveringen die voldoen aan de in die bepaling opgesomde voorwaarden. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wordt de intracommunautaire levering van een goed pas vrijgesteld wanneer de macht om als een eigenaar over dit goed te beschikken aan de afnemer is overgedragen, de verkoper aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en dit goed ten gevolge van deze verzending of dit vervoer het grondgebied van de lidstaat van levering fysiek heeft verlaten (zie ook HvJ, 6 september 2012, arrest Mecsek-Gabona, [C-273/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-273-11-arrest); HvJ 20 juni 2018, arrest Enteco Baltic, [C-108/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-108-17-arrest); beiden te raadplegen op www.curia.eu).

Het beginsel van fiscale neutraliteit vereist dat wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, de btw-vrijstelling wordt verleend, zelfs wanneer de belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele vereisten. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie bestaan slechts twee gevallen waarin niet-eerbiediging van een formeel vereiste tot het verlies van het recht op de btw-vrijstelling kan leiden. Aldus kan vooreerst een belastingplichtige die opzettelijk aan belastingfraude heeft deelgenomen zich niet op het beginsel van fiscale neutraliteit beroepen om vrijstelling van de btw te verkrijgen. Ingeval de betrokken belastingplichtige wist of had moeten weten dat de door hem verrichte handeling deel uitmaakte van fraude door de afnemer en hij niet alle hem ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft genomen om deze fraude te voorkomen, moet hem het recht op de btw-vrijstelling worden geweigerd. Ten tweede kan niet-naleving van een formele vereiste tot de weigering van de btw-vrijstelling leiden wanneer hierdoor het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, werd verhinderd (zie ook HvJ 29 februari 2024, [C-676/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-676-22-arrest), 82 Energy).

Gelet op de bewijslastverdeling, komt het toe aan het hof om op basis van alle door de geïntimeerde overgelegde documenten na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de btw-vrijstelling. Wanneer de hiervoor benodigde informatie ontbreekt, mag de btw-vrijstelling worden geweigerd zonder dat de administratie moet aantonen dat de geïntimeerde betrokken was bij btw-fraude.

4.2.2. De administratie heeft in dit dossier terecht de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen geweigerd. Er ligt geen overtuigend objectief bewijs voor dat de betrokken goederen naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd en dat deze goederen ten gevolge van deze verzending of dit vervoer België fysiek hebben verlaten. De door de geïntimeerde zelf opgestelde documenten, waaruit de werkelijkheid van de intracommunautaire leveringen zou moeten blijken, worden niet ondersteund door objectieve stukken. Meer in het bijzonder:

\- Wat betreft de klanten cie5 (2015 - 34.094,00 euro) en cie6 (2016 - 34.587,00 euro) ligt van het voldoen aan deze materiële voorwaarden helemaal geen bewijs voor.

\- Voor de goederen die beweerdelijk werden geleverd aan cie7 (2015 -95.193,00 euro), cie8 (2015 - 18.980,00 euro), cie9 (2015 ¬69.910,00 euro), cie10 (2015 - 105.995,00 euro), cie11 (2016 ¬51.664,70 euro), cie12 (2016 - 77.820,00 euro), cie13 (2016 ¬80.541,90 euro), cie14 (2016 - 35.587,00 euro), cie15 (2017 - 97.080,94 euro), cie16 (2017 - 27.572,00 euro), cie17 (2017 - 10.441,44 euro), cie18 (2017 - 50.008,40 euro) en cie19 (2017 ¬39.467,05 euro) bewijzen de voorgelegde documenten niet dat ze naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd en dat deze goederen ten gevolge van deze verzending of dit vervoer België fysiek hebben verlaten. De op de facturen zelfgeschreven vermelding dat de goederen werden afgehaald door de koper met al dan niet vermelding van een nummerplaat, of de op de facturen getypte vermelding 'afgehaald', is geen objectief verifieerbaar bewijs dat aan voormelde materiële voorwaarden is voldaan, in het bijzonder niet wanneer blijkt dat al deze beweerde kopers niet aan hun fiscale verplichtingen voldeden in Frankrijk, dat vele betalingen cash gebeurden en dat de beweerde klanten elkaar in de tijd opvolgden. Objectieve stukken omtrent het vervoer, zoals CMR's, liggen niet voor. Bovendien blijkt uit een antwoord op een vraag om inlichtingen vanwege de Belgische administratie aan haar Franse collega's dat de nummerplaten vermeld op de facturen aan cie7 niet waren gekend op naam van deze klant en dat de personen aan wie deze nummerplaten waren toegekend geen link blijken te hebben met enige transportactiviteit.

\- Hetzelfde geldt voor de leveringen aan cie20 (2016), cie21 (2016) en cie22 (2017) waarvoor geen CMR's worden voorgelegd (zie stukken 22, 23 en 30, bundel geïntimeerde).

\- Enkel voor (bepaalde) leveringen aan cie20 (2016), cie21 (2016), cie17 (2016 - 103.956,00 euro), cie23 (2017 — 29.957,99 euro), cie22 (2017), cie24 (2017 - 103.151,00 euro), cie25 (2017 - 41.050,00 euro) en cie26 (2017 — 85.461,43 euro) worden CMR's voorgelegd (zie stukken 22, 23, 25, 29, 30, 31, 34 en 35, bundel geïntimeerde). Deze overtuigen evenwel geenszins. Deze CMR's werden allen uitgereikt door de Bulgaarse vervoersmaatschappij cie27. In antwoord op een vraag om inlichtingen vanwege de Belgische administratie aan haar Bulgaarse collega's verklaarde de zaakvoerder van deze Bulgaarse vennootschap evenwel dat (i) de CMR's niet door de transportvennootschap waren uitgereikt, dat (ii) haar vrachtwagens nooit transporten hebben uitgevoerd op het grondgebied van Frankrijk en België, en dat (iii) de stempel aangebracht op de CMR's geen stempel is van de transportvennootschap en dat het adres vermeld op deze stempel niet overeenstemt met het adres van de transportvennootschap dat tussen 1 januari 2016 en 31 augustus 2017 gelegen was op een ander adres. De kritiek die de geïntimeerde heeft op de vraag aan de Bulgaarse fiscale autoriteiten mist bovendien feitelijke grondslag. Uit stuk 29 (bundel administratie) blijkt dat de CMR's gestuurd aan de Bulgaarse autoriteiten niet enkel de firma cie22 betreffen. De administratie wijst er bovendien terecht op dat de CMR's niet volledig zijn ingevuld en niet steeds een stempel en handtekening bevatten van de bestemmeling. Aan de waarachtigheid van de door de geïntimeerde voorgelegde CMR's kan aldus ernstig worden getwijfeld. De vermelding op de website van de transportvennootschap (stuk 7, bundel geïntimeerde) dat de vennootschap transporten deed in Frankrijk, tonen geenszins aan dat de CMR's waarachtig zijn. Deze algemene vermelding op de website wordt tegengesproken door de concrete verklaring van de zaakvoerder van de transportvennootschap. De CMR's leveren derhalve bezwaarlijk het bewijs dat de goederen naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd en dat deze goederen ten gevolge van deze verzending of dit vervoer België fysiek hebben verlaten. Het gaat niet om een geheel van overeenstemmende documenten, zodat er geen bewijs is dat aan de materiële voorwaarden voor vrijgestelde intracommunautaire leveringen is voldaan.

De geïntimeerde is de op haar rustende bewijsplicht niet nagekomen. Er liggen geen overtuigende objectieve elementen voor die aantonen dat aan voormelde materiële voorwaarden is voldaan opdat de btw-vrijstelling ([artikel 39bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)) op de leveringen aan de Franse klanten kan worden toegepast. De btw werd terecht nagevorderd.

4.2.3. Wat de door de geïntimeerde opgeworpen inconsistenties betreft tussen de cijfers vermeld op p. 2 van het proces-verbaal en op pp. 33-41 van het proces-verbaal, blijken deze laatste, na nazicht van de neergelegde stukken, de correcte te zijn:

\- Wat cie7 betreft, heeft de administratie facturen in aanmerking genomen over een langere periode dan deze die door de geïntimeerde werden overgelegd. Gelet op de detaillering van deze facturen door de administratie (nI. nummer, datum, omschrijving, bedrag en nummerplaat), neemt het hof aan dat de administratie met alle in de boekhouding verwerkte facturen rekening heeft gehouden.

\- Wat betreft cie10, ontwaart het hof geen inconsistentie tussen beide cijfers.

\- Wat betreft cie13, cie20 en cie21, komen de op p. 38 van het proces-verbaal vermelde cijfers overeen met de facturen van de geïntimeerde (stukken 21, 22 en 23, bundel geïntimeerde).

\- Wat betreft cie17, komt factuur 20121662 (datum van 1 november 2016) voor een bedrag van 28.215,00 euro, inderdaad tweemaal voor. Evenwel werden deze twee bedragen ook opgenomen in de btw-aangifte van de geïntimeerde (zie stuk 38, bundel administratie) en komt dit overeen met de boekhouding van de geïntimeerde (zie vermelding van de administratie op p. 63 van het proces-verbaal). Het hof ziet dan ook geen reden om de in aanmerking genomen maatstaf van heffing te herleiden.

4.2.4. Het bestreden vonnis wordt ook op dit punt hervormd.

### 4.3. Omtrent de aftrek van btw op de facturen uitgereikt door cie2 en cie3

4.3.1. Op grond van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) heeft een btw-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.

De bewijslast dat aan de voorwaarden van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) is voldaan, rust bij de belastingplichtige.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, vormt het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel (zie o.m. HvJ arrest 21 maart 2018, Volkswagen, [C-533/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-533-16-arrest), punt 37). De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijk btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (zie o.m. punt 38 van voormeld arrest). Het recht op aftrek waarin de artikelen [167 e.v.](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) van de btw-richtlijn 2006/112 voorzien, is een integrerend deel van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt. Het recht op aftrek kan evenwel ook geweigerd worden wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat op dit recht aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (zie o.m. HvJ arrest van 19 oktober 2017, Paper Consult, [C-101/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-101-16-arrest), punt 43). Belastingplichtigen kunnen zich in geval van bedrog of misbruik niet op het Unierecht beroepen. Dit is het geval wanneer de belastingplichtige zelf zich schuldig maakt aan belastingfraude (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, Astone, C-332-15, punt 51). Aangezien de weigering van het recht op aftrek een uitzondering is op de toepassing van het fundamentele beginsel dat dit recht vormt, staat het aan de bevoegde belastingautoriteiten om rechtens genoegzaam te bewijzen dat de objectieve gegevens die aantonen dat er sprake is van fraude of misbruik, aanwezig zijn (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, Astone, [C-332/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-332-15-arrest), punt 52).

4.3.2. Tussen 1 april 2015 en 17 juni 2015 werden aan de geïntimeerde 60 facturen uitgereikt door cie2 voor een totaalbedrag van 116.468,60 euro en 30.831,68 euro btw. De administratie wijst er terecht op dat aan de waarachtigheid van deze aankopen ernstig kan worden getwijfeld. Immers, niet alleen betreffen de aankopen een beperkte periode (2,5 maanden) voor een aanzienlijk bedrag, vertegenwoordigen ze in hoofde van de geïntimeerde de helft van de binnenlandse aankopen gedurende het jaar 2015, zijn de facturen doorlopend genummerd wat erop wijst dat de geïntimeerde in die periode de enige klant was van deze leverancier, en werden deze aankopen alle cash betaald, maar bovendien is de beschrijving vermeld op de facturen zodanig algemeen en nietszeggend (zonder concrete omschrijving van de aangekochte goederen, de eenheidsprijs, het aantal) dat op basis hiervan evenmin de echtheid en de aard van de aankopen kan worden achterhaald. Bovendien getuigt de foutieve schrijfwijze van het adres van cie2 vermeld op de uitgereikte facturen bezwaarlijk van een professionele aanpak. Ten slotte, uit het verder onderzoek door de administratie blijkt dat deze leverancier in 2015 geen enkele btw-aangifte had ingediend en dat deze zelf geen aankopen had verricht die de gefactureerde omzet aan de geïntimeerde kon verantwoorden. De leverancier werd uiteindelijk failliet verklaard in de tweede helft van 2017.

Op basis van dit alles heeft de administratie terecht het recht op aftrek verworpen, o.m. om reden dat er onvoldoende bewijs voorligt dat deze facturen daadwerkelijke leveringen van goederen betreffen. De geïntimeerde maakt het tegendeel niet aannemelijk. Objectieve stukken die de facturen geloofwaardig maken, worden niet voorgelegd.

4.3.3. Hetzelfde geldt voor de facturen uitgereikt door cie3. Tussen 2 mei 2016 en 28 februari 2017 werden aan de geïntimeerde 149 facturen uitgereikt voor een totaalbedrag van 354.528,34 euro en 74.453,21 euro btw. Ook hier betreffen de aankopen een beperkte periode (10 maanden) voor een aanzienlijk bedrag, vertegenwoordigen ze in hoofde van de geïntimeerde 80% van de binnenlandse aankopen gedurende de jaren 2016 en 2017, zijn de facturen doorlopend genummerd wat erop wijst dat de geïntimeerde in die periode de enige klant was van deze leverancier, en werden deze aankopen hoofdzakelijk cash betaald, maar bovendien is de beschrijving vermeld op de facturen zodanig algemeen en nietszeggend (zonder concrete omschrijving van de aangekochte goederen, de eenheidsprijs, het aantal) dat op basis hiervan evenmin de echtheid en de aard van de aankopen kan worden achterhaald. Uit het verder onderzoek door de administratie blijkt dat deze leverancier vanaf juli 2016 geen enkele btw-aangifte had ingediend en dat deze zelf in de periode 2016-2017 geen aankopen had verricht die de gefactureerde omzet aan de geïntimeerde kon verantwoorden. De leverancier werd uiteindelijk failliet verklaard midden 2017.

Op basis van dit alles heeft de administratie terecht het recht op aftrek verworpen, o.m. om reden dat er onvoldoende bewijs voorligt dat deze facturen daadwerkelijke leveringen van goederen betreffen. De geïntimeerde maakt het tegendeel niet aannemelijk. Objectieve stukken die de facturen geloofwaardig maken, worden niet voorgelegd.

4.3.4. Ook op dit punt wordt het bestreden vonnis hervormd.

### 4.4. Omtrent de opgelegde proportionele geldboete

Aan de geïntimeerde werd op grond van [artikel 70, §1 en §1bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een proportionele geldboete opgelegd van samen 959.590,00 euro, zijnde 200% van de verschuldigde btw. Artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboetes niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Ook voor de toepassing van de verlengde verjaringstermijn opgenomen in [artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) moet de overtreding zijn begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Naast het materieel element dat bestaat uit het overtreden van de belastingnorm, moet een moreel element bestaan dat een bijzonder opzet inhoudt in hoofde van de belastingplichtige, meer bepaald het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De bewijslast rust op de administratie.

Uit wat voorafgaat blijkt genoegzaam dat de vastgestelde inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking ervan mogelijk te maken. De geïntimeerde heeft door haar georganiseerde en structurele handelswijze opzettelijk een inbreuk begaan op de btw-regelgeving en een systeem van belastingfraude opgezet of hieraan minstens deelgenomen. Zij heeft zo de goede werking van het gemeenschappelijk btw-stelsel in gevaar gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de btw-nummers waaraan intracommunautaire leveringen werden gefactureerd kort na de levering (op het ogenblik van de controle eind 2018) ongeldig was, dat in de meeste gevallen geen CMR's werden voorgelegd, dat de CMR's die werden voorgelegd vervalst waren want niet waren uitgereikt door de transportvennootschap, dat behalve de facturen en bestelbonnen geen commerciële correspondentie in verband met de leveringen kon worden voorgelegd, en dat er opvallend veel cash werd betaald, klaarblijkelijk rekening houdend met de grens van 3.000,00 euro. Ook wat betreft haar aankopen in 2015, 2016 en 2017 werd gebruik gemaakt van facturen die de werkelijkheid van de leveringen niet aantonen of minstens aannemelijk maken. De geïntimeerde heeft door haar handelswijze het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden voor de btw-vrijstelling dan wel het recht op aftrek is voldaan, verhinderd. De voorgelegde documenten maken het onmogelijk om te controleren waar en bij wie de goederen zijn terechtgekomen, en maken het onmogelijk om te controleren of de beweerde aankopen van goederen werkelijk hebben plaatsgevonden.

Aan de hand van de voorgelegde bundels trachtte de geïntimeerde de indruk of schijn op te wekken van goede trouw en regelmatige intracommunautaire leveringen en binnenlandse aankopen. De zogenaamde voorzorgsmaatregelen, zoals de voorafgaande checks van het VIES, het handelsregister en de voorgelegde (maar vervalste) CMR's kaderen in het opzet van het realiseren, verborgen houden en bestendigen van de fraude.

Aan de voorwaarden van artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 en van [artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) is voldaan.

## 5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Aangezien de appellant tijdens deze procedure niet werd vertegenwoordigd door een advocaat, is hij niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding, noch voor de procedure in eerste aanleg noch voor de procedure in hoger beroep.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

· het hoger beroep is ontvankelijk en als volgt gegrond;

· het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde;

· het hof doet opnieuw recht ten gronde en wijst de vordering van de geïntimeerde af als ongegrond;

· het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

· bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 EUR

· bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER**, recht doende in fiscale zaken, op **17 februari 2026**.

Aanwezig:

Frederieke Compernolle, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend Jenny Dammekens, griffier

(…)

## Aangehaalde teksten

15

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 7 voorkomens

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 5 voorkomens

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 4 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 2 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 138](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-138) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 167](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) 1 voorkomen

[C-101/16, arrest van 19 oktober 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-101-16-arrest) 1 voorkomen

[C-108/17, arrest van 20 juni 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-108-17-arrest) 1 voorkomen

[C-273/11, arrest van 6 september 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-273-11-arrest) 1 voorkomen

[C-332/15, arrest van 28 juli 2016](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-332-15-arrest) 1 voorkomen

[C-533/16, arrest van 21 maart 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-533-16-arrest) 1 voorkomen

[C-676/22, arrest van 29 februari 2024](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-676-22-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, fictieve facturen, strafzaak, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-fictieve-facturen-strafzaak-verjaring-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-634c) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Douane-expediteur, Vennootschap naar Frans recht, Invoer /Overbrenging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-vennootschap-frans-recht-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-1024) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-voldoening-vervolging-rechtbank-brussel-2011-06-10-dcf9) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-hof-van-beroep-gent-2019-01-08-7a5c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijk dossier, Fraude, Expertiseverslag, Computergegevens, Recht van verdediging, Omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijk-dossier-fraude-expertiseverslag-computergegevens-rechtbank-luik-2020-02-03-dff9) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 4 gemeenschappelijke bepalingen
