---
title: "Verkopen op afstand, Inlichtingen uit het buitenland · Hof van beroep te Brussel, 20 november 2024, 2019/AF/192"
description: "Volgens het hof van beroep te Brussel draagt de Belgische Staat twee vijfde van de gerechtskosten en de appellanten drie vijfde."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-inlichtingen-buitenland-verjaringstermijn-hof-van-beroep-brussel-2024-11-20-38f1"
lang: "nl"
---

# Verkopen op afstand, Inlichtingen uit het buitenland · Verkopen op afstand - Inlichtingen uit het buitenland - Verjaringstermijn 7 jaar - Fraude - Boete 200 % - Niet-proportionele geldboeten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

2019/AF/192

**Datum**

20 november 2024

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

243 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 20.11.2024 (2019/AF/192)

FIN 505-15-18/003545

*Verkopen op afstand - Inlichtingen uit het buitenland - Verjaringstermijn 7 jaar - Fraude - Boete 200 % - Niet‑proportionele geldboeten*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Brussel**

**Eindarrest**

**Fiscale Kamer 6N**

**20.11.2024**

**2019/AF/192**

2019/AF/192

1\. **cie1 VOF**, ON NL ... , met zetel te ...,

2\. **P.J.G.W.**, RRN ..., wonende te ...,

3\. **K.E.S.T.S.**, RRN ..., wonende te ...,

appellanten,

vertegenwoordigd door Mr. VANDEBERGH Henri, advocaat te 3550 HEUSDEN‑ZOLDER, Pater Beckersstraat 12,

tegen

**DE BELGISCHE STAAT**, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de rekenplichtige van het team invordering rechtspersonen Hasselt 3, Voortstraat 43 bus 11 te 3500 Hasselt, vertegenwoordigd door de adviseur‑generaal van de Algemene Administratie van de bijzondere belastinginspectie, 5 de directie, met burelen te 1030 SCHAARBEEK, Koning Albert II laan 33 bus 482,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mevrouw DOSSCHE Carine, adviseur, met kantoor te 9050 Ledeberg, G. Crommenlaan nr. 6 bus 805,

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :

## Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

•het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd op 20 december 2017,

•het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 6 mei 2019 (AR 2017/4681/A),

•het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd op 24 mei 2019,

•de conclusies, de aanvullende conclusies, de syntheseconclusies en de bijvoeglijke conclusies van de Belgische Staat (geïntimeerde), neergelegd ter griffie op respectievelijk 2 september 2019, 11 februari 2020, 11 juni 2020 en op 9 juni 2024,

•de conclusies, de syntheseconclusies, de bijvoeglijke conclusies en de vervangende bijvoeglijke conclusies van appellanten, neergelegd ter griffie op 12 december 2019, 2 april 2020, 24 januari 2024 en op 3 april 2024,

•de stukken van geïntimeerde (het administratief dossier, hierna "A.D." genoemd) neergelegd op 27 maart 2024,

•de stukken van appellanten neergelegd ter griffie op 12 december 2019.

## Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift tot fiscaal verhaal op 20 december 2017 neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 569,32°, 1385*decies* en 1385*undecies* Ger.W. stelden appellanten een vordering in rechte in tegen het door de diensten van geïntimeerde opgestelde proces‑verbaal van 16 februari 2017 na kennisname van de BTW controle m.b.t. bvba cie2 en na kennisname in die context van verkopen uitgevoerd door de Nederlandse vennootschap vof cie1 (NL ...) aan particulieren in België die zich bij bvba cie2 geregistreerd hadden evenals van gegevens m.b.t. goederen die verzonden of vervoerd werden vanuit een andere lid staat dan België naar voormelde particulieren.

Appellanten vorderden voor de eerste rechter volgens hun aldaar op 20 november 2018 neergelegde syntheseconclusies :

•de vordering gesteld in het proces‑verbaal van 16 februari 2017 nietig te verklaren;

•minstens te oordelen dat bijkomend onderzoek in Nederland aangewezen is en de BBI te bevelen een grondig onderzoek te vorderen van de Nederlandse collega's;

•minstens te zeggen voor recht dat de boete in toepassing van [art. 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een schending uitmaakt van het non bis in idem-beginsel en om deze reden nietig is; minstens het bedrag van de boetes geheel of gedeeltelijk uit te spreken met uitstel of vast te stellen dat de wet niet toelaat een boete met uitstel uit te spreken en dus [art. 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) ongrondwettelijk te verklaren;

•minstens de boetes te herleiden tot een evenredig bedrag;

•minstens te oordelen dat geen intresten aan 9,6% mogen gevorderd worden; de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd;

•de in de conclusie vermelde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof;

•de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering van appellanten.

De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 6 mei 2019 de vordering ontvankelijk en deels gegrond, met name in die mate dat de in het bestreden proces‑verbaal van 16 februari 2017 opgelegde proportionele boete van 200% diende te worden verminderd naar 50%, hetzij €52.170,05 aan boete i.p.v. €208.680,20.

Appellanten werden tot 5/6 de van de kosten veroordeeld, geïntimeerde tot 1/6 de van de kosten.

## Procedure voor het hof

Er wordt geen akte van betekening van het bestreden vonnis voorgelegd.

Appellanten stelden hoger beroep in tegen het vonnis van de eerste rechter middels verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie op 24 mei 2019, en vorderen het hoger beroep "toelaatbaar en gegrond te verklaren en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering toe te wijzen", en zodoende :

•de vordering gesteld in het proces‑verbaal dd. 16 februari 2017 nietig te verklaren, minstens te oordelen dat bijkomend onderzoek in Nederland aangewezen is en de BBI te bevelen een grondig onderzoek te vorderen van de Nederlandse collega's,

•minstens te zeggen voor recht dat de boete in toepassing van [art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een schending uitmaakt van het non bis in idem beginsel en om deze reden nietig is, minstens te zeggen voor recht dat de boete wegens fraude van 200% in toepassing van [art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) nietig is,

•minstens de opgelegde boetes kwijt te schelden,

•minstens de boetes te herleiden tot een evenredig bedrag,

•minstens vast te stellen dat de wet niet toelaat een boete met uitstel uit te spreken en dus [art. 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) ongrondwettelijk te verklaren,

•minstens te oordelen dat geen interesten aan 9,6% mogen gevorderd worden en desgevallend deze te herleiden tot een evenredig bedrag,

•de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces‑verbaal werden geïnd,

•de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde nodigt het hof uit het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het vonnis van de eerste rechter te bevestigen en appellanten te veroordelen in de kosten.

## Feiten

De bijzondere belastinginspectie (BBI) heeft, na kennisname van de resultaten van een controle die gedaan werd bij btw belastingplichtige bvba cie2 en meer bepaald na kennisname van facturen uitgereikt door de bvba cie2 en die betrekking hebben op door bvba cie2 aangerekende commissies op afstandsverkopen gerealiseerd door vof cie1 aan Belgische particulieren via het verkoopplatform van bvba cie2, en na kennisname van het antwoord dd. 12/02/2016 op een vraag om inlichtingen dd. 8/09/2015 die de BBI stelde aan de Nederlandse fiscale administratie voor de periode 1 februari 2012 tot en met 31 maart 2013 wat betreft de vof cie1, een Nederlandse vennootschap, met betrekking tot de toepassing van de Belgische btw-wetgeving "vaststellingen verricht" en "conclusies getrokken" in een proces‑verbaal van 16 februari 2017.

De zaakvoerders en tevens hoofdelijk aansprakelijke vennoten van vof cie1 zijn P.J.G.W. en K.E.S.T.S..

Volgens de BBI leverde vof cie1 vanuit Nederland goederen aan Belgische particulieren via het verkoopplatform \`cie2' : uit facturen, uitgereikt door bvba cie2 aan vof cie1 m.b.t. door bvba cie2 aangerekende commissies op afstandsverkopen van vof cie1 aan Belgische particulieren blijkt namelijk aldus de BBI dat vof cie1 stortingen ontving van bvba cie2 voor een totaalbedrag van €601.197,71 tijdens de periode van februari 2012 tot en met maart 2013. Voor het jaar 2012 gaat het om 585.403,92 euro. In 2013 gaat het om €15.971,79.

Er werd tevens informatie bekomen op 12 februari 2016 van de Nederlandse belastingadministratie in het kader van de wederzijdse bijstand tussen lidstaten van de Europese Unie op het vlak van btw (stuk 2 Belgische Staat), na een vraag daartoe van de Belgische fiscale administratie dd. 8 september 2015.

Volgens vof cie1 verkocht bvba cie2 goederen via het internet in de vorm van "deals". Bvba cie2 zocht in België en elders via internet klanten om bepaalde producten te verkopen. Nog volgens vof cie1 nam bvba cie2 hiervoor het initiatief en selecteerde en bestelde bvba cie2 bij verschillende leveranciers. Bvba cie2 bepaalde ook de verkoopprijzen. De klanten bestelden vervolgens via internet op de 'cie2‑website' hun product. Wanneer cie2 dan bestellingen binnenkreeg, kocht bvba cie2 of vof cie1 namens bvba cie2 de producten aan en deze werden geleverd o.m. bij vof cie1. Vof cie1 zorgde voor de verpakking en verzending van de goederen naar de klanten aan de hand van adreslijsten van bvba cie2. Ook voor andere firma's zou vof cie1 naar eigen zeggen de logistieke afhandeling voor haar rekening hebben genomen.

Omdat vof cie1 in 2012 de drempel van €35.000 van leveringen van goederen aan particulieren heeft overschreden, was de plaats van de leveringen in toepassing van de bepalingen van art. 15§1. WBTW volgens de BBI België. Over deze leveringen aan Belgische particulieren was/is in toepassing van [art. 2§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) Belgische btw verschuldigd aldus de BBI.

Vof cie1 heeft zich echter niet geregistreerd in België, gaf de verkopen niet aan en betaalde de in België verschuldigde btw niet. Hetzelfde gold/geldt voor de periode 1 januari 2013 – 31 maart 2013.

Op 16 februari 2017 werd door de BBI een proces‑verbaal opgemaakt voor de inbreuken tijdens de onderzochte periode.

Volgens dit proces‑verbaal is door vof cie1 verschuldigd:

•als btw: €104.340,10

•als boete:

A) €208.680,20 proportionele boete

B) €1.000,00 forfaitaire boete

C) €28.000,00 forfaitaire boete

•als intresten 0,8% per maand

De boetes, opgelegd op grond van [art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (proportionele boete), [art. 70§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (fofaitaire boete wegens het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit) en [art. 70§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (forfaitaire boete wegens het niet indienen van maandelijkse aangiften), werden respectievelijk opgelegd wegens het niet afdragen van verschuldigde btw, het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit en het niet indienen van maandelijkse aangiften.

Op 20 december 2017 hebben appellanten een verzoekschrift tot fiscaal verhaal neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

## In rechte

## Standpunt appellanten

Appellanten voeren aan dat:

\- de vordering van de fiscale administratie verjaard zou zijn. "In toepassing van de bepalingen van [art. 81bis §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) verjaart de vordering van de BTW administratie na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting zich heeft voorgedaan", zo stellen appellanten.

De fiscale administratie kan niet worden gevolgd waar ze voorhoudt dat inzake de verjaringstermijn op grond van de bepalingen van art. 81bis§1, 2de lid ,1° WBTW zeven jaar bedraagt omwille van het feit dat een inlichting van een andere lid staat van de Europese unie (met name Nederland) aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven nu de administratie zich voor haar vordering in eerste instantie niet heeft gebaseerd op de informatie die ze ontvangen heeft van de Nederlandse belastingdienst maar het naar aanleiding van een onderzoek van bvba cie2 is dat de fiscale administratie bijkomende inlichtingen aan de Nederlandse belastingdienst is gaan vragen en die daarenboven uiteindelijk niet heeft ontvangen.

Om zich op de termijn van zeven jaar van art. 81bis§1, 2 de lid ,3° WBTW te beroepen is de informatie bekomen bij cie2 onvoldoende om vast te stellen dat vof cie1 in België belastbare handelingen niet zou hebben aangegeven.

Ook de verjaringstermijn van zeven jaar van art. 81bis§1, 2 de lid ,4° WBTW (wanneer de overtreding begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden) is inzake niet van toepassing.

\- de informatie uit Nederland waar de fiscale administratie haar vordering op steunt, is niet correct waardoor het proces‑verbaal nietig is.

Appellanten voeren aan dat "*Deze informatie is niet correct op verschillende punten. Zeer belangrijk in casu zijn de volgende punten :*"

\- "*cie2 en de partners van cie2 verzochten vof cie1 om logistieke diensten te verlenen*"

\- in de verkregen inlichtingen wordt gezegd dat in maart 2012 in een bericht van cie2 aan cie1 is aangegeven dat de verkopen door cie1 zijn te behandelen als business to consumer (B2C) maar volgens appellanten werd er nooit een bericht verstuurd aan appellanten waarin gesproken wordt over afstandsverkopen en ging vof cie1 er in eerste instantie van uit, aldus appellanten, dat het '*B2B*' transacties betrof. Nadien werd, aldus appellanten, door cie2 gecommuniceerd dat het om '*B2C*' transacties zou gaan waarop Nederlandse BTW verschuldigd is.

\- "Het is niet correct dat er enkel onder de naam 'cie3' contracten werden aangegaan. Dit blijkt overigens uit het contract dat de Administratie zelf bijbrengt. De handelsnaam cie1 werd gebruikt omdat cie2 veel klachten kreeg en appellanten niet wilden dat vof cie3 werd vermeld op de website www.klacht.nl", zoals blijkbaar aldus appellanten ten onrechte aangehaald in de verkregen inlichtingen

\- "*Er werd enkel gebruik gemaakt van een logistieke loods in ..., niet in ....*", aldus appellanten (In het antwoord van de Nederlandse administratie wordt geschreven dat voor de logistieke afhandeling van de opdrachten er in ... en ... loodsen in gebruik zijn)

\- "*Ook de werkwijze wordt verkeerd toegelicht in het informatieformulier dat de Belgische Administratie thans bijbrengt : Door cie2 werd vooraf de verkoopprijs, maar ook de inkoopprijs bepaald. Het is niet zo dat cie1 een gunstige inkoopprijs moest zien te bekomen. cie2 bepaalde eveneens de datum waarop de producten online werden aangeboden op de cie2 website en nadien kreeg cie1 vof de adressenlijst van cie2 voor het verzenden van de producten, en werd tevens de creditfactuur opgemaakt (inclusief de verzend- en fulfilmentkosten voor cie1)*"

\- "*Wat betreft de deals van T‑mobile en Online breedband is er geen link met cie2*" (volgens het antwoord van de Nederlandse administratie werden incidenteel door cie1 ook eigen ingekochte producten via het cie2 netwerk in de markt gezet en was er bijvoorbeeld voorafgaand aan de cie2 contracten al het aanbod van "deals" van T‑mobile en Online breedband).

\- "*De namen van de koerierdiensten die het vervoer hebben verzorgd zijn wel voorhanden*" (volgens het antwoord van de Nederlandse administratie heeft het vervoer plaatsgevonden door pakket- en koerierdiensten (DHL e.d.), en waren er dat meerdere wisselend per soort en deal en afhankelijk van het soort goed en zijn de namen daarvan niet voorhanden)

\- Vof cie1 is een logistieke dienstverlener en verzorgt niet alleen voor cie2 de logistieke afhandeling (in antwoord op de vraag wie de opdracht voor het vervoer gaf en daarvoor betaalde liet de Nederlandse administratie weten dat dit vof cie1 was, "*geheel in het kader van haar dienstverlening ten gunste van cie2*")

\- "*De antwoorden op de vragen 3,4 en 5 op pagina 9 van het informatieformulier zijn evenmin correct*" (de Nederlandse administratie antwoordde dat de commissies van cie2 niet zijn geboekt als inkoop door vof cie1, de totale ontvangsten via cie2 worden na inhouding van de commissie doorgesluisd naar en aangemerkt als omzet voor vof cie1 en hiertegenover heeft vof cie1 haar inkoop geboekt bij de door haar aangezochte leveranciers en de voorbelasting in mindering gebracht (vraag 3), dat met de uit de administratie van cie2 aangehaalde cijfers geen aansluiting kan worden gevonden in de administratie van vof cie1, hetzelfde geldt voor de listing i.v.m. intracommunautaire leveringen en voorts werd enkel de 'partner value' aangegeven (vraag 4) en dat er geen andere transacties geweest zijn dan de aan de orde zijnde bedragen (vraag 5)).

\- vof cie1 heeft geen in België belastbare handelingen gesteld. Er hebben geen verkopen op afstand plaatsgevonden door cie1 vof. cie1 vof betaalde weliswaar de leveranciers van de goederen na van cie2 een betaling te hebben ontvangen maar is maar een tussenschakel.

\- cie1 vof kocht/bestelde enkel goederen die al verkocht waren door cie2. De goederen werden geleverd bij cie1 die aan de hand van de adreslijsten die appellanten ontvingen van cie2 de goederen leverde bij de bestemmelingen. cie1 inde nooit gelden van de kopers van de goederen. cie1 is niet de leverancier van de goederen in de zin van [art. 15 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15).

\- Het non bis in idem beginsel geschonden zou zijn : de toepassing van de bepalingen van art. 70§1 en [art. 70§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) vormt twee keer een bestraffing van dezelfde feiten aldus appellanten. Aan cie1 werden in hetzelfde proces‑verbaal drie boetes met het karakter van een strafsanctie opgelegd, met name een boete van 200% op de niet-betaalde BTW, een boete van €1.000 wegens het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit en een boete van €28.000 wegens het niet‑indienen van 14 maandelijkse BTW aangiften;

\- Ten onrechte een boete van 200% wordt opgelegd nu geen fraude bewezen is/wordt.

\- De boete onevenredig hoog is en dient te worden kwijtgescholden, minstens verminderd tot een evenredig bedrag of met uitstel dient opgelegd te worden.

\- Ten onrechte interesten van 9,6% per jaar worden gevorderd ([art. 91§1,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)). [Art. 91§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) bepaalt dat in andere situaties interesten zoals in burgerlijke zaken worden aangerekend. Dit houdt een impliciete verwijzing in naar art. 2 van de wet van 5 mei 1865. Art. 2§2 van de wet van 5 mei 1865 bepaalt dat de wettelijke rentevoet in fiscale zaken op 7 percent wordt bepaald.

Het vorderen van een interest van 9,6% houdt een schending in van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Er is geen verantwoording voor het onderscheid tussen vorderingen die uitgaan van de Staat en vorderingen die uitgaan van de burger.

Nu in het arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 november 2018 m.b.t. de artikelen 77 en 79 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting het Hof zich enkel uitspreekt over de nieuwe interestvoet van 4% (art. 414 WIB 1992) en niet over die van 7% dient volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld :

> "*Schendt art. 91§1 W8TWjuncto art. 2§2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10,11 en 172 van de Grondwet doordat op grond van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8% per maand, terwijl in andere situaties men toestaat dat slechts een interest gevraagd wordt overeenkomstig de regels in burgerlijke zaken, en tussen burgers slechts een interest kan worden gevorderd op grond van art. 2§1 van de wet van de wet van 5 mei 1965 die momenteel 2,5% bedraagt?*"

\- Ten onrechte interesten van 9,6% per jaar worden gevorderd omdat de hoge interest van 9,6% een strafsanctie is die de rechter kan verminderen

\- In de bijvoeglijke conclusie en vervolgens de vervangende bijvoeglijke conclusie stellen appellanten een grief van openbare orde in te roepen stellende dat die in elke stand van het geding kan worden ingeroepen : "*art 6 EVRM en art. 47 van het EU handvest zijn geschonden*".

Beide bepalingen hebben rechtstreekse werking en beide bepalingen garanderen voor elke burger een behandeling van zijn zaak door een rechter binnen een redelijke termijn, aldus appellanten. Voor een fiscale zaak verstrijkt die redelijke termijn bij het verstrijken van een termijn van 1,5 jaar.

Het feit dat een gewaarborgd recht is geschonden, is een fout van de overheid; de schade geleden door het niet op de hoogte zijn van het definitief resultaat van de vervolging, is dat men in onzekerheid leeft en belemmerd wordt door "*de claim die boven het hoofd hangt*". De schade is gelijk aan de omvang van de vordering van de overheid. Desgevallend dient de schade *ex aequo et bono* te worden bepaald op bijvoorbeeld de helft van het bedrag van die vordering.

## Standpunt van geïntimeerde

De Belgische Staat argumenteert dat :

\- in tegenstelling tot hetgeen appellanten aanvoeren is de vordering van geïntimeerde niet verjaard.

Volgens de bepalingen van [art. 81bis§1lid 2,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) treedt er verjaring op voor de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan maar in afwijking daarvan is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. Dit is zo wanneer een inlichting van een andere lid staat van de Europese Unie aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven. In deze zaak werden in het kader van de wederzijdse bijstand tussen lid staten van de Europese Unie op het vlak van btw dergelijke inlichtingen ter kennis gebracht van geïntimeerde (stuk 2 geïntimeerde) zodat in casu de verjaring pas intreedt na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan. In tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt staat nergens in [art. 81bis§1lid 2,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) vermeld dat de inlichtingen die zijn bekomen van een andere lid staat de absolute basis moeten vormen van de vordering van de administratie. De toepassingsvoorwaarden van [art. 81bis§1lid 2,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) zijn bijgevolg vervuld. Dat de Belgische administratie wist dat vof cie1 niet in België was geregistreerd, doet daar niets aan af. Met haar vraag aan de Nederlandse belastingdienst had de administratie het doel om te weten te komen of vof cie1 al dan niet belastbare handelingen in België had gesteld. Het antwoord van de Nederlandse belastingadministratie was noodzakelijk om uit te maken of appellante vof cie1 al dan niet belastbare handelingen in België had gesteld en om uit te maken of er door appellante een dienstverlening werd verricht of dat zij rechtstreeks goederen leverde aan Belgische particulieren.

Voor wat betreft 2012 is er zodoende pas verjaring op 31 december 2019 en voor 2013 is er pas verjaring op 31 december 2020. De vordering die geïntimeerde stelt in het proces‑verbaal van 16 februari 2017 is niet verjaard.

Appellanten kunnen tenslotte niet worden gevolgd in hun stelling dat wanneer de administratie een boete van 200% vordert op grond van belastingontduiking men ook de verjaringstermijn dient uit te breiden op grond van [art. 81bis,§1,lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) omdat dit twee verschillende, van elkaar losstaande dingen zijn. Het is namelijk mogelijk dat een/de verjaringstermijn niet wordt uitgebreid maar dat er toch een boete van 200% wordt gevorderd op grond van fraude. Omgekeerd is het ook mogelijk dat desondanks het feit dat een verjaringstermijn op grond van [art. 81bis, §1, lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) werd uitgebreid er achteraf geen fraude wordt weerhouden.

Ook het toepassen van [art. 81bis §1, lid 2,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en het opleggen van een boete van 200% wegens fraude sluiten elkaar niet uit. Inlichtingen uit het buitenland kunnen betrekking hebben op zowel frauduleuze als niet‑frauduleuze transacties,

\- de informatie die de diensten van geïntimeerde uit Nederland verkreeg, is niet onjuist en het proces‑verbaal dat steunt op die informatie is (omwille van die beweerde onjuistheid van die informatie) niet nietig. Aangaande de suggestie van appellanten dat bijkomend onderzoek in Nederland aangewezen zou zijn, dient erop gewezen dat geïntimeerde een bijkomend overleg had met de Nederlandse fiscale administratie en dat het resultaat van dit overleg was dat de Nederlandse fiscale administratie akkoord ging met de zienswijze van de Belgische fiscale administratie en dat het regime m.b.t. de verkopen op afstand had dienen te worden toegepast door vof cie1,

\- vof cie1 heeft handelingen gesteld waarop btw verschuldigd is. N.a.v. een btw‑controle op naam van belastingplichtige cie2 bvba werden facturen aan de diensten van geïntimeerde overgemaakt die uitgereikt waren door cie2 bvba en aan vof cie1 gericht waren en die betrekking hebben op door bvba cie2 bvba aangerekende commissies op afstandsverkopen van vof cie1 aan Belgische particulieren voor een totaalbedrag van €601.197,71 in 2012 en 2013 (februari 2012 t.e.m. maart 2013).

Omdat de drempel van €35.000 voor de leveringen van goederen aan particulieren in België overschreden is, is de plaats van deze leveringen in België en is vof cie1 btw verschuldigd in België aan 21%. De verschuldigde btw bedraagt €104.340,10.

Appellanten kunnen niet worden gevolgd waar ze stellen dat vof cie1 geen goederen zou hebben gekocht en/of verkocht maar hooguit enkel voor de verzending van goederen zou hebben gezorgd in opdracht en voor rekening van bvba cie2. Uit de door appellanten bijgebrachte e‑mails kan niet worden afgeleid dat vof cie1 enkel en alleen maar voor de logistieke kant van de levering instond nu daaruit niet blijkt wie de eigenaar van de goederen was. Geïntimeerde argumenteert dat uit de door haar diensten gedane vaststellingen blijkt dat appellante wel degelijk afstandsverkopen heeft verricht en de via cie2 bvba verkochte goederen zelf bij haar leveranciers aankocht en vervolgens in een loods van haar opsloeg. Nadien werden de goederen aan Belgische particulieren geleverd en vond er een eigendomsoverdracht plaats. Uit stuk 2 blijkt dat het vof cie1 is die de via cie2 bvba verkochte goederen aankocht bij haar leveranciers en ze daarbij de betaalde voorbelasting in mindering brengt; verder blijkt uit een bericht van cie2 bvba aan vof cie1 dat de verkopen door vof cie1 te behandelen zijn als 'business tot consumer' transacties. cie2 is geen eigenaar van de verkochte goederen die via haar website worden aangeboden maar biedt haar marketing diensten aan aan ondernemingen in ruil voor een commissie, zo blijkt uit stuk 4. Uit stuk 3 (facturen door cie2 bvba opgemaakt en geadresseerd aan vof cie1) blijkt voorts dat de commissie die cie2 bvba ontving tussen de 2% en de 50% bedroeg en vof cie1 tussen de 98% en de 50% van de opbrengst ontving. Dit laatste is niet logisch voor een onderneming die, naar eigen zeggen, enkel voor de verzending van de goederen zou zorgen.

De hypothese/stelling van appellanten wordt op geen enkele manier gestaafd door betrouwbare stukken,

\- het "non bis in idem" beginsel is niet door geïntimeerde geschonden door het simultaan opleggen van proportionele en niet-proportionele geldboeten,

\- de boete van 200% wordt opgelegd omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken vermits vof cie1 naliet van zich in België te registreren om de afstandsverkopen aan Belgische consumenten aan te geven sedert 2012 en naliet een totaalbedrag van €601.197,71 aan afstandsverkopen waarvoor btw opeisbaar is in België aan te geven en €104.340,10 aan verschuldigde btw niet betaalde. Vof cie1 beging deze overtreding met het oogmerk om de belasting te ontduiken. De rechter heeft een toetsingsrecht dat geenszins inhoudt dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in geldboeten kan kwijtschelden of verminderen. In casu is er geen reden om de opgelegde boete te verminderen,

\- iemand die zich in een fiscale zaak gehouden ziet tot betaling van een interest van 9,6% bevindt zich in een fundamenteel andere situatie dan iemand die interesten ter hoogte van 2,5% of 3% verschuldigd is als gevolg van een burgerlijk geding. Fiscale en burgerlijke gedingen bevinden zich in totaal verschillende rechtstakken met elk een onderscheiden procedure die op diverse punten, waaronder de interesten, verschillen van elkaar. Een schuldenaar van een laattijdig betaalde burgerlijke schuld ten aanzien van een particuliere schuldeiser bevindt zich niet in een vergelijkbare situatie met een schuldenaar die wettelijk verschuldigde belastingen is verschuldigd aan de Belgische Staat. De staat dient het algemeen belang, terwijl de gewone schuldeiser enkel rekening dient te houden met zijn persoonlijke belangen. Het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium. Het innen van wettelijk verschuldigde belastingen raakt de fundamentele belangen van de maatschappij. Het is niet onverantwoord een belastingplichtige die belastingen niet tijdig heeft vereffend, te onderwerpen aan nalatigheidsinteresten die afwijken van de gemeenrechtelijke regeling (vgl. GWH 29 november 2018, arrest nr. 168/2018). Zelfs een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van belastingplichtigen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende belastingstelsels, met betrekking tot eenzelfde belastbare handeling en van de daarin vervatte procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in (vgl. GWH 29 november 2018, arrest nr. 168/2018).

Appellanten kunnen niet worden gevolgd waar ze stellen dat het Grondwettelijk hof in de geciteerde arresten enkel uitspraak zou hebben gedaan over de nieuwe interestvoet van 4%. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden.

## Beoordeling

## Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid voorhanden zijn is het tijdig en regelmatig naar vorm ingestelde hoger beroep ontvankelijk.

## Gegrondheid

**1.** Tijdens de pleidooien laat de raadsman van appellanten weten dat het middel aangaande de interesten (schending van het evenredigheidsbeginsel (i), strafsanctie die door de rechter kan worden verminderd (ii) en het stellen van een prejudiciële vraag in dat kader (iii)) niet langer wordt aangewend en schrapt dit in de syntheseconclusies van appellanten.

**2.** Appellanten voeren in eerste instantie aan dat er verjaring voorhanden zou zijn. Geïntimeerde beroept zich op de bepalingen van art. 81bis,§1, lid 2,1° W BTW en verwijst daarbij naar de inlichtingen die werden bekomen van de Nederlandse belastingadministratie.

[Art. 81bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) zoals van toepassing in 2012 en 2013 bepaalt :

*§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.*

*In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:*

*1°* *een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lid staat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;*

*2°* *een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;*

*3°* *bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn;*

*4°* *de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.*

Voor de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn vereist [artikel 81bis, §1, lid 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) dat "een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België".

De inlichtingen moeten op zich niet het bewijs leveren van de niet‑aangegeven belastbare handelingen. Het volstaat dat de inlichtingen niet-aangegeven belastbare handelingen aan het licht brengen en dat de administratie vertrekkend van dit gegeven aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welke belastbare handelingen niet werden aangegeven en welk bedrag aan belastingen verschuldigd is (vgl. Cass. 18 januari 2013, AR. [F.11.0126.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invordering-verjaring-rechtsvordering-uitwijst-belastbare-cassatie-brussel-2013-01-18-9420), www.cass.be). Het gebruik van het begrip 'aantonen' houdt derhalve niet in dat de inlichtingen de niet-belastbare handelingen moeten 'bewijzen', doch wel dat de uit het buitenland verkregen inlichtingen moeten toelaten de niet-aangegeven belastbare handelingen te identificeren (vgl. Brussel 11 februari 2020, 2015/AF/60, www.monkey.be) waarna de administratie vervolgens aan de hand van de beschikbare bewijsmiddelen de omvang van de niet-aangegeven belastbare handelingen en het bedrag van de verschuldigde B.T.W. kan bepalen. Hiertoe is niet uitgesloten dat door de administratie naar aanleiding van de verkregen inlichtingen een controle wordt aangevat (Antwerpen 12 februari 2013, RABG, 2013, afl. 19, 1378) en onderzoekshandelingen worden verricht (Cass. 27 april 2012, AR [F.11.0069.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invordering-termijnen-verjaring-onregelmatige-aangifte-cassatie-brussel-2012-04-27-221e), www.cass.be; Gent 17 november 2015, RABG, 2016, afl. 11, 820).

De toepassing van deze zevenjarige verjaringstermijn sluit dus niet uit dat de fiscale administratie gebruik maakt van gegevens waarover zij beschikt, noch dat zij bijkomende onderzoekshandelingen stelt die samen met de buitenlandse inlichtingen de niet aangegeven belastbare handelingen of de onterechte vrijstellingen of belastingaftrekken bewijzen.

**3.** Inzake beroept de administratie zich, zo blijkt uit het proces‑verbaal d.d. 16 februari 2017, op gegevens bekomen naar aanleiding van de btw‑controle bij bvba cie2 evenals op inlichtingen bekomen van de Nederlandse autoriteiten betreffende de transacties van vof cie1 met bvba cie2 over de jaren 2012 en 2013. Deze laatste inlichtingen werden bekomen op 12 februari 2016 en vloeien voort uit een door de Belgische fiscale administratie gestelde vraag om inlichtingen dd. 8 september 2015.

**4.** Volgens de fiscale administratie zijn het de inlichtingen vanuit Nederland – op grond van een onderzoek dat de Nederlandse fiscale administratie bij vof cie1 uitvoerde en waarbij in aanwezigheid van de adviseur F.P.M.B. van cie3 'bescheiden' werden onderzocht – die zouden hebben aangetoond dat in 2012 en 2013 belastbare handelingen niet werden aangegeven. De inlichtingen verstrekt door de Nederlandse administratie, aldus de (Belgische) fiscale administratie, tonen aan dat vof cie1 verkopen aan Belgische particulieren heeft verricht en dat de verschuldigde BTW hierop niet werd aangegeven in België.

Het hof stelt vast dat uit die inlichtingen blijkt dat de Nederlandse administratie de feitelijke werkwijze tussen vof cie1 en bvba cie2 als volgt omschrijft :

> "*cie2 zoekt de partners/ondernemers die via een cie2-deal goederen willen aanbieden tegen een gereduceerde prijs. Hiervoor wordt een overeenkomst opgemaakt met cie2. cie2 verzoekt daarna cie1 VOF om deze deal uit te voeren, hetgeen betekent dat cie1 VOF de goederen inkoopt, deze indien van toepassing, opnieuw verpakt en distribueert aan de hand van de deals, die via de site van cie2 zijn verkocht. Dit zijn voornamelijk verkopen aan Belgische particulieren. Door cie2 wordt vooraf de verkoopprijs bepaald, waarbij cie1 een gunstig mogelijke inkoopprijs moet zien te realiseren. Voor de logistieke afhandeling van de opdrachten zijn er in ... en ... loodsen in gebruik.*
>
> *De ontvangsten voor de, via de site van cie2, verkochte goederen, worden na inhouding van een commissie door cie2, doorbetaald aan cie1.*
>
> *…*
>
> *Er was derhalve geen sprake van een vergoeding voor bemiddelingsdiensten of logistieke diensten, maar van inkoop door cie1 en te koop aanbieden via de site van cie2.*"

Verder liet de Nederlandse administratie o.m. weten dat :

"*De verkopen door cie1 VOF ten behoeve van cie2 SPRL, zijn aangemerkt als binnenlandse omzet. Er is geen sprake geweest van behandeling als afstandsverkopen; er zijn geen stappen ondernomen om bij overschrijding van de grens van €35.000,- de aangifte in België te gaan doen.*

*…*”

en

"*In maart 2012 is in een bericht van cie2 aan cie1 aangegeven, dat de verkopen door cie1 zijn te behandelen als business to consumer (B2C) transactie, m.a.w. met Nederlandse BTW. Er wordt wel melding gemaakt van het fenomeen "afstandsverkopen", maar hieraan is blijkbaar geen gevolg gegeven toen de grens van €35000 werd overschreden.*

*…*”

De voorliggende inlichtingen van de Nederlandse belastingadministratie zoals ze blijken uit het proces verbaal van 16 februari 2017 en uit het stuk 2 van geïntimeerde, het document aangaande de uitwisseling van inlichtingen waarin de Nederlandse belastingadministratie de inlichtingen formuleert, zijn duidelijk en precies en tonen aan dat belastbare handelingen niet werden aangegeven.

Dat de Belgische fiscale administratie geen (bijkomende) stukken of documenten ontving van de Nederlandse belastingdienst doet geen afbreuk aan de waarde van voormelde inlichtingen; en met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de loutere omstandigheid dat de Belgische fiscale administratie in de vraag om inlichtingen aan de Nederlandse administratie melding heeft gemaakt van het feit dat vof cie1 niet was geregistreerd (in België) hieraan geen afbreuk doet.

Zoals hiervoor reeds uiteengezet sluit de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn bedoeld in [artikel 81bis, § 1, lid 2, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) niet uit dat de administratie gebruik maakt van gegevens waarover zij beschikt, noch dat zij bijkomende onderzoekshandelingen stelt die samen met de buitenlandse inlichtingen de niet aangegeven belastbare handelingen (of de onterechte vrijstellingen of belastingaftrekken) bewijzen.

**5.** Appellanten kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat wanneer de administratie een boete van 200% vordert op grond van belastingontduiking men ook de verjaringstermijn dient uit te breiden op grond van [art. 81bis, §1,lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis).

Dit zijn twee onderscheiden zaken.

Het is namelijk mogelijk dat de verjaringstermijn niet wordt uitgebreid maar dat er toch een boete van 200% wordt gevorderd op grond van fraude. Omgekeerd is het ook mogelijk dat desondanks het feit dat een verjaringstermijn op grond van [art. 81bis, §1, lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) werd uitgebreid er achteraf geen fraude wordt weerhouden.

Ook het toepassen van [art. 81bis, §1, lid 2,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en het opleggen van een boete van 200% wegens fraude sluiten elkaar niet uit : inlichtingen uit het buitenland kunnen zowel betrekking hebben op frauduleuze als op niet‑frauduleuze transacties.

**6.** De toepassingsvoorwaarden van [art. 81bis,§1 lid 2,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) zijn vervuld.

De vordering tot voldoening van de B.T.W. en toebehoren is inzake niet verjaard.

**7.** Wat betreft de informatie die de Belgische fiscale administratie van de Nederlandse belastingadministratie heeft ontvangen , is de kwestie van de werkwijze van vof cie1 van belang. Wat de andere aangehaalde punten betreft (de (al dan niet) gebruikte loodsen, het al dan niet opereren onder de handelsbenaming 'cie1', het al dan niet voorhanden zijn van de namen van koerierdiensten enz.), is het niet van belang of deze al dan niet juist zijn.

Vooreerst mogen de inlichtingen verschaft door de Nederlandse belastingdienst vermoed worden juist en correct te zijn en de Belgische fiscale administratie mocht/mag er aldus op vertrouwen dat deze inlichtingen met de werkelijkheid overeenstemmen.

De Nederlandse belastingadministratie heeft op geen enkel ogenblik officieel de aan de Belgische fiscale administratie overgemaakte inlichtingen gecorrigeerd of herroepen. Evenmin werd de Belgische fiscale administratie ervan op de hoogte gebracht dat de verschafte informatie onjuist zou zijn en/of niet mocht worden gebruikt.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de wijze waarop het onderzoek door de Nederlandse belastingadministratie werd gevoerd en de wijze waarop de antwoorden op de gestelde vragen werden bekomen niet kan worden toegerekend aan de Belgische fiscale administratie en dat het aan de Nederlandse belastingadministratie was, indien zij van oordeel was dat de door haar verstrekte inlichtingen onvolledig en/of onjuist waren, om de Belgische belastingadministratie hiervan in te lichten.

Uit contacten die na het verstrekken van de inlichtingen plaatshadden met de Nederlandse belastingadministratie door B.V.D. van cie3 en door de raadsman van appellanten blijkt (inderdaad), zoals door appellanten aangehaald, het volgende :

\- uit de e‑mail van 16 maart 2017 van behandelfunctionaris K. van de Nederlandse belastingadministratie blijkt dat deze o.a. stelt dat "*... zou het kunnen dat hetgeen dhr. F.P.M.B. en ikzelf hebben geconcludeerd en geïnterpreteerd uit de voorhanden zijnde stukken, ter discussie komt te staan*" en

\- uit de e‑mail van 14 augustus 2017 van H.v.M. van de Nederlandse belastingdienst (rechtstreeks geadresseerd aan advocaat H. Vandebergh) blijkt dat deze stelt dat "*Mijn conclusie is ook, met u, dat het derden onderzoek niet alle juiste antwoorden heeft opgeleverd, zoals te lezen valt in de commentaren in de door u aangeleverde stukken, door de afwezigheid van de juiste mensen tijdens het onderzoek*".

Het hof stelt echter vast dat uit dezelfde e‑mail van 14 augustus 2017 van dezelfde H.v.M., enkele regels verder – hetgeen niet wordt geciteerd door appellanten – blijkt dat H.v.M. van de Nederlandse belastingdienst uiteindelijk stelt/concludeert :

\- "*Ik zie in de aangereikte stukken nog geen aanleiding af te gaan wijken van de ingenomen stelling ...*".

"*De afwezigheid van de juiste mensen tijdens het onderzoek*" waarnaar dezelfde H.v.M. in dezelfde e‑mail van 14 augustus 2017 verwijst, m.a.w. het gebrek aan medewerking van vof cie1 kan voorts noch de Nederlandse belastingadministratie, noch de Belgische belastingadministratie aangewreven worden.

Het hof is verder van oordeel dat appellanten niet voldoende aannemelijk maken dat verder onderzoek in Nederland noodzakelijk of nuttig zou zijn met het oog op het beantwoorden van de vraag of vof cie1 belastbare handelingen heeft gesteld in België.

Het feit dat bvba cie2 vof cie1 zou hebben verzocht (ook) logistieke diensten te verlenen, impliceert tenslotte niet dat appellante door dat feit geen eigenaar was van de goederen die aan Belgische particulieren werden geleverd.

**8.** Uit de vaststellingen van het proces‑verbaal, bestaande uit gegevens bekomen n.a.v. de controle van bvba cie2 en uit de van de Nederlandse belastingadministratie bekomen inlichtingen, blijkt dat de fiscale administratie terecht tot de conclusie komt dat vof cie1 handelingen heeft gesteld waarop (in België) btw verschuldigd is.

Uit de facturen uitgereikt door bvba cie2 en aan vof cie1 gericht die betrekking hebben op door bvba cie2 aangerekende commissies op afstandsverkopen van vof cie1 aan Belgische particulieren, blijkt dat er voor een totaalbedrag van €601.197,71 werd gefactureerd m.b.t. de periode februari 2012 t.e.m. maart 2013.

Omdat de drempel van €35.000 voor de leveringen van goederen aan particulieren in België overschreden is, bedoeld in [artikel 15§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15), is de plaats van deze leveringen België en is vof cie1 btw verschuldigd in België aan 21%. De verschuldigde btw bedraagt €104.340,10.

Terecht concludeert de fiscale administratie dat vof cie1 goederen kocht en verkocht. Vof cie1 kan niet worden gevolgd dat ze hooguit enkel voor de verzending van goederen zou hebben gezorgd in opdracht en voor rekening van bvba cie2. Uit de door vof cie1 bijgebrachte e‑mails kan niet worden afgeleid dat ze enkel en alleen maar voor de logistieke kant van de levering instond nu daaruit niet blijkt wie de eigenaar van de goederen was. Deze berichten verschaffen geen informatie m.b.t. werkelijke en/of juridische verhoudingen tussen partijen en betreffen enkel de logistieke afhandeling van de leveringen.

Geïntimeerde argumenteert met reden dat uit de door haar diensten gedane vaststellingen blijkt dat vof cie1 wel degelijk afstandsverkopen heeft verricht en de via bvba cie2 verkochte goederen zelf bij haar leveranciers aankocht en vervolgens in een loods van haar opsloeg. Dit laatste wordt uitdrukkelijk door de Nederlandse belastingadministratie bevestigd (stuk 2 geïntimeerde, antwoordvak c40). Nadien werden de goederen aan Belgische particulieren geleverd en vond er een eigendomsoverdracht plaats.

Uit stuk 2 van geïntimeerde (de inlichtingen van de Nederlandse belastingadministratie) blijkt dat het vof cie1 is die de via bvba cie2 bestelde goederen aankocht bij haar leveranciers en dat ze daarbij de betaalde voorbelasting in mindering brengt; verder blijkt uit een bericht van bvba cie2 aan vof cie1 dat de verkopen door vof cie1 te behandelen zijn als 'business tot consumer' transacties. Er wordt ook melding gemaakt van afstandsverkopen. Bvba cie2 is geen eigenaar van de verkochte goederen die via haar website worden aangeboden maar biedt haar marketing diensten aan aan ondernemingen in ruil voor een commissie, zo blijkt uit de samenwerkingsovereenkomst (stuk 4 geïntimeerde) . Uit stuk 3 (facturen door bvba cie2 opgemaakt en geadresseerd aan vof cie1) blijkt voorts dat de commissie die cie2 bvba ontving tussen de 2% en de 50% bedroeg en vof cie1 tussen de 98% en de 50% van de opbrengst ontving waaruit de fiscale administratie met reden concludeert dat dit laatste niet logisch is voor een onderneming die, naar eigen zeggen, enkel voor de verzending van de goederen zou zorgen.

Appellanten maken hun beweringen als zou vof cie1 goederen kopen en verkopen aan cie2 (randnr. 13 syntheseconclusies appellanten) niet hard; integendeel worden deze beweringen tegengesproken door de bepalingen van de samenwerkingsovereenkomst en door de informatie van de Nederlandse belastingadministratie volgens dewelke vof cie1 aankocht en de in dat verband betaalde voorbelasting in aftrek bracht.

Dat vof cie1 nooit gelden inde van de kopers blijkt juist te zijn; de samenwerkingsovereenkomst is wat dat betreft duidelijk. Het was bvba cie2 die eigenlijk in naam en voor rekening van vof cie1 inde en dan doorstortte aan vof cie1 en daarbij een commissie factureerde en inhield

(vgl. art. 3.1 samenwerkingsovereenkomst : "*De Partner heeft recht op betaling door cie2 van de relevante prijs ... van iedere bij de Partner verzilverde voucher verminderd met de netto succescommissie van* *%**" (exclusief wettelijke BTW) van de prijs van de desbetreffende voucher*").

**9.** Appellanten roepen verder ten onrechte het non bis in idem beginsel in, stellende dat aan vof cie1 zowel een proportionele geldboete als twee niet-proportionele geldboetes werden opgelegd voor dezelfde feiten daarbij ervan uitgaand dat deze boetes per definitie allemaal strafsancties zijn.

Daarmee zou vof cie1 driemaal worden gestraft voor dezelfde feiten (cfr. GH 18 juli 2024).

Uit het proces‑verbaal blijkt dat aan vof cie1 drie boetes werden opgelegd. De boetes, opgelegd op grond van [art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (proportionele boete), [art. 70§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (fofaitaire boete wegens het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit) en [art. 70§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (forfaitaire boete wegens het niet indienen van maandelijkse aangiften) werden respectievelijk opgelegd wegens het niet afdragen van verschuldigde btw (€208.680,20), het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit (€500, bij toepassing van art. 2 KB 44 verhoogd tot €1.000) en het niet indienen van maandelijkse aangiften (€14.000 voor het niet‑indienen van 14 maandelijkse btw‑aangiften, bij toepassing van art. 2 KB 44 verhoogd tot 28.000).

Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.

Het hof stelt vooreerst, met de eerste rechter, vast dat de boetes onderscheiden gedragingen (het niet-indienen van een aangifte van activiteit, het niet indienen van maandaangiften en het nalaten van in België verschuldigde btw te betalen) bestraffen en het inzake geen identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn betreft.

Zelfs indien zowel de niet-proportionele administratieve geldboetes (de boete wegens het niet indienen van een aangifte van aanvang van activiteit (€1.000) en de boetes wegens het niet indienen van maandelijkse aangiften (€14 x €2.000, hetzij €28.000)) evenals de geldboete gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (€208.680,20) een strafrechtelijk karakter zouden hebben in de zin van artikel 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM, faalt het middel van de appellanten. Immers, de beide sancties, die afzonderlijk worden voorzien bij wet, werden op hetzelfde ogenblik opgelegd bij eenzelfde beslissing. Er is geen sprake van een nieuwe sanctie die wordt opgelegd nadat een vroegere sanctie definitief is geworden. Dit is in overeenstemming met de bedoeling van het non bis in idem-beginsel, namelijk het verhinderen van herhaling van reeds definitief afgehandelde procedures (vgl. dienaangaande EHRM, Gradinger t. Oostenrijk, arrest van 23 oktober 1995, punt 53; vgl. ook Gent 15 maart 2022, AR 2020/AR/1369, FjF, afl. 4, 171). Het is aan het hof om over de opgelegde sancties te oordelen in dit arrest. Het non bis in idem beginsel werd niet geschonden.

Inzake is geen sprake van een dubbele berechting; de forfaitaire en proportionele boetes maken deel uit van een geïntegreerd mechanisme van sancties die door het WBTW zijn voorzien indien een belastingplichtige nalaat bepaalde gegevens aan te geven die van belang zijn ter inning en controle van de BTW.

**10.** Appellanten menen tenslotte dat ten onrechte een boete van 200% werd opgelegd nu geen fraude bewezen is/wordt.

De boete is voorts onevenredig hoog en dient te worden kwijtgescholden, minstens verminderd tot een evenredig bedrag of met uitstel opgelegd te worden.

Het hof stelt vast dat uit het proces‑verbaal van 16 februari 2017 blijkt dat op grond van [art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een bedrag gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (200%) wordt opgelegd, zijnde een boete van €208.680,20 en dat bij toepassing van [art. 1 laatste lid KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing is t.a.v. overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, "wat in dit onderzoek het geval is", aldus de diensten van de Belgische Staat.

De motivering van dit laatste in het proces‑verbaal luidt als volgt :

> "*- De onderneming V.O.F. cie1 heeft nagelaten zich in België te registreren om de uitgevoerde afstandsverkopen aan Belgische consumenten aan te geven, en dit sinds 2012;*
>
> *-* *De onderneming heeft zodoende nagelaten een totaal bedrag van €609.197,71 (BTW inbegrepen) aan afstandsverkopen, waarvoor de BTW opeisbaar is in België, aan te geven en heeft de verschuldigde BTW niet betaald voor een totaal bedrag van €104.340,10*
>
> *-* *De onderneming heeft tevens nagelaten om in Nederland BTW af te dragen over deze omzet.*"

Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van art. 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, B. t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984) S./Duitsland).

Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat de administratieve boete, die in onderhavig geval in principe 200 % bedraagt, een strafsanctie betreft in de zin van art. 6 EVRM.

Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen, gekoppeld aan art. 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, S. H. S., *TFR*, 2004, nr. 264, p.636, met noot B.Coopman, Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr. 22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (vgl. Cass., 21 januari 2005, [C.02.0572.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70); Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.N; [Cass., 16 februari 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak/volle-rechtsmacht-cassatie-brussel-2007-02-16-777a), C,04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N).

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen. (vgl. Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N).

Ook wanneer de rechter vaststelt dat het bestuur niet over enige beoordelingsvrijheid beschikt, doordat het verplicht was de wettelijk voorziene administratieve geldboete op te leggen, mag de rechter de evenredigheid van de wettelijk voorziene administratieve geldboete toetsen (vgl. Cass. 23 september 2022 zaak [F.20.0112.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674)).

Uit de inlichtingen van de Nederlandse belastingadministratie (stuk 2 geïntimeerde : p.9 antwoord op vraag 1) blijkt dat de verkopen door vof cie1 ten behoeve van bvba cie2 (wel) zijn aangemerkt als binnenlandse omzet (in Nederland). Uit diezelfde inlichtingen (stuk 2 : p.9 antwoord op vraag 4) blijkt verder dat vof cie1 niet de "full value" maar alleen de "partner value" heeft aangegeven in Nederland waarbij de "partner value" = "full value – cie2 fee".

Rekening houdend met het voormelde lijkt het erop dat vof cie1 btw op de verkopen zou hebben betaald in Nederland – in tegenstelling tot hetgeen in het proces‑verbaal wordt gesteld –, alhoewel vof cie1 dienaangaande geen stukken neerlegt. Met de eerste rechter stelt het hof verder vast dat het blijkbaar ook niet wordt betwist dat vof cie1 btw op de verkopen zou hebben betaald in Nederland.

Kwade trouw van vof cie1 wordt inzake alleszins niet afdoende aangetoond en gemotiveerd in het proces‑verbaal van 16 februari 2017. Het enkele feit dat een bedrag van €104.340,10 aan btw niet werd betaald in België wijst op zich niet op het bestaan van een oogmerk om belastingen te ontduiken. Hetzelfde geldt voor het nalaten van zich te registreren in België om de afstandsverkopen aan te geven.

In acht genomen het preventief en repressief oogmerk van een sanctie en de gegeven omstandigheden acht het hof met de eerste rechter dat het gepast is de opgelegde proportionele geldboete te herleiden van 200 % tot 50 % van de in hoofde van de vof cie1 'ontdoken' btw. Deze aldus herleide geldboete is verantwoord en bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard en de ernst van de door vof cie1 begane inbreuken. Het hof ziet geen gegronde redenen om de geldboete nog verder te herleiden of volledig kwijt te schelden.

Wat tenslotte de niet-proportionele geldboetes betreft, stelt het hof vast dat de "samenwerking" van vof cie1 met bvba cie2 in de periode 2012-2013 heeft geleid tot meerdere inbreuken, met name de niet-indiening van een aangifte van aanvang van werkzaamheid in België en de niet-indiening van de periodieke aangiftes bij de Belgische administratie. Voor elk van deze laatste (periodieke) inbreuken werd een forfaitaire geldboete opgelegd. In dit geval is het gepast om in dat verband één enkele niet-proportionele geldboete op te leggen. De opeenstapeling van niet-proportionele boetes voor verschillende overtredingen (het niet indienen van 14 maandaangiftes) die voortvloeien uit eenzelfde feit is in de gegeven omstandigheden niet evenredig ten aanzien van de aard en de ernst van de door de appellanten begane inbreuken. Het hof herleidt de niet-proportionele geldboete m.b.t. het niet indienen van maandelijkse aangiftes van €28.000 (14 x €2.000) euro tot €2.000 (1 x €2.000).

Er is geen reden voorhanden om uitstel te verlenen m.b.t. de opgelegde boetes, indien de toepasselijke wetgeving daarin al zou voorzien.

**11.** Appellanten vorderen geïntimeerde te veroordelen tot een schadevergoeding gelijk aan de voormelde betwiste bedragen aan btw en boeten verhoogd met de wettelijke interesten op grond van de volgens hen schending van de "redelijke termijn" vervat in artikel 6 EVRM en artikel 47 Europees Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

In zoverre de hier aanhangige vorderingen een strafrechtelijk onderdeel bevatten (de opgelegde btw-boeten) zijn voormelde ingeroepen beginselen van toepassing.

Voormelde beginselen zijn niet van toepassing in zoverre het gevorderde belastingen betreft. Het betalen van belastingen zijn geen burgerlijke rechten en verplichtingen als bedoeld in art. 6 EVRM op dit punt, maar publiekrechtelijke. Onder zijn strafrechtelijke aanknopingsfactor is de ingeroepen bepaling (artikel 6 EVRM en art. 47 Europees Handvest van de grondrechten van de Europese Unie) die de naleving van de redelijke termijn waarborgt bij het bepalen van strafrechtelijke verplichtingen, niet van toepassing (arrest EHRM 12 juli 2001 Ferrazini/italië op grond waarvan de fiscale verplichtingen publiekrechtelijk van aard geacht worden). Op dit punt (de vordering inzake btw) is deze vordering om die reden onontvankelijk.

M.b.t. de btw‑boeten én m.b.t. btw is de vordering zoals hier gesteld opzichtens geïntimeerde in zijn hoedanigheid in dit geschil, niet ontvankelijk. De aangehaalde gedraging de redelijke termijn beweerdelijk te hebben overschreden, berust niet op een gedraging van huidige geïntimeerde in haar hoedanigheid zoals hier aanwezig, te weten de fiscale administratie.

Zij kan in beginsel hoogstens aanleiding geven tot een schadevergoeding naar burgerrechtelijk recht, maar is aldus thans niet ontvankelijk gevorderd.

Het betreft een nieuwe vordering, die in deze zaak niet berust op een feit of akte aangehaald in het gedinginleidend verzoekschrift (art. 705, lid 1 en art. 807 Ger. W.).

**12.** Het hoger beroep is heel gedeeltelijk gegrond.

## De kosten

Nu het hoger beroep heel gedeeltelijk gegrond is ,blijven de kosten (m.b.t. de procedure in eerste aanleg en m.b.t. de procedure in hoger beroep) omgeslagen maar met dien verstande dat de Belgische Staat twee vijfde van de kosten dient te dragen en appellanten drie vijfden.

*Rechtsplegingsvergoeding*

Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde; ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (cfr. [Cass., 12 maart 2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-verminderd-tarief-nieuwe-gebouwen-cassatie-brussel-2010-03-12-1ec2), *F.J.F.*, nr. 2010/183, p.720).

Het geschil betreft een in geld waardeerbare vordering, zich in totaal situerend in de schijf €250.000,01 – €500.000, waarvoor een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van €10.500 kan worden gevraagd.

Partijen zijn het hierover eens.

*Rolrecht*

Het rolrecht is vrijgesteld inzake (vgl. artikel 269 '2', §1, tweede lid , artikel 162, 4° en artikel 279 1 Wb.Reg.).

*Bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19 maart 2017 (inwerkingtreding 1 mei 2017) BS, 31 maart 2017, blz. 46565*

De bijdragen voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, door appellanten betaald om respectievelijk het geding inleidend verzoekschrift en het verzoekschrift hoger beroep te mogen neerleggen, bedragen €20 (inleidend verzoekschrift) en €20 (verzoekschrift hoger beroep).

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in hiernavolgende mate gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis uitgezonderd wat betreft het punt m.b.t. de niet-proportionele geldboete m.b.t. het niet indienen van maandelijkse aangiftes en uitgezonderd wat betreft de gerechtskosten,

Hervormt het bestreden vonnis op deze punten,

Zegt voor recht dat de niet‑proportionele geldboete m.b.t. het niet indienen van maandelijkse aangiftes van €28.000 (14 x €2.000) euro tot €2.000 (1 x €2.000) dient te worden herleid,

Beveelt voor zoveel als nodig de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten,

Verklaart de vordering van appellanten nopens een schadevergoeding wegens de overtreding van de redelijke termijn inzake artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie niet ontvankelijk,

Veroordeelt de Belgische Staat tot twee vijfde van de kosten (in hoofde van appellanten begroot op €8.400 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg + €20 bijdrage begrotingsfonds inleidend verzoekschrift + €10.500 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep + €20 bijdrage begrotingsfonds verzoekschrift hoger beroep) en appellanten tot drie vijfden van de kosten (in hoofde van de Belgische Staat begroot op €0 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg + €0 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep) waarbij drie vijfden van €20 bijdrage begrotingsfonds inleidend verzoekschrift + €20 bijdrage begrotingsfonds verzoekschrift hoger beroep ten laste van appellanten blijft.

Dit arrest werd gewezen door de **6N kamer** van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit

Caroline Vanderkerken, voorzitter

Marc Loyens, raadsheer

Aag Bellens, raadsheer

die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd.

Het werd uitgesproken op **20 NOVEMBER 2024** door Caroline Vanderkerken, voorzitter, bijgestaan door Jan Van den Bossche, griffier

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 14 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 13 voorkomens

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 2 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Consulting, Bedrieglijk opzet, Plaats van de dienst, adviesverstrekking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/consulting-bedrieglijk-opzet-plaats-dienst-hof-van-beroep-brussel-2025-03-19-77c1) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Douane-expediteur, Vennootschap naar Frans recht, Invoer /Overbrenging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/douane-expediteur-vennootschap-frans-recht-hof-van-beroep-brussel-2026-03-24-1024) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Invoering van de belasting, werkingssfeer, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-werkingssfeer-levering-goederen-rechtbank-mechelen-2000-03-16-0127) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Overschrijding drempel IC-verwervingen, afstand van verlopen tijd van verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overschrijding-drempel-ic-verwervingen-afstand-cassatie-all-cassation-2022-11-25-125b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 3 gemeenschappelijke bepalingen
