Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 27.10.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ZESDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
Inzake : 2008/AR/3183
1. De BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, in de persoon van de Minister van Financiën,
2. De BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen in de persoon van de gewestelijke directeur, met burelen te 3500 Hasselt, Voorstraat 43
appellanten
tegen het vonnis gewezen door de 11e A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de dato 19 november 2008, gekend onder het nummer AR 07/5/A
vertegenwoordigd door Meester v. L. d. J. A., advocaat te …, …
(ref : REA-HOF. 1729)
tegen :
L. P., wonende te …, …,
geïntimeerde
vertegenwoordigd door Meester M. M., advocaat te …, … (ref.: LOMMERS/FOD FIN 080499)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 november 2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 24 december 2008, waarbij een naar vorm van termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
De betwisting betreft de in hoofde van geïntimeerde gevestigde aanslag in de verkeersbelasting op autovoertuigen voor het aanslagjaar 2006 (belastbare periode van 1 mei 2006 tot 30 april 2007), kohierartikel … voor een te betalen bedrag van … euro (stuk 1B geïntimeerde).
1.2.
Geïntimeerde is eigenaar van een voertuig Hyundai Terracan dat op 17 mei 2004 werd ingeschreven in het repertorium bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (verder D.l.V.). onder nummerplaat ….
Geïntimeerde liet het voertuig ombouwen tot een voertuig lichte vracht.
1.3.
Op 19 juni 2006 heeft geïntimeerde het voertuig ter herkeuring aangeboden.
Het voertuig werd opgemeten en er werd vastgesteld dat het een percentage laadruimte/wielbasis had van 35 % en zodoende niet voldeed aan de fiscale voorwaarde van 50 % (stuk 19 A.D.).
1.4.
Begin juli werd aan geïntimeerde een uitnodiging tot betaling van de verkeersbelasting voor de periode van 1 mei 2006 tot 30 april 2007 verstuurd voor een te betalen bedrag van … euro.
Het voertuig staat vermeld als lichte vracht (categorie CT) (stuk 1A geïntimeerde).
Vervolgens werd aan geïntimeerde een tweede uitnodiging tot betaling van de verkeersbelasting verstuurd voor dezelfde periode.
De belasting werd volgens het bericht herberekend als gevolg van een "wijziging van titularis" (stuk 11 AD ).
Voor de berekening van de belasting werd het voertuig evenwel beschouwd als een wagen voor personenvervoer.
De verschuldigde belasting bedroeg … euro, waarvan … euro in mindering werd gebracht (stuk 11 A.D.).
1.5.
Geïntimeerde tekende tegen deze (toen nog niet in een aanslag geformaliseerde maar bij uitnodiging tot betaling gevorderde) belasting bezwaar aan bij brief van 19 augustus 2006, toegekomen bij de bevoegde directie op 23 augustus 2006 (stukken 2 t/m 12 A.D.).
1.6.
Bij de bestreden directoriale beslissing van 4 oktober 2006 werd het bezwaar van geïntimeerde afgewezen (stukken 13 en 14 A.D.).
Op 8 november 2006 werd het litigieuze aanslagbiljet, na inkohiering onder kohierartikel … op 3 november 2006 verzonden (stuk 1B appellant).
1.7.
Bij het gedinginleidend verzoekschrift van 21 januari 2004 leidde geïntimeerde de procedure in voor de eerste rechter, met het volgende dispositief :
"De voorziening van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens te zeggen voor recht dat de aanslag in de verkeersbelasting met kohierartikel … aanslagjaar 2006 op naam van verzoeker onterecht werd gevestigd en derhalve nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan sorteren.
Kosten lastens gedaagde met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ....”
De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en vernietigde derhalve de bestreden aanslag, met veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.
1.8.
De vordering in graad van beroep van de Belgische Staat, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
"Het door concluant bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 24 december 2008 ingestelde hoger beroep tegen het vonnis dd. 19 oktober 2008 van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt ingestelde hoger beroep gegrond te verklaren;
Dienvolgens het vonnis dd. 19 november 2008 van de 11 A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (AR. Nr. 074/5/A) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, doende wat de eerste rechter had moeten doen, de door geïntimeerde gestelde vordering voor de Rechtbank van Eerste Aanleg ongegrond te verklaren en hem ervan af te wijzen.
Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in graad van hoger beroep met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.”
1.9
Geïntimeerde besluit tot afwijzing van het hoger beroep en vraagt derhalve de bevestiging van het eerste vonnis.
2. Bespreking
2.1.
Artikel 9 van het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen (hierna W.I.G.B.) stelt dat de verkeersbelasting verschillend wordt berekend voor lichte vrachtwagens enerzijds en personenauto's, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen anderzijds.
De technische criteria waaraan een voertuig moet voldoen om als lichte vrachtwagen erkend te worden, zijn omschreven in artikel 4 W.I.G.B.
De bepalingen van dit artikel werden gewijzigd door artikel 101 van de Programmawet van 27 december 2005, in werking getreden op 1 januari 2006.
Artikel 4, § 2, 3° W.I.G.B. stelt dat onder “lichte vrachtauto" wordt verstaan : "elke auto, opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximaal toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt, bestaande uit een passagiersruimte die ten hoogste twee plaatsen mag bevatten, die van de bestuurder niet inbegrepen, en een daarvan afgesloten laadruimte, gemeten in de langsrichting van het voertuig, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50 percent dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. Deze laadruimte moet bovendien over haar hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde, horizontale laadvloer zonder verankeringsplaatsen voor extra banken, zetels of veiligheidsgordels”.
2.2
In de directoriale beslissing van 4 oktober 2005 wordt gemotiveerd dat "Bij de technische controle wordt deze lengte gemeten en zij geven deze gegevens door aan onze diensten. Bij de technische controle dd. 14.07.2006,werd vastgesteld dat de lengte in uw voertuig slechts 35 % is, zodoende voldoet uw voertuig niet aan de vereiste om belast te worden als een lichte vrachtauto.” (stuk 13 A.D. J.
2.3.
2.3.1.
Geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, stelt dat de bestreden aanslag nietig is ingevolge de onrechtmatige gegevensuitwisseling tussen de D.I.V. en de fiscale administratie.
Geïntimeerde stelt dat :
- er geen enkele rechtsgrond bestaat voor een spontane en geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen de D.I.V. en de fiscale administratie;
- dat de spontane en geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen de diensten voor de technische keuring en de D.I.V. enerzijds en tussen de D.I.V. en de fiscale administratie anderzijds in strijd is met artikel 4 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
2.3.2.
De Belgische Staat stelt dat er in casu geen uitbesteding is geweest van controlebevoegdheden.
De Belgische Staat stelt dat het toezicht op de technische kenmerken van de voertuigen i.v.m. de fiscale definitie van lichte vrachtauto zoals bepaald in artikel 4, § 2, c W.I.G.B gebeurt door de stations voor technische controle, niet op grond van het KB van 20 juli 2001, noch op formele vraag van het belastingbestuur, maar wel rechtstreeks ter uitvoering van artikel 101 van de Programmawet van 27 december 2005 (B.S. van 30 december 2005).
De Belgische Staat verwijst terzake naar de memorie van toezicht op het ontwerp van Programmawet (Kamer, doch 51 2097/001, blz. 51).
"Het toezicht op de technische kenmerken eigen aan de fiscale definitie van de beoogde voertuigen zal uitgevoerd worden in de stations voor de technische controle van de voertuigen waar elk bedrijfsvoertuig (zowel nieuw als tweedehands) voor zijn inverkeerstelling moet worden aangeboden.
Door een uitwisseling van gegevens tussen de Groepering van erkende ondernemingen voor autokeuring en rijbewijs (GOCA), de DIV en de FOD Financiën zullen de fiscale diensten over de technische gegevens beschikken, zodat deze steeds op grond van hun juiste aard zullen belast worden.
Deze procedure zal trouwens ook worden toegepast telkens een voertuig bij de autokeuring wordt aangeboden”.
De Belgische Staat benadrukt terzake nog dat de verschuldigdheid van de litigieuze belasting in casu rechtstreeks uil de wet voortvloeit, en niet afhankelijk is van enige formalisering (die pas gebeurt ingeval van niet-betaling).
Volgers de Belgische Staat dient artikel 101 van de programmawet van 27 december 2005 samen te worden gelezen met artikel 1, eerste lid Wet 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van de belastingen (B.S., 20 augustus 1938), welke laatste bepaling niet zo restrictief mag worden gelezen zoals geïntimeerde voorhoudt.
2.4.
Het KB van 20 juli 2001 voorziet in de oprichting van een repertorium van de voertuigen, dat volgens artikel 6, § 1 een gecomputeriseerd gegevensbestand is dat wordt bijgehouden door het Directoraat-generaal Mobiliteit en verkeersveiligheid van de FOD Mobiliteit en Vervoer.
Artikel 6, § 2 bepaalt de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens van het repertorium mogen worden verwerkt.
Zo kan het bestand onder meer worden aangewend voor de identificatie van de natuurlijke of rechtspersonen die belastingen of retributies verschuldigd zijn inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig (zie artikel 6, § 1, 2° van het KB van 20 juli 2001).
In artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 tot verzekering van de juiste heffing van de belasting wordt onder meer bepaald dat de bestuursdiensten van de Staat gehouden zijn, op verzoek van een belastingadministratie, alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken en inzage te verlenen van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden (zie ook : artikel 327, § 1 WIB92.waarvan de Belgische Staat - terecht - stelt dat dit artikel in casu niet van toepassing is gelet op het feit dat dit niet voorkomt in de opsomming van artikel 2 WIGB).
Wanneer de belastingadministratie het repertorium consulteert en hieruit gegevens haalt die haar toelaten een belasting te vestigen in hoofde van de inschrijver van het voertuig, doet zij niets anders dan informatie opvragen bij een openbaar bestuur in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 28 juli 1938.
Evenwel dient te worden vastgesteld dat de gegevens waarop de administratie zich in casu gebaseerd heeft om de belasting te vestigen niet opgenomen zijn in het repertorium, doch afkomstig zijn van inlichtingen verkregen van de technische keuring.
Uit het administratief dossier blijkt niet dat deze inlichtingen verstrekt werden door de technische keuring ingevolge een uitdrukkelijke vraag om inlichtingen uitgaande van de administratie.
De spontane mededeling van inlichtingen door bestuursdiensten aan de belastingadministratie strookt niet met de strikte interpretatie van artikel 1 van de wet van 28 juli 1938.
De bestuursdiensten zijn er immers slechts toe gehouden :
- inlichtingen te verstrekken die in hun bezit zijn
- indien zij hiertoe worden aangezocht.
Nu het fiscaal recht van openbare orde is en de belastingadministratie over geen andere bevoegdheid beschikt dan deze die haar door de wet werd toegekend, is een ruime interpretatie van artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 uitgesloten.
Hetzelfde geldt voor de informatie die gevraagd wordt aan derden, niet bestuursdiensten.
Het verzoek om aan de administratie informatie te bezorgen die deze derde nog niet in zijn bezit heeft en die hij bovendien slechts verkrijgt door in de toekomst bepaalde onderzoeken te stellen, komt neer op een ongeoorloofde uitbesteding van het fiscaal onderzoek.
Er is hiervoor geen wettelijke basis, noch in artikel 1 van de wet van 28 juli 1938, noch in artikel 101 van de Programmawet van 27 december 2005 (waarbij het voor zich spreekt dat de voorbereidende werkzaamheden op zich niet als “wettekst" kunnen gelden).
De aanslag, gevestigd op grond van onrechtmatig verkregen inlichtingen van de technische keuring, dient dan ook vernietigd te worden.
2.5.
De eerste rechter heeft de vordering van geïntimeerde terecht gegrond verklaard.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet var 15 juni 1935 betreffende het gebruik de talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling aan geïntimeerde van de rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep ten bedrage van … euro.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 27oktober 2009 waar aanwezig waren:
M. V. D. B. Alleenzetelend Raadsheer
R. V. G. Griffier.
R. V. G. M. V. D. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.