---
title: "Verjaring, Uitbreiding verjaringstermijn · Hof van beroep te Antwerpen, 1 maart 2016, 2014/AR/2549"
description: "Verjaring, Uitbreiding verjaringstermijn, Gegevens bekomen uit een gerechtelijk dossier. Hof van beroep te Antwerpen (België), 1 maart 2016, 2014/AR/2549."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-uitbreiding-verjaringstermijn-gegevens-bekomen-hof-van-beroep-antwerpen-2016-03-01-6542"
lang: "nl"
---

# Verjaring, Uitbreiding verjaringstermijn, Gegevens bekomen uit een gerechtelijk dossier

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Rolnummer**

2014/AR/2549

**Datum**

1 maart 2016

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

149 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 01.03.2016 (2014/AR/2549)

WF 711-15-13/012420

*Belasting over de toegevoegde waarde - Verjaring - Uitbreiding verjaringstermijn – Gegevens bekomen uit een gerechtelijk dossier - Voorafgaande schriftelijke kennisgeving – Vermoedens van belastingontduiking - Gezag van gewijsde - Feitelijke vermoedens – Bewijskrachtige gegevens - Geldboete*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 70, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70),

[art. 81bis, § 1, eerste lid, 3° en 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis),

[art. 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter)

Art. 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering

## Samenvatting

De belastingplichtige is voor de btw geregistreerd voor de activiteit café en bars en werd eerder in hoger beroep veroordeeld voor strafrechtelijke inbreuken, onder meer witwassen. Volgens de administratie bleek uit het gerechtsdossier, na kennisgeving van de procureur des Konings, dat niet alle inkomsten uit de belastbare activiteiten werden aangegeven. De controlerende ambtenaar heeft in toepassing van [art. 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) de belastingplichtige in kennis gesteld van het voornemen toepassing te maken van de verjaringstermijn van 7 jaar, bedoeld in [art. 81bis, § 1, eerste lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis). Een rechtzetting van de btw werd doorgevoerd en daaropvolgend werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard. De belastingplichtige stelt hiertegen een vordering in rechte in.

Wat betreft de btw-vordering oordeelt de eerste rechter dat de administratie zich terecht baseert op de gegevens van het gerechtsdossier, waaruit bleek dat niet alle ontvangsten uit het kasboek overgenomen waren in btw-aangifte.

De eerste rechter stelt ook vast dat de belastingplichtige in een vorig geschil in hoger beroep niet werd veroordeeld voor fraude, maar voor strafrechtelijke inbreuken zoals witwas, en dat dit vorig hoger beroep derhalve geen gezag van gewijsde heeft wat betreft de bepaling van de btw-omzet.

De rechter in beroep stelt hierbij dat het gezag van gewijsde, zoals besloten in art. 4 VT.SV niet in de weg staat dat een andere partij in een latere burgerlijke procedure, zoals in fiscale zaken, de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding betrokken was. Dit geldt ongeacht of art. 6 EVRM van toepassing is (vgl. Cass. 19 juni 2014, [F.13.0070.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gelding-ten-opzichte-derden-later-cassatie-brussel-2014-06-19-992e), www.cass.be). Het hof aanvaardt dat de door de fiscus vastgestelde belastbare grondslagen als bewijskrachtig. Het daartoe gehanteerde feitelijk vermoeden is wettig. De lange periode en de omvang van de niet aangegeven bedragen bewijzen duidelijk het bestaan van bedrieglijk opzet.

Het feit dat de administratie haar taxatie kan steunen op grond van art. 81bis, § 1, eerste lid, 3°, sluit niet uit dat de administratie zich eveneens kan steunen op [art. 81bis, § 1, eerste lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis). Beide grondslagen kunnen tegelijkertijd voorkomen. De argumentatie dat belastingplichtige in hoger beroep die uitgaat van [art. 81bis, § 1, eerste lid, 3° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) wijst het hof dan ook af als niet ter zake dienend. Uit de tekst van [art. 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) volgt dat de administratie de kennisgeving van vermoedens van belastingontduiking slechts dient te verrichten voorafgaandelijk aan de vordering van de belasting en niet voorafgaand aan de onderzoeksdaden. De administratie die de uitgebreide verjaringstermijn wil toepassen, moet niet voorafgaand het bewijs leveren van het bedrieglijk opzet.

Het hof is ook van oordeel dat de boete van 200% een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM. De boete is niet onevenredig, voldoende gemotiveerd en in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten. Het hof verklaart het beroep van de belastingplichtige toelaatbaar, doch ongegrond.

(Gunstig voor de administratie)

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

**dd. 01.03.2016**

**(2014/AR/2549)**

**L.J.,** wonende te … , ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen onder nummer … eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 30 mei 2014

tegen

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit, Controlecentrum Hasselt -Beringen waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 HASSELT, RAC, Voorstraat 43 bus 43 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 30 mei 2014, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24 september 2014, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

### 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1. Voorwerp van de betwisting.***

Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel met nr. 412/1212/49371, uitgevaardigd lastens eiser in hoger beroep op 17/12/2012 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20/12/2012.

***1.2. Feiten en voorgaanden.***

Eiser in hoger beroep is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW nr. ••••••••• voor de activiteit café en bars.

Naar aanleiding van een kennisgeving overeenkomstig artikel 2 van de wet van 28 april 1999 door de procureur des Konings te Hasselt werd er bij eiser in hoger beroep een rechtzetting van BTW doorgevoerd voor de jaren 2005, 2006 en 2007 door de heer … , Adviseur -Eerstaanwezend Inspecteur-dienstchef bij de Federale Overheidsdienst Financiën, verbonden aan het Controlecentrum Hasselt-Beringen, FAC Voorstraat 43,3500 Hasselt.

De controlerende ambtenaar heeft in toepassing van [artikel 84 ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter), eiser in hoger beroep per aangetekende brief van 10/10/2012 in kennis gesteld van het voornemen om toepassing te maken van de verjaringstermijn van 7 jaar, zoals bepaald in [art. 81 bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis).

Volgens de belastingadministratie bleek uit het gerechtsdossier dat eiser in hoger beroep niet alle inkomsten uit zijn belastbare activiteiten had aangegeven en dat de werkelijke totale ontvangsten van de bar bleken uit stuk 1064 van het strafdossier en voor de jaren 2005, 2006 en 2007 respectievelijk 815.405,50 euro, 899.422,50 euro en 463.749,50 euro bedroegen. De verschuldigde BTW bedroeg 141.516,66 euro voor 2005, 156.098,12 euro voor 2006 en 80.485,45 euro voor 2007. Er was slechts 23.821,10 euro aangegeven voor 2005, 26.155,40 euro voor 2006 en 8.550,81 euro voor 2007. In totaal bleef er dus nog een bedrag van 319.572,92 euro aan BTW te betalen door eiser in hoger beroep. De belastingadministratie steunt hiervoor op stuk 1064 van het strafdossier en meer bepaald de gegevens uit één kasboek (juli 2003-juli 2007) alsook 12 losse bladzijden die gegevens bevatten per meisje en/of per dag.

Bij brief van 12/10/2012 werd er een correctie-opgave overgemaakt aan eiser in hoger beroep waarbij een bedrag van 319.572,92 euro aan BTW, een bedrag van 639.145,84 aan geldboeten, alsook interesten werd gevorderd.

Bij brief van 16/11/2012 stelde de raadsman van eiser in hoger beroep dat deze zich niet akkoord kan verklaren met de correctie-opgave.

Aangezien er geen akkoord kon worden bereikt, werd er op 11/12/2012 een proces-verbaal opgemaakt.

Er werd gesteld dat eiser in hoger beroep de hierna volgende bedragen verschuldigd is: 319.572,92 euro BTW 639.145,84 euro aan administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in toepassing van [art. 70§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70); de interesten bedoeld in en te berekenen volgens [art. 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) over de BTW vanaf 21/01/2008.

Bij kennisgeving van beslissing tot taxatie van 11/12/2012 werd eiser in hoger beroep in kennis gesteld van de vordering van de administratie, alsook van het proces-verbaal van 11/12/2012.

Op 17/12/2012 werd vervolgens een dwangbevel uitgevaardigd dat op 20/12/2012 aan eiser in hoger beroep werd betekend per aangetekend schrijven.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire interesten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel overeenkomstig [art. 91§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) en de vervolgingskosten.

***1.3. Procedure voor de eerste rechter.***

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 14/02/2013 stelde eiser in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiser in hoger beroep vorderde: de vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat het onderliggende dwangbevel met RCIV-nr. 412/1212/49371, uitvoerbaar verklaard op 20/12/2012, nietig is om reden dat de erin vervatte vordering van verweerder in hoger beroep niet gegrond is en het bedrag van 958.712,92 euro, te vermeerderen met de verschuldigde interesten en alle hiertoe verbonden kosten, ten titel van rechten en boeten niet verschuldigd is; ondergeschikt het opzichtens eiser in hoger beroep opgelegde bedrag van 958.712,92 euro, te vermeerderen met de verschuldigde interesten en alle hiertoe verbonden kosten, ten titel van rechten en boeten zoals vermeld in het dwangbevel met RCIV-nr. 412/1212/49371, uitvoerbaar verklaard op 20/12/2012, kwijt te schelden, minstens te verminderen; de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiser in hoger beroep van alle bedragen ten titel van boete en interesten, die reeds door eiser in hoger beroep werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de basisrechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eiser in hoger beroep begroot op 16.500 euro.

De bestreden beslissing verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, vereffend aan de zijde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman.

De eerste rechter oordeelde dat de voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn vervuld waren zodat er (lees "GEEN") verjaring was van de vordering m.b.t. de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007.

Met betrekking tot de aangevoerde nietigheid van het dwangbevel oordeelde de eerste rechter dat het dwangbevel voldoende gemotiveerd is en aldus rechtsgeldig is.

De eerste rechter besliste verder dat de toelating tot inzage en afschrift verleend werd voor het kwestieuze dossier.

Wat betreft de BTW-vordering oordeelde de eerste rechter dat de administratie zich terecht gebaseerd had op de gegevens van het gerechtsdossier en dat daaruit bleek dat eiser in hoger beroep niet al zijn ontvangsten overnam in zijn kasboek en in de BTW-aangifte. De rechtbank stelde vast dat eiser in hoger beroep niet werd vervolgd, noch veroordeeld wegens fiscale fraude maar voor andere strafrechtelijke inbreuken zoals bijv. witwas en dat het arrest van het hof van beroep derhalve geen gezag van gewijsde heeft wat' betreft de bepaling van de BTW-omzet.

Tenslotte oordeelde de eerste rechter met betrekking tot de opgelegde geldboete dat de BTW-geldboete in casu verantwoord was en evenredig met de ernst en de omvang van de begane overtredingen en dat er geen aanleiding bestond tot vermindering ervan.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24/09/2014 hoger beroep ingesteld.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Eiser in hoger beroep vordert:

het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie burgerlijk (llA kamer), op tegenspraak gewezen op 30/05/2014 en gekend onder AR 13/433/A teniet te doen en opnieuw recht te doen als volgt:

de oorspronkelijke vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

te zeggen voor recht dat het onderliggende dwangbevel met RCIV-nr. 412/1212/49371, uitvoerbaar verklaard op 20/12/2012, nietig is om reden dat de erin vervatte vordering van verweerder in hoger beroep niet gegrond is en het bedrag van 958.712,92 euro, te vermeerderen met de verschuldigde interesten en alle hiertoe verbonden kosten, ten titel van rechten en boeten niet verschuldigd is;

ondergeschikt het opzichtens eiser in hoger beroep opgelegde bedrag van 958.712,92 euro, te vermeerderen met de verschuldigde interesten en alle hiertoe verbonden kosten, ten titel van rechten en boeten zoals vermeld in het dwangbevel met RCIV-nr. 412/1212/49371, uitvoerbaar verklaard op 20/12/2012, kwijt te schelden, minstens te verminderen of uitstel van de boete te verlenen;

de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiser in hoger beroep van alle bedragen ten titel van boete en interesten, die reeds door eiser in hoger beroep werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, hierin begrepen de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding begroot door eiser in hoger beroep op het basisbedrag conform het KB dd. 26/10/2007, zowel in eerste aanleg als in graad van beroep,

zijnde 16.500 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 16.500 euro rechtsplegingsvergoeding beroep.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten ervan met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 16.500 euro rechtsplegingsvergoeding hof van beroep.

### 2. Bespreking

#### *2.1 Uitbreiding van de verjaringstermijn?*

Vooreerst merkt het hof op dat te dezen geen BTW gevorderd wordt voor het jaar 2004. De vordering voor het jaar 2004 maakt dan ook geen voorwerp uit van huidig geschil zodat het hof zich hierover dan ook niet kan (dient) uit (te)spreken. De eerste rechter maakt verkeerdelijk nog melding van het jaar 2004.

Door de belastingadministratie werd na de ontvangst met brief van 11/06/2012 en van de documenten uit het gerechtsdossier met notitienummer 27.97.319/06, op 10/10/2012 een voorafgaande kennisgeving verstuurd in toepassing van artikel 84 ter W.BTW. In de voorafgaande kennisgeving overeenkomstig artikel 84 ter W.BTW (stuk 1 administratief dossier) wordt verwezen naar het voornemen van de administratie om toepassing te maken van de in artikel 81 bis §1, tweede lid ,4° W.BTW bedoelde verjaringstermijn.

Ook in het proces-verbaal van vaststellingen van 11/12/2012, dat samen met het dwangbevel ter kennis gebracht werd aan eiser in hoger beroep, wordt de integrale tekst van artikel 81 bis W.BTW aangehaald en wordt er daarna Uitdrukkelijk verwezen naar het aangetekend schrijven van 10/10/2012 in toepassing van artikel 84 ter W.BTW en het voornemen van de administratie om toepassing te maken van de verjaringstermijn bepaald in artikel 81 bis §1, tweede lid, 4° W.BTW.

In de kennisgeving van beslissing tot taxatie van 11/12/2012 waaraan een voor eensluidend verklaard afschrift gevoegd werd van voormeld proces-verbaal wordt uitdrukkelijk verwezen naar deze voorafgaande kennisgeving om toepassing te maken van de verjaringstermijn in artikel 81 bis §1 tweede lid 4° W.BTW, ondanks het feit dat er verder in de kennisgeving inderdaad ook verwezen wordt naar artikel 81 bis §1, 2de lid, 3° W.BTW waarna het volledige artikel 81 bis § 1, tweede lid, wordt weergegeven.

Het hof stelt vast dat in tegenstelling tot hetgeen in hoger beroep beweert en ondanks tevens de verwijzing naar artikel 81bis§ 1, 2de lid, 3° W.BTW in de kennisgeving van beslissing tot taxatie, er door de belastingadministratie wel degelijk toepassing gemaakt werd en kon worden van art. 81 bis §1, tweede alinea, 4° W.BTW.

Het feit dat de administratie haar taxatie kan steunen op grond van artikel 81bis, § 1, lid 2, 3° van het W.BTW sluit niet uit dat de administratie zich eveneens kan steunen op de toepassing van artikel 81bis, § 1, lid 2,4° van het W.BTW (overtreding met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden). De ene grondslag sluit de andere niet uit en de beide grondslagen kunnen tegelijkertijd voorhanden zijn. Het feit dat in de kennisgeving melding wordt gemaakt van beide rechtsgronden, belet de administratie niet zich uiteindelijk te beroepen op artikel 81 bis §1, lid 2, 4° W.BTW voor de toepassing van de zevenjarige termijn (vgl. Gent, 20 november 2012, RABG 2013, afl. 19, 1329).

De argumentatie van eiser in hoger beroep die uitgaat van de toepassing van artikel 81 bis §1, 2de lid, 3° W.BTW wijst het hof dan ook af als niet ter zake dienend.

Overeenkomstig artikel 81 bis § 1, eerste lid W.BTW is er verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgende op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboete zich heeft voorgedaan.

Conform artikel 81bis §1, tweede lid W.BTW (zoals van toepassing vóór de Programmawet van 22 december 2008) wordt de verjaring verlengd tot na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Conform artikel 84 ter W.BTW (zoals van toepassing vóór de Programmawet van 22 december 2008) dient de administratie wanneer zij de verjaringstermijn wil uitbreiden tot 5 jaar (artikel 81bis §1, tweede lid), op straffe van nietigheid, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van de belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Artikel 81 bis W.BTW werd gewijzigd bij artikel 191 van de Programmawet van 22 december 2008. Door deze wijziging blijft de gewone verjaringstermijn van drie jaar behouden (artikel 81bis §1, eerste lid W.BTW), verdwijnt de verjaringstermijn van vijf jaar en wordt de verjaringstermijn van zeven jaar uitgebreid tot wanneer 'de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden' (artikel 81 bis §1, tweede lid, 4" W.BTW).

Artikel 84ter W.BTW werd gewijzigd bij artikel 192 van de Programmawet van 22 december 2008 in die zin dat de voorafgaandelijke, schriftelijke en nauwkeurige kennisgeving van de vermoedens van de belastingontduiking moet gebeuren in geval van artikel 81bis §1, tweede lid,4"W.BTW.

De nieuwe bepalingen zijn in werking getreden op de dag waarop de Programmawet is gepubliceerd in het Belgisch Staatblad, zijnde op 29 december 2008. De nieuwe versie van artikel 81bis §1, tweede lid W.BTW is van toepassing op de oude termijn van vijf jaar die nog lopende was op 29 december 2008.

Overeenkomstig artikel 84 ter W.BTW moet de administratie indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis§1, tweede lid, 4" WBTW toe te passen op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Volgens de tekst van [artikel 84ter BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) moet de kennisgeving voorafgaandelijk gebeuren wanneer de Administratie voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede alinea, 4" BTW-Wetboek toe te passen. Deze laatste bepaling heeft het over de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten ([artikel 81bis, § 1, al. 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), waarop [artikel 81bis, § 1, al. 2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) in een uitzondering voorziet qua termijn). De nietigheid bepaald bij [artikel 84ter BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) brengt dan ook de nietigheid van deze vordering met zich wanneer deze vordering niet voorafgegaan wordt door de bedoelde kennisgeving.

Uit de tekst van [artikel 84ter BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter), de opname van deze bepaling in hoofdstuk XIV "Vervolgingen en gedingen, rechten en voorrechten van de schatkist" en uit de afwezigheid van de notie "onderzoekstermijn" in het BTW-recht, volgt dat de administratie de kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking slechts dient te verrichten voorafgaande lijk aan de vordering van de belasting in de aanvullende termijn van twee jaar, en niet voorafgaand aan de onderzoeksdaden (vgl. Cass.) AR [F.12.0029.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-verlengde-termijn-jaar-vermoedens-cassatie-brussel-2015-03-27-b386), 27 maart 2015).

Indien de bijzondere omstandigheid van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden voorhanden is, kan een langere termijn worden toegepast.

Er wordt aangenomen dat er bedrieglijk opzet bestaat, wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is sprake van "oogmerk om te schaden" wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

Bij schrijven van 10;10;2012 deelde de belastingadministratie aan eiser in hoger beroep mee dat er in hoofde van eiser in hoger beroep vermoedens van belastingontduiking bestonden en dat derhalve de verjaringstermijn zou worden uitgebreid (art. 81 bis §1, tweede lid en art. 84 ter W.BTW).

Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de belastingadministratie bij voorafgaande kennisgeving bij toepassing van artikel 84 ter W.BTW van 10/10/2012 aan eiser in hoger beroep liet weten:

Met de brief van 11/06/2012 ontving het controJecentrum Hasselt-Beringen de documenten uit het gerechtsdossier met notitienummer 27.97.319-06 (samenbehandeld met notitienummer 55.97.510-06).

Uit de toegezonden gerechtsstukken blijkt dat:

-u (onder andere) ten Jaste wordt gelegd onder punt C in het dossier met notitienummer HA.55.97.510-06: 'Een huis van ontucht of prostitutie te hebben gehouden' (op het adres Hasseltsebaan 56 te 3940 Hechtel-Eksel) en onder punt D: 'Meermaals, op niet nader te bepalen data in de periodes zoals hierna beschreven, op welke manier ook, een anders ontucht of prostitutie te hebben geëxploiteerd, ten aanzien van (hier volgen 13 namen van dames, met hun geboortedatum en de periode waarover het gaat, zijnde als eerste (begin)datum die voorkomt 1 juli 2003 en laatste einddatum die voorkomt 7juli 2007);

-de werkelijke totale ontvangsten van de bar voor de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007 blijken uit stuk 1065 van het strafdossier, zijnde voor deze periode respectievelijk 771.205,50 815.405,50 euro, 899.422,50 euro en 463. 749,50 samen 2.949.783,00 euro; Aangezien uit de gegevens van het BTW-dossier bJijkt dat er redenen zijn om aan te nemen dat deze bedragen niet of niet volledig werden aangegeven aan de BTW-administratie, is de administratie voornemens is de in [artikel 81 bis, tweede lid, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) bedoelde verjaringstermijn in te roepen.

Gelet op voormelde inhoud van de kennisgeving werd eiser in hoger beroep op de hoogte gebracht van het feit dat men hem wilde belasten met aanwending van de verlengde termijn en dat dit gebeurde omdat hij van belastingontduiking werd verdacht en dat dus de overtredingen begaan werden met bedrieglijk opzet en/of het oogmerk om te schaden.

Eiser in hoger beroep werd door voormelde kennisgeving voldoende ingelicht over de aanwijzingen daartoe. Eiser in hoger beroep wist aldus waarom hij er niet langer op mocht vertrouwen dat de gewone verjaringstermijn zou gelden. Op deze wijze werden zijn rechten van verdediging gewaarborgd.

De administratie die de Uitgebreide verjaringstermijn wil toepassen, moet niet voorafgaand het bewijs leveren van het bedrieglijk opzet. De aanwijzingen van het bedrieglijk opzet werden gedetailleerd vermeld in de kennisgeving.

Het is niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden. Het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.

In casu motiveerde de administratie dat uit de gegevens van het gerechtsdossier bleek dat de werkelijke ontvangsten van de bar voor de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007 respectievelijk 771.205,50 euro, 815.405,50 euro, 899.422,50 euro en 463.749,50 euro bedroegen. Uit de gegevens van het BTW-dossier bleek dat deze omzet niet volledig was aangegeven in de BTW-aangiften. Op basis van deze vaststellingen kon de administratie vermoeden dat er bedrieglijk opzet in het spel was.

Gelet op voorgaande waren de voorwaarden voor de Uitbreiding van de verjaringstermijn vervuld en was er geen verjaring van de vordering met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007.

Uit de motivering en het beschikkend gedeelte blijkt dat de eerste rechter bij materiële vergissing onder titel 2.1 onder punt 3. vermeldt "Gelet op het voorafgaande waren de voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn vervuld zodat er verjaring was van de vordering m.b.t. de jaren 2004, 2005, 2006 en 2007" i.p.v. "Gelet op het voorgaande waren de voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn vervuld zodat er geen verjaring was van de vordering m.b.t. de jaren 2005,2006 en 2007".

#### *2.2 De BTW-vordering*

Eiser in hoger beroep houdt voor dat er geen sprake is van ernstige, nauwkeurige en met elkaar overeenstemmende vermoedens. Hij houdt voor dat inzake BTW verweerder in hoger beroep willekeurig zou zijn te werk gegaan bij het vaststellen van de omzet. Tevens wordt er door eiser in hoger beroep verwezen naar het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 mei 2013.

De diensten verleend door de barexploitanten zijn bij toepassing van art. 18§1, eerste lid W.BTW onderworpen aan de BTW.

Art. 64 §2 W.BTW bepaalt dat hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, wordt geacht dit gedaan te hebben onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Bij toepassing van art. 26 W.BTW is de BTW verschuldigd over alles wat de ontvanger van de dienst moet betalen aan de dienstverrichter. De omzet mag niet worden verminderd met de betalingen aan de diensters en andere kosten.

Overeenkomstig artikel 59 §1, eerste lid W.BTW kan iedere overtreding van de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het ministerie van financiën.

De fiscus dient de gerealiseerde omzet te bewijzen. Dit mag hij doen door alle middelen van recht, met inbegrip van vermoedens en Uitgezonderd de eed.

Een feitelijk vermoeden toont op wettige wijze het bestaan van de belastbare grondslag aan indien het, uitgaande van vaststaande feiten en van bestaande gegevens door middel van een logische redenering, een gegeven afleidt dat daaruit kan volgen (Cass. 22 maart 2001, F.J.F. 2001, 658). De afgeleide gegevens moeten voor verantwoording vatbaar zijn en moeten in verband staan met de gegevens waaruit zij zijn afgeleid (Cass. 28 januari 1999, Arr. Cass. 1999, 105; Cass. 17 april 1998, Arr. Cass. 1998,431; Cass. 25 februari 1982, Pas. 1982, I, 779). Zij moeten leiden tot bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens. Indien het feitelijk vermoeden aan deze voorwaarden beantwoordt en de belastbare grondslag dienovereenkomstig werd vastgesteld, kan deze niet als willekeurig aangemerkt worden.

De administratie heeft te dezen het voldoende bewijs geleverd dat eiser in hoger beroep een hogere omzet heeft gerealiseerd dan aangegeven.

Het hof sluit zich aan bij de oordeelkundige bevindingen van de eerste rechter, die hierna worden weergegeven.

De administratie heeft de cijfers aangegeven in de BTW-aangiften van eiser in hoger beroep vergeleken met de boekhoudkundige stukken die werden aangetroffen en waarvoor een proces-verbaal werd opgesteld door de officier van gerechtelijke politie.

Voor 2005 gaat het om een bedrag van 815.405,50 euro ontvangsten x 21/121 =141.516,66 euro verschuldigde BTW terwijl er slechts 23.821,10 euro is aangegeven, dus 117.695,56 euro te weinig.

Voor 2006 gaat het om een bedrag van 899.422,50 euro ontvangsten x 21/121 = 156.098,12 euro verschuldigde BTW terwijl er slechts 26.155,40 euro is aangegeven, dus 129.942,72 euro te weinig. Voor 2007 gaat het om een bedrag van 463.749,50 euro ontvangsten x 21/121 = 80.485,45 euro verschuldigde BTW terwijl er slechts 8.550,81 euro is aangegeven, dus 71.934,64 euro te weinig.

In totaal heeft eiseres in hoger beroep 319.572,92 euro te weinig BTW aangegeven.

De administratie heeft zich te dezen terecht gebaseerd op de gegevens van het gerechtsdossier.

De diensten van de Federale Gerechtelijke Politie van Hasselt hebben bij mevrouw N.B. het kasboek van de heer L. voor de periode van juli 2003 tot juli 2007 aangetroffen met 112 losse bladen. Volgens de vaststellingen hebben deze gegevens betrekking op de inkomsten van de bar en bevatten zij zowel gegevens per meisje als gegevens van de omzet per dag. Uit een van de documenten (blad 5) dat een overzicht is van de omzet voor de periode van januari 2004 tot en met mei 2007 blijkt dat de barinkomsten voor het jaar 2005 815.405,50 euro, voor 2006 899.422,50 euro en voor 2007 tot en met mei 463.749,50 euro (zie stuk 11a, bundel van de administratie) bedroegen. Niettegenstaande het kasboek en de 112 losse bladen, werden aangetroffen bij een derde, mevrouw N•••• B••••••, blijkt uit het strafdossier dat dit toebehoorde aan eiser in hoger beroep. Uit een schrijven van de toenmalige raadsman van eiser in hoger beroep gericht aan de onderzoeksrechter blijkt wel degelijk dat dit kasboek behoort aan eiser in hoger beroep, nu om de vrijgave van het inbeslaggenomen kasboek werd verzocht teneinde eiser in hoger beroep toe te laten zijn BTW-aangiften in te vullen (zie stuk 16 administratief dossier).

De cijfers van de ontvangsten die genoteerd zijn in het kasboek komen precies overeen met de bedragen in de kolom "kasboek" van de losse bladen die per dag en per maand een overzicht geven van de ontvangsten van de bar. De bedragen van het kasboek komen dan weer overeen met de bedragen die zijn aangegeven in de periodieke BTW-aangiften van eiser in hoger beroep.

De eerste rechter haalt volgend voorbeeld aan: in het kasboek zijn voor de maanden januari, februari en maart 2007 respectievelijk de bedragen van 14.992,50 euro, 17.189,00 euro en 17.087,50 euro ingeschreven in het kasboek. In de BTW-aangiften is een bedrag van 40.718,19 euro vermeld in rooster 03 als omzet en een bedrag van 8.550,81 euro als BTW, hetgeen overeenkomt met de ingeschreven ontvangsten in het kasboek (stuk lic en stuk 13 administratief dossier).

Op de losse bladen worden de werkelijke ontvangsten per dag teruggevonden in de kolom totaal.

In tegenstelling tot hetgeen eiser in hoger beroep beweert kan voormelde redenering perfect toegepast worden voor de jaren 2005 en 2006. Als voorbeeld haalt het hof nog bijkomend de maand april 2006 aan waar een bedrag van 10.709 euro vermeld wordt in het kasboek en dit bedrag is ook terug te vinden in de laatste kolom van de losse bladen april 2006. Het bedrag van 76.738 euro vermeld in de eerste kolom van de maand april 2006 komt dan weer overeen met het bedrag vermeld op het overzicht van de totale omzet voor de periode van januari 2004 tot en met mei 2007 (blad 5 van stuk 11 a). Identiek hetzelfde geldt voor de andere maanden alsook voor het jaar 2005.

Op basis van de overgelegde stukken is voldoende aangetoond dat eiser in hoger beroep niet al zijn ontvangsten overnam in zijn kasboek en in de BTW-aangifte.

De aangetroffen bladen vermelden ook de bedragen die werden betaald aan de meisjes die in de bar werkten. Eiser in :hoger beroep heeft aan de gerechtelijke politie verklaard dat de overeenkomst met de meisjes steeds dezelfde was. Zij kregen 50 pct. op de drank en 50 pct op de kamer (PV n° 005560/2007 van 08/07/2007, stuk 14).

De totalen per maand van de uitbetalingen aan de meisjes vermenigvuldigd met twee komen in grote mate overeen met hetgeen op de overzichtsbladen per maand vermeld is in de kolom Totaal. Telkens is het bedrag van het totaal minstens het dubbel van hetgeen is uitbetaald. In het kasboek (stuk Uc) dat gebruikt wordt voor de BTW-aangiften, wordt slechts het bedrag ingeschreven dat iets hoger ligt dan de betalingen met bankkaarten (zie stukU c en 15 administratief dossier).

In tegenstelling tot hetgeen eiser in hoger beroep beweert klopt voormelde vaststelling voor zowel het jaar 2007 als het jaar 2006 en 2005.

Er werd derhalve uitgegaan van vaststaande gegevens afkomstig van eiser in hoger beroep zelf.

Er is geen sprake van een opeenstapeling van vermoedens.

Het door eiser in hoger beroep aangehaalde arrest van 22 mei 2013 heeft te dezen geen gezag van gewijsde voor wat betreft de bepaling van de BTW-omzet. Het hof stelt samen met de eerste rechter vast dat eiser in hoger beroep niet werd vervolgd voor fiscale fraude maar voor andere strafrechtelijke inbreuken zoals bijv. witwas.

Het gezag van gewijsde in strafzaken kleeft alleen aan datgene wat de strafrechter zeker en noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, met inachtneming van de gronden waarop de strafrechtelijke beslissing noodzakelijkerwijs steunt.

Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals dit besloten ligt in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, staat er niet aan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces, zoals in het kader van een fiscale procedure, de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden. Dit geldt ongeacht of artikel 6.1 EVRM van toepassing is (vg!. Cass. 19 juni 2014, [F.13.0070.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gelding-ten-opzichte-derden-later-cassatie-brussel-2014-06-19-992e)).

Het blijkt niet dat verweerder in hoger beroep partij was in het geschil voor de strafrechter.

Het hof aanvaardt de door verweerder in hoger beroep vastgestelde belastbare grondslagen als bewijskrachtig en het daartoe gehanteerde feitelijk vermoeden is wettig.

Het blijkt dat eiser in hoger beroep jarenlang het grootste gedeelte van zijn omzet niet aangegeven heeft in zijn periodieke BTW-aangiften. De lange periode en de omvang van de niet aangeven bedragen bewijzen duidelijk het bestaan van bedrieglijk opzet in hoofde van eiser in hoger beroep.

De vordering van eiser in hoger beroep is derhalve ongegrond.

#### *2.3 De geldboete*

Eiser in hoger beroep stelt dat de opgelegde geldboete onevenredig is met de inbreuk, rekening houdende met het gegeven dat eiser in hoger beroep in het verleden geen enkele inbreuk op de BTW-wetgeving had begaan.

Krachtens artikel 70 §1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

De belastingadministratie motiveerde dat de overtredingen te dezen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Als gevolg hiervan werd er door de belastingadministratie op grond van art. i, laatste lid, KB nr. 41 van 30 januari 1987, geen vermindering van de geldboete toegestaan.

Het hof is van oordeel dat de boete van 200 % een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboeten wettelijk, voldoende gemotiveerd zijn en in redelijk verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

Op grond van de vaststellingen gedaan door de belastingadministratie blijkt dat eiser in hoger beroep op grote schaal fraude heeft gepleegd. Eiser in hoger beroep heeft jarenlang zelfs het grootste gedeelte van zijn omzet niet aangegeven in zijn periodieke BTW-aangiften met de bedrieglijke bedoeling de belasting te ontduiken. De opgelegde boete is niet onevenredig met de begane inbreuk en dient dan ook niet verminderd te worden, noch komt de opgelegde geldboete in aanmerking voor het verlenen van uitstel.

#### *2.4 De rechtsplegingsvergoedinq*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.5.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W dient eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten gewezen te worden.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot op 16.500 euro.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak. De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik

van de taal in gerechtszaken. Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep, toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen behoudens de materiële vergissing in het motiverend gedeelte dat "er verjaring was van de vordering met betrekking tot de jaren 2004, 2005. 2006 en 2007". Het hof stelt vast dat het jaar 2004 geen voorwerp uitmaakt van het geschil en dat er geen verjaring is van de vordering met betrekking tot de jaren 2005,2006 en 2007.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 16.500 euro.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 01 maart 2016 door

D. W. Voorzitter

M. G. Raadsheer

C. P. Raadsheer

L. K. Griffier

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (ondernemingsnummer) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 9 voorkomens

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 8 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

## Administratieve doctrine

1

[Fiches van de administratieve commentaar 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-uitbreiding-verjaringstermijn-gegevens-bekomen-hof-van-beroep-antwerpen-2016-03-01-6542/documenten?type=commentaar)

« … kan steunen op artikel 81bis, § 1, tweede lid (oud), 3°, van het Btw-Wetboek niet uit dat de administratie zich eveneens kan steunen op artikel 81bis, § 1, tweede lid (oud), 4°, van het Btw-Wetboek. Beide grondslagen kunnen tegelijkertijd voorkomen ( Arrest van het hof van beroep te Antwerpen nr. 2014/AR/2549 van 01.03.2016 ). Er moet niettemin op worden gewezen dat sinds de inwerkingtreding van artikel 104, 3°, van de wet van 20.11.2022 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen (BS 30.11.2022) de verjaringstermijn inzake fraude, die op tien jaar is gebracht, de … »

[Verjaringen (01.01.2024)](https://juriel.be/nl/btw-commentaar/verjaringen-1ea4) Administratieve commentaar 23.05.2024

[Bekijk het document](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-uitbreiding-verjaringstermijn-gegevens-bekomen-hof-van-beroep-antwerpen-2016-03-01-6542/documenten)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, fictieve facturen, strafzaak, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-fictieve-facturen-strafzaak-verjaring-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-634c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Kennisgeving van aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-aanwijzingen-fraude-in-boekhouding-rechtbank-namen-2020-04-02-bf01) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Frauduleuze intentie, Aanwijzingen van belastingontduiking, Bepaling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/frauduleuze-intentie-aanwijzingen-belastingontduiking-bepaling-rechtbank-bergen-2023-12-05-2220) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Doelgebondenheid, Plaats van vestiging, Neutraliteitsbeginsel, plaats van de dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/doelgebondenheid-plaats-vestiging-neutraliteitsbeginsel-hof-van-beroep-brussel-2026-05-13-36ee) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Neutraliteitsbeginsel, proportionele geldboete, interesten, voorafgaande kennisgeving, fraudetermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/neutraliteitsbeginsel-proportionele-geldboete-interesten-rechtbank-hasselt-2024-01-18-62ca) 4 gemeenschappelijke bepalingen
