---
title: "Verjaring, nalatigheidsinterest · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 8 april 2025, 22/2212/A"
description: "De Brugse rechtbank verklaart de eis tegen de Belgische Staat ongegrond en stelt de gedingkosten van verweerder vast op nul euro."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-nalatigheidsinterest-afstand-geding-rechtbank-brugge-2025-04-08-ca5a"
lang: "nl"
---

# Verjaring, nalatigheidsinterest, afstand van geding

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Rolnummer**

22/2212/A

**Datum**

8 april 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

118 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van Rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen – afd. Brugge- d.d. 08.04.2025 (22/2212/A)

[Zie ook arrest van het Hof van beroep Gent d.d. 27/01/2026 (2024/AR/1184)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27)

WF 708-15-22/048829 – FIN 55088681/01

\[gunstig vonnis\]

*Belastingen over toegevoegde waarde – Akkoordverklaring – Afstand van Geding – Verjaring – Nalatigheidsinteresten*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45),

[Art. 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70),

Art. 10, 11 en 172 GW

## Samenvatting van het vonnis

1\. Feiten en vonnis in eerste aanleg Appellante werd op 1 mei 1991 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van kleinhandel in tweedehandsgoederen antikwiteiten en afbraakgoederen, wegens overname van de handelszaak van haar overleden vader. Zij was gehouden tot het indienen van kwartaalaangiftes. Naar aanleiding van een btw-controle m.b.t. de periode 1991 – 1992 werd een proces-verbaal d.d. 8 juli 1996 opgemaakt, waarbij de administratie in toepassing van de artikelen [59, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) WBTW en 64, §1 WBTW de omzet van appellante voor de jaren 1991 en 1992 had bepaald. Op basis daarvan werd een door appellante verschuldigd bedrag aan btw vastgesteld ten bedrage van 10.639.612 BEF, een proportionele boete ten bedrage van 21.279.224 BEF, te vermeerderen met de wettelijke interest op de btw vanaf 21 januari 1993. Op 10 juli 1996 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard en per aangetekend schrijven aan appellante ter kennis gebracht op 17 juli 1996. Appellante tekende hiertegen bij de rechtbank verzet aan bij dagvaarding van 22 augustus 1996. Op 13 resp. 21 oktober 2004 werd een minnelijk akkoord tot afstand van geding en rechtsvordering afgesloten tussen appellante en de Belgische Staat waarbij appellante akkoord ging met de vastgestelde btw-overtredingen en waarbij de btw-schuld gedeeltelijk werd herleid en de boete werd verminderd tot 50%. Vervolgens werd de zaak bij vonnis van 25 januari 2005 op gezamenlijk verzoek van de partijen doorgehaald. Ingevolge de verkoop van een aantal onroerende goederen op naam van appellante werd op 8 oktober 2004 een bedrag van 273.179,87 EUR overgeschreven naar de btw-ontvanger ter delging van deze schuld. Het dwangbevel van 10 juli 1996 werd opnieuw aan appellante ter kennis gebracht bij aangetekende brieven van 26 augustus 2008, 12 februari 2013, 17 juli 2017 en 1 juni 2022. Op 28 juni 2022 dagvaardde appellante de Belgische Staat opnieuw en tekende verzet aan tegen het dwangbevel van 10 juli 1996, doch bij vonnis van 8 april 2024 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de vordering van appellante ongegrond. Het is tegen dit vonnis dat appellante hoger beroep heeft aangetekend. 2. Het arrest Wat de btw-schuld betreft, voert appellante aan dat de afstandsverklaring van 13 oktober 2004 haar niet tegenstelbaar is, omdat de handtekening erop niet van haar hand is en vervalst is. Het hof oordeelt dat appellante faalt in de op haar rustende bewijslast. De door geïntimeerde bijgebrachte stukken vormen samen ernstige en geheel met elkaar overeenstemmende aanwijzingen dat appellante de akkoordverklaring ondertekende om een definitief einde te maken aan het btw-geschil. Appellante ging over tot gedeeltelijke uitvoering van dat akkoord door naar aanleiding van de verkoop van een onroerend goed in oktober 2004 een bedrag te betalen aan de btw-ontvanger, door de zaak te laten doorhalen op de rol, en door daarna om kwijtschelding/vermindering van de nalatigheidsinteresten te verzoeken. Appellante bewijst ook niet dat de akkoordverklaring aangetast is door wilsgebreken. Uit niets blijkt dat wat in het akkoord door de partijen wederzijds werd erkend, niet in overeenstemming zou zijn met de wet of zou indruisen tegen de openbare orde. Appellante is gebonden door dit akkoord, zowel wat betreft de vaststelling van de verschuldigde btw, als wat betreft haar toezegging om de gerechtelijke procedure te beëindigen. Appellante kan de btw-schuld niet meer inhoudelijk betwisten. Verder voert appellante aan dat de invordering van de btw-schuld verjaard is. Het hof verwerpt dit argument en stelt dat de vijfjarige verjaringstermijn van [art. 81, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) (in de versie zoals van toepassing tussen 1 november 1980 en 5 april 1999) in casu van toepassing is. Verder stelt het hof vast dat het dwangbevel op 17 juli 1996 aan appellante ter kennis werd gebracht, en dus binnen de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar van [art. 81 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81). Krachtens [art. 85, §2, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) stuit die kennisgeving de verjaring. Gedurende de gehele procedure in rechte, die pas eindigde met het vonnis van 25 januari 2005, was de verjaring van de invordering van de btw-schuld geschorst. De verjaring werd opnieuw gestuit door ondertekening van de akkoordverklaring op 13 oktober 2004. Doordat het dwangbevel nadien door de btw-ontvanger opnieuw regelmatig aan appellante ter kennis werd gebracht en telkens binnen een termijn van vijf jaar volgend op de vorige kennisgeving, werd de verjaring telkenmale rechtsgeldig gestuit conform [art. 85, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) en beschikt geïntimeerde tot op vandaag over een actuele en invorderbare uitvoerbare titel. De nalatigheidsinteresten van [art. 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) hebben niet het karakter van een sanctie, maar strekken tot vergoeding van de schade die wordt berokkend aan de Schatkist ingevolge de laattijdige betaling. De hoge interestvoet in btw is kennelijk verantwoord om de belastingplichtigen ertoe aan te zetten hun belastingschulden tijdig te vereffenen. Er is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, noch van het evenredigheidsbeginsel nu appellante haar eigen aandeel in die schuld en het oplopen van de nalatigheidsinteresten uit het oog verliest. Tegenover de overweging dat geïntimeerde effectief bijzonder veel geduld heeft gehad en een jarenlang status quo heeft aanvaard zonder haar rechten te laten uitdoven, staat de vaststelling dat appellante zelf geen enkel initiatief heeft genomen om hieraan een einde te maken en de nalatigheidsinteresten te doen stoppen. Appellante had afbetalingen kunnen doen, opnieuw om vrijstelling van nalatigheidsinteresten kunnen verzoeken, of de verkoop van haar onroerend goed kunnen bewerkstelligen. In de plaats daarvan heeft appellante opnieuw verzet aangetekend bij de rechtbank in een poging te ontsnappen aan de belastingschuld en heeft zij verdere afbetalingen weer voor zich uitgeschoven. Dat geïntimeerde op enigerlei wijze misbruik zou maken van zijn recht om betaling te verkrijgen van zijn openstaande belastingschuld of op een andere wijze onzorgvuldig zou gehandeld hebben, is dan ook niet bewezen. Van procesmisbruik door geïntimeerde is al helemaal geen sprake. De vorderingen van appellante zijn ongegrond

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

## Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen

**Afdeling Brugge**

**Sectie burgerlijke rechtbank**

**Vonnis**

**Kamer B.10**

**08/04/2025**

**22/2212/A**

22/2212/A

**In de zaak : 22/2212/A**

**S.W.** (RRN: …),

wonende te … …,…

**eisende partij,**

voor wie optreedt meester GHEYSENS LUC, advocaat te 8560 WEVELGEM, Lode de Boningestraat

39 (ref.: 2022/014 - secretariaat@ghevsenspartners.be).

tegen:

**de BELGISCHE STAAT— FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159**), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van

\- de ontvanger van het Team Invordering Oostende (BTW) met kantoren te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1

\- de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Brugge 763, met kantoren te 8200 BRUGGE, Koning Albert I Laan 1/5 bus 3

\- de Administratie van de Inning en Invordering, Team Invordering natuurlijke personen Oostende, met kantoren te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1

**verwerende partij,**

voor wie optreedt mevrouw K.V., adviseur (ref.: …).

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding d.d. 28 juni 2022.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 11 maart 2024.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1.Eiseres en J. S. (haar neef) waren de erfgenamen van haar vader, A.S., die overleden is op 22 april 1991. A.S. was handelaar in diverse goederen (stock Americain).

A.S. heeft zijn activiteit stopgezet in april 1991 en zijn handelszaak overgedragen aan zijn dochter.

Eiseres heeft een aangifte van aanvang van werkzaamheid ingediend op 15 mei 1991, waarin is vermeld dat zij de handelszaak van haar vader overneemt. Eiseres is ingeschreven als BTW belastingplichtige onder het BTW registratienummer … Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Door W.G., hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de 4e BBI-inspectie Brugge, werd een controle uitgevoerd bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1991 en 1992.

Op 8 juli 1996 werden de overtredingen en vaststellingen in hoofde van eiseres opgenomen in een proces-verbaal. Er werd o.a. vastgesteld dat eiseres de voorraad goederen afkomstig uit de nalatenschap van haar vader niet in haar boekhouding had opgenomen, dat er goederen in het zwart werden aangekocht en dat haar boekhouding niet bewijskrachtig was. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 10.639.612 BEF (263.749,09 EUR), als proportionele geldboete 21.279.224 BEF (527.498,18 EUR) en intresten vanaf 21 januari 1993.

Op 10 juli 1996 werd op basis van het proces-verbaal in hoofde van eiseres door de bevoegde ambtenaar van het BTW ontvangkantoor een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 12 juli 1996 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd aan eiseres aangetekend ter kennis gebracht op 17 juli 1996.

Bij dagvaarding d.d. 22 augustus 1996 heeft eiseres verzet aangetekend tegen de BTW-schuld met RCIV nr. … bij de rechtbanken van eerste aanleg te Brugge en Veurne. Op 13 oktober 2004 werd door eiseres een minnelijk akkoord ondertekend. Eiseres deed afstand van geding en rechtsvordering overeenkomstig artikel 820 en 821 GerW. Ingevolge het akkoord werd de schuld herleid tot BTW 7.419.711 BEF (183.922,39 EUR), proportionele geldboete 3.709.000 BEF (91.943,71 EUR) en intresten vanaf 21 januari 1993.

Het dwangbevel werd per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van eiseres op 26 augustus 2008,12 februari 2013, 17 juli 2017 en 1 juni 2022.

Door eiseres werd bij dagvaarding d.d. 28 juni 2022 verzet aangetekend.

### 2. Eiseres vraagt dat:

\- de vordering van verweerder onontvankelijk minstens ongegrond wordt verklaard wegens verjaring;

\- ondergeschikt voor recht gezegd wordt dat aan de betekende dwangbevelen geen uitvoering kan gegeven worden;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding;

\- meer ondergeschikt verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van alle vroeger betaalde bedragen, in dit stadium geraamd op 10.000 EUR provisioneel;

\- een schriftdeskundige wordt aangesteld wat betreft de handtekening op de dading.

3.Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres onontvankelijk ondergeschikt ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### A. Voorafgaandelijk

Eiseres heeft een verzoek 748 GerW neergelegd wegens nieuwe stukken. Dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen bij beschikking d.d. 4 maart 2024.

Niettegenstaande vermelde beschikking heeft eiseres op 6 maart 2024 de betreffende stukken toch digitaal neergelegd.

Op verzoek van verweerder worden de stukken door eiseres neergelegd op 6 maart 2024 uit de debatten geweerd.

### B. Betreffende de toelaatbaarheid

Eiseres heeft betreffende de BTW-schuld reeds een gerechtelijke procedure ingeleid bij dagvaarding d.d. 22 augustus 1996. Deze procedure werd beëindigd ingevolge een minnelijk akkoord dat werd ondertekend op 13 oktober 2004. Eiseres deed hierbij afstand van geding en rechtsvordering overeenkomstig artikel 820 en 821 GerW, wat door de administratie werd aanvaard. De BTW-schuld werd herleid.

Volgens eiseres heeft zij het minnelijk akkoord niet ondertekend, maar is haar handtekening nagemaakt door H.D. (haar dochter). Volgens eiseres verbleef zij toen in Uruguay.

Uit het rijksregister blijkt dat eiseres was ingeschreven op een adres in Uruguay van 8 januari 2008 tot en met 9 juni 2008. Het is best mogelijk dat eiseres voor deze periode reeds (tijdelijk) verbleef in Uruguay, maar dat bewijst niet dat eiseres het minnelijk akkoord niet heeft ondertekend.

In oktober 2004 werden diverse goederen van eiseres verkocht via notaris Lesage en de notaris heeft een rangregeling wat betreft de schulden opgemaakt (stuk 10 van verweerder). Een bedrag van 273.179,87 EUR werd door de notaris uitbetaald aan de FOD Financiën op 14 oktober 2004, na ontvangst van de origineel getekende dading waarvan de handtekening werd gelegaliseerd.

Eiseres heeft zich nooit verzet tegen de uitbetaling. Eiseres heeft blijkbaar ook nooit een klacht neergelegd tegen haar dochter. Eiseres heeft ook nooit gereageerd dat de toen hangende gerechtelijke procedure werd beëindigd wegens afstand van geding en rechtsvordering. Eiseres heeft ook niet gereageerd op de vele betekeningen van het dwangbevel.

Het is dan ook totaal ongeloofwaardig dat eiseres het minnelijk akkoord niet zou hebben ondertekend. Er dient dan ook geen schriftdeskundige te worden aangesteld.

Conform artikel 821 GerW doet de afstand van rechtsvordering het recht teniet om te handelen m.b.t. de aanspraak die voor de rechter was gebracht.

Een dergelijk afstand is slechts mogelijk m.b.t. een materieel recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken (artikel 23, eerste lid GerW).

Van een rechtsvordering die de openbare orde raakt, kan niet op een geldige wijze afstand gedaan worden.

De fiscale wetgeving is van openbare orde, zodat eiseres niet geldig afstand kon doen van haar recht tot betwisting omtrent de BTW vordering.

De eis is derhalve toelaatbaar.

### C. Betreffende de grond van de zaak

#### 1. Verjaring

De BTW-vordering heeft betrekking op de periode van 1 mei 1991 (datum van aanvang van werkzaamheid) tot en met 31 december 1992.

Conform [artikel 81 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) (zoals van toepassing tot 5 april 1999) verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, doorverloop van vijfjaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.

De vordering tot voldoening van de belasting, de intresten en de administratieve boeten, ontstaat telkens op het einde van de indieningstermijn van de aangifte (Gent 19 december 2001, TFRnet 29 mei 2002).

Eiseres diende kwartaalaangiften in te dienen, zijnde telkens de twintigste van de maand volgend op het kwartaal.

Voor het tweede kwartaal 1991 diende de BTW-aangifte te worden ingediend op 20 juli 1991 en begon de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW te lopen op 21 juli 1991.

De verjaring werd tijdig gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel op 17 juli 1996.

Eiseres heeft een geding tot betwisting van de BTW-vordering ingeleid bij dagvaarding d.d. 22 augustus 1996. Deze gerechtelijke procedure werd beëindigd ingevolge het akkoord van 13 oktober 2004 (zie punt B.).

Uit de samenlezing van de artikelen [81 eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81), [83 eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83), [85 §2 en 89 tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) WBTW en artikel 2251 BW volgt dat de verjaring van de vordering van de voldoening van de belasting geschorst wordt door een verzet tegen het dwangbevel inzake BTW tijdens de gehele duur van het rechtsgeding ([Cass. 16 oktober 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verzet-rechtsgeding-geding-cassatie-brussel-2008-10-16-257e), F.J.F. 2009, afl. 2, 218 en Cass. 15 december 2011, F.J.F. 2013, afl. 6, 628).

De verjaringstermijn was derhalve geschorst van 22 augustus 1996 tot 13 oktober 2004. Vervolgens werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gebracht op 26 augustus 2008, 12 februari 2013, 17 juli 2017 en 1 juni 2002, waardoor de verjaring telkens werd gestuit.

Er is derhalve geen sprake van verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, noch van de hoofdsom, noch van de intresten.

#### 2. Rechtsmisbruik

De bevoegde ontvanger heeft maatregelen genomen tot invordering van de BTW-schuld.

Er werd beslag gelegd op de ziekte-uitkering van eiseres en er werd een wettelijke hypotheek ingeschreven op onroerende goederen waarvan eiseres mede-eigenaar is. De mede-eigenaars van de onroerende goederen wensen zelf uit onverdeeldheid te treden, doch door onenigheid blijft de procedure aanslepen.

Uit niets blijkt dat de ontvanger zijn recht tot tenuitvoerlegging niet meer zou uitoefenen.

De wettelijke hypotheek werd ingeschreven op 8 oktober 1998 en is dertig jaar geldig (artikel 90, eerste lid HypW).

Van rechtsmisbruik of rechtsverwerking is geen sprake.

#### 3. Dwangbevel

Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer A.. Eiseres twijfelt aan de bevoegdheid van de heer A. om dit te doen.

Een dwangbevel moet geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden door de gewestelijk directeur of een door hem daartoe aangestelde ambtenaar (zie [artikel 85 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) zoals destijds van toepassing).

De machtiging kan door de gewestelijk directeur eventueel mondeling worden gegeven. Behoudens wanneer er gerede twijfel zou bestaan om aan de werkelijkheid van de machtiging te twijfelen, moet ervan uitgegaan worden dat deze machtiging werd verleend.

Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 juli 1996. Eiseres heeft nooit eerder aan de machtiging getwijfeld. Pas in huidige procedure werpt eiseres op dat de machtiging moet worden bewezen.

Er is evenwel na al die jaren geen enkele reden om te twijfelen aan de machtiging, die 28 jaar geleden (mondeling) werd gegeven.

#### 4. Nalatigheidsintresten

De rechtbank ziet geen enkele reden om de nalatigheidsintresten te schorsen. Het is eiseres die laattijdig is met de betaling.

Intresten zijn ook verschuldigd op de administratieve boeten overeenkomstig [artikel 91 §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) (voorheen [artikel 85 §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85)).

#### 5. Proces-verbaal

Het proces-verbaal is duidelijk. De berekening van de verschuldigde bedragen is uiteengezet. Verwezen wordt naar stavingsstukken.

Met de ondertekening van het akkoord op 13 oktober 2004 heeft eiseres ook toegegeven dat zij heeft nagelaten om omzet aan te geven. Sedert 2004 heeft eiseres de vaststellingen ook niet meer betwist.

### D. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1 lid GerW de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN**,

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op **MAANDAG ACHT APRIL TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG** waar zitting hadden:

Lucienne De Peuter, rechter;

Nathalie Lhoest, griffier.

### Nota van de FOD Financiën

## Nota van de administratie

Referentie:

WF 708-15-22/048829

FIN 55088681/01

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 5 voorkomens

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 4 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### België

1

Hof van beroep 2024/AR/1184 27.01.2026

#### [Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2003-10-14-968f) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2002-10-01-e393) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Projectontwikkeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-projectontwikkeling-kosten-hof-van-beroep-antwerpen-2026-01-06-088b) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 5 gemeenschappelijke bepalingen
