---
title: "Vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden · Hof van Cassatie van België, 16 december 2005"
description: "Vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden, Voorrecht van de Schatkist, Gedwongen tenuitvoerlegging. Hof van Cassatie van België, 16 december 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vereenvoudigd-uitvoerend-beslag-onder-derden-cassatie-brussel-2005-12-16-d0a6"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/saisie-arret-execution-forme-simplifiee-cassation-bruxelles-2005-12-16-afa3"
---

# Vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden, Voorrecht van de Schatkist

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Datum**

16 december 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

153 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 16.12.2005 (C.03.0128.F & C.03.0206.F)

*Vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden - Voorrecht van de Schatkist - Gedwongen tenuitvoerlegging*

## Wettelijke bepalingen

Art. 85bis, W.BTW

Artt. 2; 1390, zesde lid; 1543 en 1627, Gerechtelijk Wetboek

## Samenvatting

Het vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden dat ofwel door de ontvanger, ofwel door de met de invordering belaste ambtenaar wordt gelegd, heeft niet tot gevolg dat het bedrag van het derdenbeslag definitief aan de beslagleggende schuldeiser wordt toegekend; ingeval vroeger door een schuldeiser beslag werd gelegd op het vermogen van de schuldenaar, wordt het bedrag van het derdenbeslag onderworpen aan de samenloop van diens schuldeisers.

Het vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden dat ofwel door de ontvanger, ofwel door de met de invordering belaste ambtenaar wordt gelegd, heeft niet tot gevolg dat het bedrag van het derdenbeslag definitief aan de beslagleggende schuldeiser wordt toegekend; ingeval vroeger door een schuldeiser beslag werd gelegd op het vermogen van de schuldenaar, wordt het bedrag van het derdenbeslag onderworpen aan de samenloop van diens schuldeisers.

Wanneer het Hof een rechtsgrond in de plaats stelt die het dictum van de bestreden beslissing verantwoordt, kan het middel, ook al is het gegrond, niet tot cassatie leiden; bijgevolg vertoont het een gebrek aan belang en is het dus niet ontvankelijk.

Cassatie van de beslissing om de teruggave van het door eiser betaalde bedrag te bevelen, strekt zich uit tot de beslissing waarbij eiser wordt veroordeeld tot betaling van de interest op dat bedrag.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 16.12.2005**

### (C.03.0128.F & C.03.0206.F)

Nr. C.03.0128.F. BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F.B., naamloze vennootschap.

Nr. C.03.0206.F. BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F.B., naamloze vennootschap, Mr. P.V.O., advocaat bij het Hof van Cassatie.

## I. Bestreden beslissing

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 10 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.

## II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzitter … heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal … heeft geconcludeerd.

## III. Middelen

### *A. Cassatieberoep A.R. nr. C.03.0206.F*

*Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.*

*1. Eerste middel*

*Geschonden wettelijke bepalingen*

\- de artikelen 2, 1390, zesde lid, 1543 en 1627 van het Gerechtelijk Wetboek;

\- artikel 85bis van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde;

\- artikel 300, ,§ 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

\- de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

*Aangevochten beslissingen*

Het bestreden arrest, dat dienaangaande de beslissing van de eerste rechter bevestigt, beslist dat, " aangezien de bevoegde ontvangers door gerechtsdeurwaarder J. op de hoogte werden gebracht van (verweersters) wil om bij de gelegde beslagen aan te sluiten en in samenloop te komen bij de prijs van de tegeldemaking van de in beslag genomen gelden, dienden zij, aangezien zij geen enkele bevoegdheid hadden om zelf de verdeling te doen waarin de wet voorziet, de gelden aan de gerechtsdeurwaarder te overhandigen (...) teneinde te werk te gaan overeenkomstig de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek" en beschikt bijgevolg afwijzend op eisers hoger beroep.

Het bestreden arrest steunt zijn beslissing op de onderstaande gronden :

Het arrest verwijst eerst naar de leer van het Hof en stelt daarbij vast dat krachtens artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, elke overhandiging of verdeling van de gelden waarop beslag is gelegd of die voortkomen van de verkoop van in beslag genomen goederen, moet gebeuren overeenkomstig het bepaalde in artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, en "dat artikel 1390, dat een concrete draagwijdte geeft aan de collectieve aard van het beslag op roerend goed, een algemene draagwijdte heeft en in beginsel ook van toepassing is in geval van uitvoerend derdenbeslag".

Het arrest preciseert voorts, met betrekking tot de gemeenschappelijke aard van de beslagleggingen "dat het een algemene regel betreft waarvan slechts door een wettekst kan worden afgeweken".

Het arrest onderzoekt vervolgens de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 85bis van het BTW&§64979;wetboek, en oordeelt dat "ze, ook al voorzien ze in bijzondere modaliteiten, slechts van het gemene recht afwijken door 'de vereenvoudiging van de vormvereisten om het beroep op een gerechts-deurwaarder te vermijden, waarmee dan ook (hun) specificiteit ophoudt' en ze voorts onder toepassing vallen van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek", dat ze "voorschrijven dat het bij artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde bericht van beslag moet worden opgemaakt, en als dusdanig de collectieve bestemming van het fiscaal derdenbeslag bevestigen" en dat " het bestaan van 'specifieke kenmerken' die eigen zijn aan het fiscaal derdenbeslag inzake directe belastingen en inzake BTW, waarop (eiser) de nadruk legt", en het feit dat die artikelen, in bepaalde omstandigheden, "de betrokken administraties ertoe verplichten een beroep te doen op een uitvoerend derdenbeslag via een gerechtsdeurwaarder (...) geen afbreuk doen aan de bovenstaande overwegingen".

Ten slotte herinnert het arrest eraan "dat het gedane beslag de schuldeiser geen enkel voorrecht verleent (...), dat ieder andere schuldeiser het recht heeft bij de vordering aan te sluiten en in samenloop te komen bij de verdeling van de opbrengst van de tegeldemaking van het in beslag genomen goed" en " dat zonder enige twijfel vast staat dat de procedure van evenredige verdeling van toepassing is op de opbrengst van een derdenbeslag".

*Grieven*

Krachtens artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek "kan overhandiging of verdeling van gelden waarop beslag is gelegd of die voortkomen van de verkoop van in beslag genomen roerende goederen, niet geschieden dan overeenkomstig de bepalingen van artikel 1627" dat een procedure van evenredige verdeling door toedoen van een gerechtsdeurwaarder invoert.

Die bepaling omvat de concrete uitdrukking van het gemeenschappelijk karakter van het beslag op roerend goed, dat noodzakelijkerwijs moet leiden tot een procedure van evenredige verdeling met toepassing van de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Wellicht heeft ook artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek een algemene draagwijdte. Het is evenwel enkel in beginsel en onder voorbehoud van eventuele uitzonderingen dat men ervan mag uitgaan dat het eveneens van toepassing is inzake uitvoerend derdenbeslag naar gemeen recht.

In dat geval en op grond van artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek slaat de verplichting tot overhandiging aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder op de schuldvordering die het voorwerp van het beslag uitmaakt.

De algemene draagwijdte van artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt trouwens in ruime mate getemperd door artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek naar luid waarvan "de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen (...), waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek".

In deze zaak zijn de litigieuze fiscale derdenbeslagen het gevolg van de toepassing van specifieke fiscale regels, die niet verenigbaar is met de voornoemde regel die afgeleid is uit artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, onder voorbehoud evenwel van de bijzondere toestanden waarin die fiscale bepalingen zelf het hanteren van het gemeenrechtelijk uitvoerend derdenbeslag regelen (artikelen 85bis, ,§3, van het BTW-wetboek en 165 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

Inzake BTW voert het BTW-wetboek een systeem in van indirecte vervolging waarvan de modaliteiten op verschillende punten afwijken van het gemeen recht van de gedwongen tenuitvoerlegging en meer bepaald van de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 85bis, ,§1, van het BTW-wetboek bepaalt dat " ... de met de invordering belaste ambtenaar, bij een ter post aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden kan leggen op de bedragen en zaken die de bewaarnemer of schuldenaar aan de belastingschuldige verschuldigd is of moet teruggeven...".

Artikel 85bis, ,§2, van het BTW-wetboek preciseert dat, "onder voorbehoud van het bepaalde in ,§1, op dit beslag de bepalingen toepasselijk zijn van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek" maar het voegt er onmiddellijk aan toe : "met dien verstande dat de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de met de invordering belaste ambtenaar".

Aldus legt die bepaling de modaliteiten vast van een fiscaal derdenbeslag inzake BTW dat met name kenmerkend is door het feit dat zij elk beroep op een gerechtsdeurwaarder uit de weg gaat en dat, bijgevolg, niet onder de toepassing valt van de beperkingen van de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, die overigens niet zijn opgenomen in de beperkende opsomming die de wetgever geeft van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die op dat beslag van toepassing zijn;

Als men de algemene toepassing van de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek op dat fiscaal derdenbeslag als regel wil vastleggen, miskent men aldus de eigenheid en de autonomie van de fiscale regel die slechts in welomschreven gevallen en onder voorbehoud verwijst naar het gemene recht van het beslag.

Het bestreden arrest meent dus ten onrechte dat het de toepassing van de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek kan verantwoorden aan de hand van de overweging dat de modaliteiten van [artikel 85bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) "slechts van het gemene recht afwijken door 'de vereenvoudiging van de vormvereisten om het beroep op een gerechtsdeurwaarder te vermijden, waarmee dan ook (hun) specificiteit ophoudt' en ze voorts onder toepassing vallen van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek".

Inzake inkomstenbelastingen bepaalt artikel 300, ,§1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat de Koning "de wijze (regelt) waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de kennisgeving der kohieren, de betalingen, de kwijtschriften en de vervolgingen".

Aldus is de Koning gemachtigd, tegen de derden-houders van aan een belastingschuldige verschuldigde of toebehorende inkomsten, sommen en zaken te voorzien in onrechtstreekse vervolgingen waarvan de voorschiften kunnen afwijken van het gemene recht van de gedwongen tenuitvoerlegging.

Artikel 164 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wijkt aldus op verschillende punten af van het gemene recht van de tenuitvoerlegging en de vereenvoudiging van de vormvereisten teneinde het administratieve werk te vergemakkelijken en de gerechtskosten te beperken door geen beroep op een gerechtsdeurwaarder te doen, is weliswaar de duidelijkste afwijking is, maar niet de enige, in tegenstelling tot hetgeen het bestreden arrest beweert.

Uit een aandachtige lezing van de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 blijkt immers duidelijk dat er een procedure van derdenbeslag bestaat waarop de beperkingen van de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek evenmin van toepassing zijn.

Volgens artikel 164, ,§1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, "zijn alle pachters, huurders, ontvangers, agenten, huismeesters, notarissen, gerechtsdeurwaarders, griffiers, curatoren, vertegenwoordigers en andere bewaarnemers en schuldenaars van aan een belastingschuldige verschuldigde of toebehorende inkomsten, sommen en zaken, verplicht, op het hun door de bevoegde ontvanger bij ter post aangetekende brief gedane verzoek, te betalen met het voor beslag vatbare gedeelte van de inkomsten, sommen en zaken die zij verschuldigd zijn of die zij onder zich houden en met kwijting insluitend gevolg voor de belastingschuldige, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door deze laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen, belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten, boeten en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging".

In een dergelijk systeem is het optreden van een gerechtsdeurwaarder duidelijk ook uitgesloten en daarmee gepaard gaande, ook de mogelijkheid van een procedure van evenredige verdeling, aangezien de ontvanger die de betaling van de derde-houder int daartoe geen enkele opdracht heeft en evenmin verplicht is de ontvangen bedragen af te staan aan een gerechtsdeurwaarder die naderhand opdaagt om nog snel een verdelingsprocedure in gang te zetten.

Voorts is het veelbetekenend vast te stellen dat, in tegenstelling tot de oplossing die door de Koning is aangenomen inzake roerend derdenbeslag waar een uitdrukkelijke bepaling verwijst naar de gerechtelijke procedure van de evenredige verdeling (zie artikel 162, ,§2, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992), niets daarvan is geregeld met betrekking tot het fiscaal derdenbeslag in de letterlijke betekenis, onder voorbehoud van het verplichte hanteren van het gemeenrechtelijk derdenbeslag in beperkte gevallen (zie artikel 165 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

Bovendien, terwijl het gemene recht de derde beslagenen in alle gevallen verplicht de verklaring op te stellen waarin artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, legt artikel 164, ,§4, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de derden-houders slechts een dergelijke verplichting op indien zij "niet aan het in ,§1 vermelde verzoek kunnen voldoen binnen 15 dagen na het neerleggen ter post van dit verzoek".

Tot slot beperkt artikel 164, ,§1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, doordat het uitdrukkelijk vermeldt dat de derde-houder slechts dient afstand te doen "tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door deze laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen...", op ondubbelzinnige wijze de verplichting van de derde-houder tot de oorzaken van het beslag, terwijl, in het gemene recht, de verplichting tot overhandiging aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder slaat op het voorwerp van het beslag (zie artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek).

Een dergelijke beperking, waarvan het bestreden arrest geenszins gewag maakt, kan slechts worden verklaard door de opzettelijke en radicale "individuele" (in tegenstelling tot de "collectieve") opvatting van het vereenvoudigd derdenbeslag inzake directe belastingen.

Het mechanisme van het vereenvoudigd derdenbeslag dat is ingevoerd door de artikelen [85bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) van het BTW-wetboek en 164 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is aldus opgevat dat het niet de collectieve dimensie kan hebben die het bestreden arrest eraan geeft, behalve in de omstandigheden en onder de voorwaarden die strikt geval per geval worden opgesomd in de artikelen 85bis, ,§3, van het BTW-wetboek of 165, ,§1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en vanwege het verplichte hanteren van een uitvoerend derdenbeslag volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek.

De specificiteit van het fiscaal derdenbeslag en van de teksten die het organiseren is van dien aard dat, indien men die regeling zou willen vergelijken met het gerechtelijk uitvoerend derdenbeslag, men zou kunnen zeggen dat zowel [artikel 85bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) als artikel 164, ,§1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 op zich alleen een samensmelting tot stand brengen van het mechanisme dat omschreven is in artikel 1539, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en van de verplichting tot het uit handen geven, die vervat is in artikel 1543, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zulks louter en alleen onder toezicht van de bevoegde ontvanger.

De nauwe samenhang tussen de verplichting tot kennisgeving van het fiscaal derdenbeslag en de op de derde-houder rustende verplichting tot overhandiging vormt immers een van de bijzondere kenmerken van de artikelen [85bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) van het BTW-wetboek en 164, ,§1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

De gehele procedure is opgezet rond de figuur van de ontvanger, met uitsluiting van de gerechtsdeurwaarder, die evenwel niet tot een of andere verdeling mag overgaan.

In werkelijkheid en in tegenstelling tot hetgeen althans impliciet uit het bestreden arrest blijkt, wordt louter door de overhandiging aan de beslagleggende schuldeiser van de gelden waarop derdenbeslag is gelegd, definitief een einde gemaakt aan de procedure tot tenuitvoerlegging die voortvloeit uit het fiscaal derdenbeslag.

De gerechtsdeurwaarder die optreedt in een parallelle procedure tot tenuitvoerlegging, waarvan de derde-houder evenmin als de fiscale schuldeiser weet heeft, is niet gerechtigd om het bedrag ervan van laatstgenoemde te vorderen.

Op zijn beurt kan de derde-schuldeiser, die zich benadeeld acht door het feit dat het fiscale derdenbeslag niet wordt afgerond door een procedure van evenredige verdeling naar aanleiding waarvan hij zijn recht van voorrang had kunnen aanvoeren, niet louter op de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 van het Gerechtelijk Wetboek steunen om te eisen dat de gelden worden overhandigd aan een gerechtsdeurwaarder die een verdeling moet doen, en zodoende, onrechtstreeks voordeel halen uit de gevolgen van een vordering tot terugbetaling die niemand heeft ingesteld.

De verwijzing naar de artikelen 1390, zesde lid, en 1627 van het Gerechtelijk Wetboek kan geen grondslag vormen van de door verweerster gevorderde teruggave van gelden die wettig door de betrokken ontvangers zijn geïnd na de specifieke procedures van tenuitvoerlegging waarvan niemand trouwens de wettigheid betwist.

Het Gerechtelijk Wetboek bevat helemaal geen procedure waarvan de beslagrechter zou moeten kennisnemen, en waarbij de schuldeiser, die zijn rechten niet heeft kunnen doen gelden in het raam van een procedure van evenredige verdeling, rechtstreeks van de beslagleggende schuldeiser, die, door dat verzuim de in beslag genomen gelden ten onrechte zou hebben ontvangen, de teruggave van die gelden zou mogen vorderen, zelfs niet in de handen van een gerechtsdeurwaarder die aangesteld is om over te gaan tot een nieuwe verdeling.

De omstandigheid dat zowel de artikelen 85bis, ,§1, derde lid, van het BTW-wetboek als 164, ,§3, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepalen dat het opmaken van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgemaakt, impliceert in se niet dat de in artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde regel van toepassing is en bevestigt geenszins, in tegenstelling tot hetgeen het bestreden arrest besluit, de collectieve bestemming van het fiscaal derdenbeslag.

Uit de gevolgtrekking die het arrest voorts met betrekking hiertoe maakt, kan trouwens worden opgemaakt dat het kwestieuze bericht van beslag specifieke kenmerken vertoont doordat het niet door een gerechtsdeurwaarder, maar wel door de ontvanger is opgesteld.

Meer algemeen gesproken houdt die gevolgtrekking geen rekening met nog meer fundamentele specifieke kenmerken die in hoger beroep door eiser worden beklemtoond en waaraan hierboven werd herinnerd.

Het vereenvoudigd derdenbeslag inzake BTW is weliswaar niet in elk opzicht gelijk aan het derdenbeslag inzake inkomstenbelastingen, maar beide hebben een individueel kenmerk dat neergelegd is in de bijzondere bepalingen die gedeeltelijk maar zeker afwijken van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging.

Het bestreden arrest kon dus niet, zonder alle in het middel aangewezen bepalingen te schenden, zeggen dat het fiscaal derdenbeslag een collectieve bestemming heeft en beslissen dat de bevoegde ontvangers " aangezien zij geen enkele bevoegdheid hadden om zelf de verdeling te doen waarin de wet voorziet, de gelden aan de gerechtsdeurwaarder te overhandigen (...) teneinde te werk te gaan overeenkomstig de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek".

*2. Tweede middel*

*Geschonden wetsbepalingen*

\- artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ;

\- artikelen 1390, zesde lid, 1543 en 1627 van het Gerechtelijk Wetboek ;

\- [artikel 85bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) ;

\- artikel 164 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ;

\- artikel 149 van de Grondwet ;

\- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

*Aangevochten beslissingen*

Het bestreden arrest bevestigt de collectieve bestemming van het fiscaal derdenbeslag en herinnert eraan dat elke andere schuldeiser in beginsel het recht heeft aan te sluiten bij de vordering en in samenloop te komen bij de verdeling van de opbrengst van de tegeldemaking van het beslagen goed, en stelt vervolgens vast dat de bevoegde ontvangers door gerechtsdeurwaarder J. op de hoogte werden gebracht van verweersters wil om bij de gelegde (fiscale)beslagen aan te sluiten en in samenloop te komen bij de prijs van de tegeldemaking van de in beslag genomen gelden, en beslist vervolgens dat zij, "aangezien zij geen enkele bevoegdheid hadden om zelf de verdeling te doen waarin de wet voorziet, de gelden aan de gerechtsdeurwaarder dienden te overhandigen (...) teneinde te werk te gaan overeenkomstig de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek" en veroordeelt eiser tot betaling van nalatigheidsinterest op de ingehouden bedragen vanaf de dag waarop het verzoek tot overhandiging aan de administratie is gericht, op grond "dat de ontvangers dus een fout hebben begaan die (eisers) aansprakelijkheid in het gedrang brengt op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek door te weigeren de bedragen te overhandigen wanneer zij daartoe aangezocht waren, hetgeen het goede verloop van de verdelingsprocedure in het gedrang heeft gebracht".

*Grieven*

*2.1. Eerste onderdeel*

Uit de bevestiging van het collectieve karakter van het beslag en de daaruit voortvloeiende noodzakelijkheid om overeenkomstig de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek te werk te gaan, kan niet worden afgeleid dat de ontvangers die een op de artikelen [85bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) van het BTW-wetboek en 164 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gegrond vereenvoudigd derdenbeslag hebben gelegd, verplicht zijn de bedragen te overhandigen aan een gerechtsdeurwaarder die zich tot hen wendt in het kader van de verdelingsprocedure bij een parallelle beslagprocedure, ook al zijn die ontvangers niet bevoegd om zelf de in artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verdeling te verrichten.

De BTW-ontvangers en de ontvangers van de directe belastingen handelen immers op grond van belastingbepalingen luidens welke de overhandiging aan de betrokken ontvangers van gelden waarop derdenbeslag is gelegd, wordt beschouwd als het sluitstuk van de procedure. In die bepalingen wordt geenszins gezegd dat er nadien nog een verdeling volgt en nog minder dat de betrokken ontvangers de geïnde gelden moeten afstaan aan een of andere gerechtsdeurwaarder.

Noch artikel 1390, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek noch artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek zeggen dat de gelden waarop derdenbeslag is gelegd aan een gerechtsdeurwaarder moeten worden overhandigd.

De verdeling van de bedragen is slechts op grond van artikel 1627 van het Gerechtelijk Wetboek mogelijk omdat de gerechtsdeurwaarder die bedragen al in bezit heeft genomen met toepassing van artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek.

In de context van het fiscaal derdenbeslag gaat het bedrag van de opbrengst evenwel rechtstreeks van de derde-beslagene over naar de ontvanger, en niet naar een gerechtsdeurwaarder, zodat artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is inzake inkomstenbelastingen en inzake BTW slechts van toepassing is met het essentiële voorbehoud dat "de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de met de invordering belaste ambtenaar" (artikel 85bis, ,§2, van het BTW-wetboek).

De bevoegde ontvangers dienden dus de gelden niet te overhandigen aan de gerechtsdeurwaarder die door de rechtbank van koophandel was aangewezen in een parallelle beslagprocedure en hebben dus geen enkele fout begaan die eisers aansprakelijkheid in het gedrang zou brengen in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en op grond waarvan hij veroordeeld zou worden tot betaling van interest op in de ingehouden bedragen, in tegenstelling tot hetgeen het bestreden arrest beslist met schending van de in het middel aangewezen artikelen 1390, zesde lid, 1543 en 1627 van het Gerechtelijk Wetboek, [artikel 85bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis), artikel 164 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en inzonderheid artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

*2.2. Tweede onderdeel*

Eiser voerde in zijn appelverzoekschrift reeds aan :

> "dat de beroepen beschikking (eiser) veroordeelt tot overhandiging aan gerechtsdeurwaarder J. van 6.141.168 BEF en 807.562 BEF vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet met ingang van 5 februari 1998, alsook van 3.709.804 BEF vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet met ingang van 16 februari 1998 ;
>
> dat de wettelijke grondslag van de tegen (eiser) aangevoerde verplichting om wettelijke interest te betalen vanaf de in het dictum vermelde data, niet wordt omschreven in dat vonnis dat ermee genoegen neemt alle aanspraken van (verweerster) in hun geheel en zonder nuance toe te wijzen ;
>
> dat de bodemrechter evenwel op de feiten waarvan hij regelmatig heeft kennisgenomen de rechtsnormen dient toe te passen op grond waarvan hij de vordering zal toewijzen of verwerpen ;
>
> dat er aldus een werkelijke verplichting rust op de rechter die, met inachtneming van het recht van verdediging, de toepasselijke rechtsnorm moet bepalen en ze toepassen ;
>
> dat een niet-aangevoerde rechtsnorm evenwel slechts met inachtneming van het recht van verdediging kan worden toegepast, namelijk nadat de partijen een tegensprekelijk debat hebben kunnen voeren (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Faculté de Droit de Liège, 1987, p. 76, nr. 62 : 'si la maîtrise du droit lui est reconnue, le juge ne peut appliquer une norme juridique dont les parties n'ont pu débattre') ;
>
> dat de rechter dus, in deze zaak, de door hem toegepaste rechtsnorm niet heeft vermeld en dus de partijen belet heeft over die toepassing debat te voeren, zodat hij de vordering met betrekking tot de geëiste wettelijke interest en de ingangsdatum ervan met miskenning van het recht van verdediging heeft toegewezen" ;

Voorts benadrukte eiser in zijn appelconclusie :

"(...) dat noch de eerste rechter, noch (verweerster) de wettelijke grondslag preciseren van de tegen (eiser) aangevoerde verplichting om wettelijke interest te betalen met ingang van de in het dictum van het beroepen vonnis vermelde data, waardoor elke dicussie daarover onmogelijk wordt ;

Dat (verweerster) althans alleen maar beweert dat (eiser) "ten onrechte elke verdeling zou geweigerd hebben en dat hij dus tot volledig herstel is gehouden'; dat die beweringen echter niet alleen elk bewijs over de vermeende fout missen, maar bovendien zelfs niet vermelden naar welke wetsbepaling dient te worden verwezen om die fout te beoordelen (artikelen 1378 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek, ... ?) en de verantwoording zou vormen voor de veroordeling tot betaling van wettelijke interest vanaf de data die door de eerste rechter in aanmerking zijn genomen".

Het bestreden arrest stelt slechts gewoonweg vast dat een fout is begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, maar biedt de partijen niet de gelegenheid daarover uitleg te geven en beantwoordt evenmin eisers conclusie, zodat het zowel artikel 149 van de Grondwet schendt als het in het middel aangewezen rechtsbeginsel miskent.

## IV. Beslissing van het Hof

Overwegende dat de cassatieberoepen tegen hetzelfde arrest zijn ingesteld; dat er grond bestaat tot voeging ;

### *B. Cassatieberoep A.R. C.03.0206.F*

*1. Eerste middel*

Overwegende dat de met de invordering belaste ambtenaar, met toepassing van artikel 85bis, ,§1, van het BTW-wetboek, vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden kan leggen op de bedragen en zaken die de bewaarnemer of schuldenaar aan de belastingschuldige verschuldigd is of moet teruggeven ;

Dat de derde-beslagene, krachtens artikel 85bis, ,§2, van dat wetboek, wegens dat vereenvoudigd derdenbeslag, waarvan de schuld vaststaand en eisbaar is, in de regel, het bedrag van het beslag moet afgeven in de handen van de met de invordering belaste ambtenaar, binnen de termijn waarin artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet ;

Dat artikel 85bis, ,§1, derde lid, van dat wetboek bepaalt dat voornoemd beslag aanleiding geeft tot het opmaken en het verzenden, door de met de invordering belaste ambtenaar, van een bericht van beslag als bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek; dat het uitvoerend beslag, krachtens artikel 85bis, ,§3, moet geschieden door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt uit de verklaring van de derde dat, vóór het beslag een andere schuldeiser zich heeft verzet tegen de afgifte door de derdebeslagene van de door deze verschuldigde sommen ;

Overwegende dat de bevoegde ontvanger, met toepassing van artikel 164, ,§1, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bij een derde een vereenvoudigd beslag kan leggen op het voor beslag vatbare gedeelte van de inkomsten, sommen en zaken die hij verschuldigd is of die hij onder zich houdt en met kwijting insluitend gevolg voor de belastingschuldige, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door laatstgenoemde verschuldigd is uit hoofde van belastingen, belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten, boeten en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging ;

Dat uit artikel 164, ,§1, 3 en 4, van dat koninklijk besluit volgt dat de derde-beslagene, wiens schuld vaststaand en eisbaar is, in de regel, ertoe gehouden is het bedrag van het derdenbeslag, binnen vijftien dagen na het neerleggen ter post van het als derdenbeslag geldende verzoek, te overhandigen aan de ontvanger ;

Dat artikel 164, ,§3, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat het derdenbeslag aanleiding geeft tot het opmaken van het bericht van beslag ingevoerd door artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek;

dat, krachtens artikel 165, ,§2 en 3, wanneer uit de verklaring van de derde-houder blijkt dat de inkomsten, sommen en zaken het voorwerp zijn van enig verzet of beslag onder derden, vóór het verzoek gedaan door andere schuldeisers, de ontvanger tot beslag onder derden moet overgaan, op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek ;

Overwegende dat uit die bepalingen volgt dat het vereenvoudigd derdenbeslag dat ofwel door de ontvanger, ofwel door de met de invordering belaste ambtenaar wordt gelegd, niet tot gevolg heeft dat het bedrag van het derdenbeslag definitief aan de beslagleggende schuldeiser wordt toegekend ; dat, ingeval vroeger door een schuldeiser beslag werd gelegd op het vermogen van de schuldenaar, het bedrag van het derdenbeslag onderworpen wordt aan de samenloop van diens schuldeisers ;

Overwegende dat het arrest vaststelt, enerzijds, dat verweerster, schuldeiser van een vennootschap Simafo, op 4 december 1997 beslag heeft laten leggen op de handelszaak van die vennootschap die haar als pand was verstrekt, anderzijds, dat eiser op 6, 10 en 19 februari 1998 van de vennootschap Ace Factors, schuldenaar van de vennootschap Simafo, bedragen heeft ontvangen die hem werden betaald ter uitvoering van vereenvoudigde derdenbeslagen die op 14 oktober 1997 en 3 februari 1998 werden gelegd door de voor de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde bevoegde ambtenaar, op grond van artikel 85bis, ,§1, van het BTW-wetboek en op 13 januari 1998 door de ontvanger van de directe belastingen, op grond van artikel 164 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ;

Overwegende dat de bevoegde ontvangers door gerechtsdeurwaarder Jentges op de hoogte werden gebracht van verweersters wil om bij de gelegde beslagen aan te sluiten en in samenloop te komen bij de in beslag genomen gelden, zodat de beslissing van het arrest dat zij de bedragen die hun waren betaald op 6 en 19 februari 1998 ter uitvoering van de derdenbeslagen van 3 februari 1998 en 13 januari 1998 dienden te overhandigen aan de gerechtsdeurwaarder die op verweersters verzoek was aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van koophandel, teneinde te handelen in overeenstemming met de artikelen 1627 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, naar recht verantwoord is ;

Dat het middel, ook al was het gegrond, dat in zoverre niet tot cassatie kan leiden, geen belang vertoont en bijgevolg, niet ontvankelijk is ;

Overwegende dat het arrest, daarentegen, zijn beslissing om te bevelen dat de gelden die op 10 februari 1998 ter uitvoering van het derdenbeslag van 14 oktober 1997 met dezelfde bedoeling aan die gerechtsdeurwaarder moeten worden overhandigd, niet naar recht verantwoordt ;

Dat, in zoverre, het middel gegrond is ;

*2. Tweede middel*

Overwegende dat de vernietiging van de beslissing om de overhandiging van het op 10 februari 1998 betaalde bedrag te bevelen, zich uitstrekt tot de beslissing waarbij eiser wordt veroordeeld tot betaling van de interest op dat bedrag;

Wat het middel voor het overige betreft:

*2. 1. Eerste onderdeel*

Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat het arrest naar recht beslist dat eiser verplicht is de op 6 en 19 februari 1998 betaalde bedragen te overhandigen aan de door de voorzitter van de rechtbank van koophandel aangewezen gerechtsdeurwaarder :

Dat het arrest, dat vaststelt dat eiser die verplichting niet is nagekomen, naar recht kan beslissen dat eiser wegens dat verzuim een fout heeft begaan ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

*2. 2. Tweede onderdeel*

Overwegende dat verweerster in haar appèlconclusie aanvoerde dat eiser ten onrechte elke verdeling had geweigerd en dat hij, aangezien het in beslag genomen geld hem ten goede was gekomen, compensatoire interest diende te betalen als herstel voor de laattijdige vergoeding ;

Overwegende dat het arrest oordeelt dat de ontvangers een fout hebben begaan die eisers aansprakelijkheid in het gedrang brengt op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboeken, door te weigeren de bedragen te overhandigen wanneer zij daartoe aangezocht waren, hetgeen het goede verloop van de verdelingsprocedure in het gedrang heeft gebracht ;

Dat het arrest, zonder het algemeen beginsel van het recht van verdediging te miskennen, antwoordt op eisers appelverzoekschrift en appelconclusie die in dit onderdeel zijn weergegeven ;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Voegt de cassatieberoepen A.R. C.03.0128.F en C.03.0206.F ;

Uitspraak doende in de zaak C.03.0128.F :

Verleent akte van afstand van het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiser in de kosten ;

Uitspraak doende in de zaak C.03.0206.F :

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dit eiser ertoe veroordeelt aan gerechtsdeurwaarder J. J.

152.334,74 euro te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet met ingang van 3 april 1998, en het uitspraak doet over de kosten ;

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;

Veroordeelt eiser in de helft van de kosten; houdt de overige helft aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 85bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85bis) 7 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

4

[Bijzondere rekening, Overeenstemming met het unierecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-overeenstemming-unierecht-rechtbank-brussel-2022-12-21-5d36) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Sancties, Fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/sancties-fiscale-boete-rechtbank-namen-2002-09-18-1d04) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Invordering, Dwangbevel, Vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invordering-dwangbevel-vereenvoudigd-uitvoerend-beslag-cassatie-brussel-2013-12-20-5bed) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Instituut van de accountants en de belastingconsulenten, Publiekrechtelijke beroepsvereniging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/instituut-accountants-belastingconsulenten-publiekrechtelijke-cassatie-brussel-2010-03-19-9477) 1 gemeenschappelijke bepalingen
