Vennootschapsbelasting, Gezamenlijke controle, Schuld, Btw-schuld · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 24 juni 2025

Zoeken

Vennootschapsbelasting, Gezamenlijke controle, Schuld, Btw-schuld

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vennootschapsbelasting-gezamenlijke-controle-schuld-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2025-06-24-5ef3

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
24 juni 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

99 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 24.06.2025

[ Gemengd arrest ]

BTW – Vennootschapsbelasting – Gezamenlijke controle – Schuld

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 24.06.2025

(2024/AR/188)

…, ON …, met zetel te …,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. VERHAEGEN Koen, advocaat te 2600 BERCHEM, Grotesteenweg

417

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 17 augustus 2023, gekend onder rolnummers 22/341/A en 22/636/A

tegen

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, met diensten gevestigd te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,

Verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat

2A bus 29 (ref.: 4154)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 17 augustus 2023, betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 8 januari 2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 6 februari 2024, ingeschreven op 7 februari 2024, waarbij tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2018 en 2019, respectievelijk gekend onder de artikelen 804401742 en 804405448 en op de navordering inzake B.T.W. over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 middels het innings- en invorderingsregister met artikelnummer 500/2347/84937, opgemaakt op 15 december 2020 en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2020 en over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 middels het innings- en invorderingsregister met artikelnummer 500/2347/85139, opgemaakt op 28 december 2020 en uitvoerbaar verklaard op 30 december 2020.

Er vond een gezamenlijke controle inzake vennootschapsbelasting en inzake B.T.W. plaats ingevolge waarvan op 14 februari 2020 een proces-verbaal van vaststellingen werd opgesteld.

Inzake de vennootschapsbelasting werd op 26 mei 2020 een bericht van wijziging verzonden aan eiseres in hoger beroep waarbij onder meer werd aangekondigd dat de aftrek van de bedragen, gefactureerd aan eiseres in hoger beroep door … (hierna '…') voor een bedrag van 252.000 EUR per jaar en door LKC NV voor een bedrag van 24.000 EUR voor aanslagjaar 2018 en van 30.000 EUR voor aanslagjaar 2019, niet kon worden aanvaard omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden van artikel 49 W.I.B. 1992. De toepassing van een belastingverhoging van 10% werd aangekondigd wegens onjuiste aangifte zonder opzet de belasting te ontduiken. Eiseres in hoger beroep verklaarde zich niet akkoord.

Na verzending van een kennisgeving van beslissing tot taxatie werden de bestreden aanslagen ingekohierd zoals aangekondigd op 11 december 2020.

Tijdig bezwaar werd afgewezen bij directoriale beslissing d.d. 30 november 2021.

Inzake B.T.W. werden na controle op 17 november 2020 twee processen-verbaal opgesteld waarbij inbreuken op de aftrekregeling werden opgenomen over het jaar 2017 en het jaar 2018. De aftrek van de B.T.W. aangerekend in de facturen van … en LKC NV werd verworpen voor een bedrag van 53.340 EUR in 2017 en van 68.040 EUR in 2018. Een verminderde proportionele B.T.W.-boete werd opgelegd van 10%.

De B.T.W.-schuld voor 2017 werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 15 december 2020. De B.T.W.-schuld voor 2018 werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 28 december 2020.

Bezwaar werd aangetekend dat werd afgewezen bij beslissing d.d. 14 december 2021.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 28 februari 2022 vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren, bijgevolg de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2018 en 2019, respectievelijk gekend onder de artikelen 804401742 en 804405448 teniet te doen, minstens de ontheffing ervan te bevelen, de terugbetaling te bevelen van alle ingehouden of geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 19 april 2022 vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren, bijgevolg het bevel tot betaling van 7 april 2022, de processen-verbaal van regularisatie inzake B.T.W. d.d. 17 november 2020 en de opname in en de uitvoerbaarverklaring van de overeenstemmende fiscale schulden inzake BTW in (1) het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.234.784.937 (opmaak register d.d. 15/12/2020 en uitvoerbaarverklaring d.d. 16/12/2020, registernummer 202012NL014) resp. (2) het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.234.785.139 (opmaak register d.d. 28/12/2020 en uitvoerbaarverklaring d.d. 30/12/2020, registernummer 202012NL025) te vernietigen en te zeggen voor recht dat de middels voormeld bevel tot betaling en middels voormelde titels gevorderde BTW, boete en alle aanhorigheden zoals intresten en uitvoeringskosten, niet verschuldigd zijn, de terugbetaling te bevelen van alle ingehouden of geinde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter voegde beide zaken samen en verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot en vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding en 44 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

Inzake de vennootschapsbelasting oordeelde de eerste rechter dat nergens wordt aangetoond dat er tegenover de forfaitaire facturaties vanuit … enige werkelijke prestatie ten behoeve van eiseres in hoger beroep staat. De enige stukken die door eiseres in hoger beroep worden voorgelegd zijn de facturen uitgaande van … en een afsprakennota van 10 augustus 2012. De omschrijving van de gefactureerde prestaties op de facturen is daarbij zeer beknopt en vaag: "conform raamovereenkomst". De raamovereenkomst waarvan sprake op de facturen betreft daarbij enkel een mondeling akkoord en kon dus niet worden voorgelegd.

Met betrekking tot de facturen van LKC NV stelde de eerste rechter dat op de facturen louter forfaitaire bedragen worden weergegeven zonder enige weergave van en/of verwijzing naar de aard of duur van de geleverde prestaties. Nergens blijkt uit welke effectieve prestaties LKC NV heeft gepresteerd ten behoeve van eiseres in hoger beroep en tot het verkrijgen en behouden van inkomsten van het mandaat van algemeen directeur bij N.. Tijdens de fiscale controle verklaarde de heer K.: "Ik heb geen idee wat dit geweest is, ik kan het mij niet meer herinneren."

Met betrekking tot de belastingverhoging oordeelde de eerste rechter dat de toepassing van een belastingverhoging van 10% evenredig is met de gepleegde inbreuk. Een verdere herleiding is niet aan de orde. Een principiële betwisting ligt niet voor.

Inzake B.T.W. verwees de eerste rechter naar wat werd beslist inzake de vennootschapsbelasting.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 6 februari 2024, ingeschreven op 7 februari 2024.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis integraal teniet te doen en opnieuw recht doende, de vorderingen in eerste aanleg ontvankelijk en gegrond te verklaren, de aanslagen in de vennootschapsbelasting met artikelnummers 804401742 voor aanslagjaar 2018 en 804405448 voor aanslagjaar 2019 te vernietigen, minstens te ontheffen, het bevel tot betaling van 7 april 2022, de processen-verbaal van regularisatie in de BTW opgesteld op 17 november 2020 m.b.t. de periodes 1/1/2017 t.e.m. 31/12/2017 en 1/1/2018 t.e.m. 31/12/2018 en de opname in en de uitvoerbaarverklaring van de overeenstemmende fiscale schulden inzake BTW in (1) het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.234.784.937 (opmaak register d.d. 15/12/2020 en uitvoerbaarverklaring d.d. 16/12/2020, registernummer 202012NL014) resp. (2) het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.234.785.139 (opmaak register d.d. 28/12/2020 en uitvoerbaarverklaring d.d. 30/12/2020, registernummer 202012NL025) te vernietigen en te zeggen voor recht dat de middels voormeld bevel tot betaling en middels voormelde titels gevorderde BTW, boete en alle aanhorigheden zoals intresten en uitvoeringskosten, niet verschuldigd zijn, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die aldus ten onrechte werden betaald en/of ingehouden en of aangerekend, vermeerderd met de moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van 44 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds in eerste aanleg en 24 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep en 2 x 7.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 10.988,37 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, te vermeerderen met de eventuele betekenings- en uitvoeringskosten.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis integraal te bevestigen, en inzake vennootschapsbelasting, de aanslagen in de vennootschapsbelasting met artikelnummers 804401742 voor aanslagjaar 2018 en 804405448 voor aanslagjaar 2019 te bevestigen en inzake B.T.W., de bedragen opgenomen in artikelnummers 500/2347/84937 en 500/2347/85139, geconcretiseerd in de innings- en invorderingsregisters van respectievelijk 16 december 2020 en 30 december 2020 te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de betaling hiervan en tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van geïntimeerde begroot op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 10.988,37 EUR.

3. Bespreking.

3.1. Aan eiseres in hoger beroep werden in 2017 en 2018 door … en door LKC NV bedragen gefactureerd waarvan de aftrek als beroepskost in toepassing van artikel 49 W.I.B. 1992 in de vennootschapsbelasting wordt verworpen. Inzake B.T.W. wordt de aftrek van de B.T.W., aangerekend in deze facturen verworpen in toepassing van artikel 45 W.B.T.W..

De administratie stelt dat niet is aangetoond dat tegenover de forfaitaire facturaties enige werkelijke prestaties ten behoeve van eiseres in hoger beroep staan. De grootte van de gefactureerde bedragen zou niet worden onderbouwd.

Overeenkomstig artikel 49 W.I.B. 1992 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken, of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

In toepassing van artikel 45, §1 W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.B.T.W., handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, handelingen bedoeld in artikel 44, §3, 4° tot 10° W.B.T.W. of diensten als makelaar bij voorgaande handelingen.

De bewijslast dat aan de voorwaarden van de artikelen 49 W.I.B. 1992 en 45 W.B.T.W. is voldaan rust op eiseres in hoger beroep.

3.2. Eiseres in hoger beroep stelt dat de facturatie van … aan eiseres in hoger beroep een compensatie inhoudt van het omzetverlies dat … lijdt naar aanleiding van de uitoefening door de heer L.K. van een mandaat als CEO bij N. NV, een investeringsholding van 41 Limburgse gemeenten, actief in de sector van de hernieuwbare energie. Zij verwijst ter zake naar een afsprakennota d.d. 10 augustus 2012 (stuk 3 eiseres in hoger beroep) en een dienstverleningsovereenkomst (stuk 2 eiseres in hoger beroep).

Uit de voorliggende stukken blijkt dat de heer K. in 2012 en de jaren voorheen managing partner en aandeelhouder was van NV F.G. BELGIE (hierna 'FGB NV'), holdingmaatschappij. … is de dochtervennootschap van FGB NV waarin de accountancy activiteiten worden uitgeoefend. Er bestond tussen NV LKC, vennootschap van de heer K., en NV FGB een dienstverleningsovereenkomst (stuk 2 eiseres in hoger beroep) voor het leveren van werkzaamheden van boekhoudkundige en fiscale aard voor NV FGB en diens verbonden vennootschappen (artikel 1.2). Deze prestaties werden door NV LKC gefactureerd aan NV FGB.

De heer K. was reeds vanaf 2001 bestuurder bij N. NV. In 2012 kreeg hij het aanbod om de dagelijkse leiding van N. NV waar te nemen. De door de heer K. voor N. NV geleverde prestaties werden gefactureerd door eiseres in hoger beroep die hiervoor werd opgericht door de heer K. en zijn echtgenote op 10 september 2012.

Het voorgaande wordt als zodanig niet betwist door de administratie.

Het hof is van oordeel dat uit de voorliggende stukken ten genoege van recht blijkt dat de in 2017 en 2018 door … aan eiseres in hoger beroep gefactureerde bedragen een compensatie vormen voor het omzetverlies dat deze zou lijden door het vertrek van de heer K. uit het managementteam van de F.G. naar het managementteam van N. NV vanaf 2012. De gefactureerde bedragen zijn gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, met name de inkomsten uit N. NV. Zulks blijkt uit de voorgelegde afsprakennota d.d. 10 augustus 2012.

Deze afsprakennota werd gesloten tussen de heer K. en NV LKC enerzijds en FGB NV en … anderzijds met als titel 'NAV opdracht intuitu personae L. tov N.' en bevestigen de afspraken die werden gemaakt naar aanleiding van de persoonsgebonden dienstverleningsovereenkomst die de heer K. wenste of te sluiten met N. NV. Hierbij werd onder meer voorafgaandelijk gestipuleerd:

"1. L. is tot op heden de managing partner van de F.G. en tevens sinds het ontstaan van N. in 2001 als bestuurder betrokken bij de activiteiten van N..

2.L. heeft onlangs het aanbod gekregen om de dagelijkse leiding van N. waar te nemen en wenst hierop in te gaan.

3.Het betreft hier een persoonsgebonden opdracht die niet kan uitgevoerd worden via … of de F.G..

4.L. wenst hiervoor een aparte vennootschap (…) op te richten. Deze regeling is in overtreding met de bepalingen van de bestaande dienstverleningsovereenkomst tussen de F.G. en L..

5.In dat kader heeft L. deze geboden opportuniteit voorgelegd aan de aandeelhouders van de F.G. welke besloten hebben L. te steunen in deze kans, mits bepaalde voorwaarden zoals deze voorgesteld werden door L..

6.L. wenst ook de bestaande dienstverleningsovereenkomst met de F.G. te behouden aangezien de overeenkomst met N. mogelijke een tijdelijke overeenkomst is en bij gebeurlijke opzeg L. geen terugvalpositie zou hebben.

(...)

9. … (lees '…') zal, los van het gemis en het nadeel in het management van de F.G. door de mindere beschikbaarheid van L., ook een belangrijk financieel nadeel hebben. Immers dit zal in de toekomst ook leiden tot een sterke terugval, quasi verdwijnen, van de omzet die … via de prestaties van L. kan genereren op haar cliënten, zoals actueel het geval is. In het raamakkoord dat door de aandeelhouders van de F.G. en L. mondeling werd besproken is o.m. als compensatie hiervoor en voor de ondersteunende prestaties van … aan L. in de ondersteuning van zijn nieuwe rol bij N. een vergoeding afgesproken.

(•••)"

"De bestaande dienstverleningsovereenkomst tussen FGB en LKC (L.) Milt in voege. Dwz: LKC blijft de overeengekomen prestaties factureren aan de vastgestelde vergoeding en L. blijft zijn rechten als aandeelhouder van FGB behouden.

(...)

Aangezien de dienstverleningsovereenkomst tussen L. en FGB blijft bestaan en om de andere bovenvermelde redenen, worden volgende bijkomende afspraken gemaakt inzake facturatie prestaties L. via op te richten VOF ten aanzien van N. (met ingang vanaf 01/09 ek): VOF factureert aan N. (2012 — 4/5de = 16.667 EUR per maand) -> … factureert aan VOF (2012 = 16.500 EUR per maand) -> LKC factureert aan FGB (2012 = 6.222 EUR + bonus op basis van nacalculatie) en L. behoudt zijn recht op dividend van FGB en terugvalpositie. Deze bedragen worden in evenredigheid aangepast indien de dienstverleningsovereenkomst met N. 5/5de wordt."

Deze afsprakennota betreft, zo blijkt uit punt 9, de schriftelijke weerslag van een mondeling raamakkoord dat tussen de aandeelhouders van de F.G. en de heer K. werd gesloten. Door op de aan eiseres in hoger beroep uitgereikte facturen 'conform raamovereenkomst' te vermelden, werd derhalve de facto verwezen naar de afsprakennota als onderliggend verantwoordingsstuk. Dat er geen schriftelijke raamovereenkomst voorhanden is, doet hieraan geen afbreuk.

In de afsprakennota werden afspraken gemaakt tussen twee partijen, enerzijds de F.G. en anderzijds de heer K. en diens vennootschap NV LKC, waarbij de heer K. zich sterk maakt voor de nog op te richten …, eiseres in hoger beroep. Het betreffen aldus onafhankelijke partijen. Dat de heer K. bestuurder en aandeelhouder was van de F.G. kan hieraan geen afbreuk doen, in het bijzonder nu de afspraken tot stand kwamen tussen de aandeelhouders van de F.G., vertegenwoordigd door de heer V. enerzijds en de heer K. anderzijds.

Conform de afsprakennota werd in 2017 en 2018 252.000 EUR gefactureerd door … aan eiseres in hoger beroep. De heer K. was in de betrokken jaren 5/5de werkzaam voor N.. Deze bedragen compenseren, zo blijkt uit punt 9 van de nota, enerzijds het omzetverlies dat … jaarlijks Iijdt door het feit dat de heer K. niet meer beschikbaar is voor de uitoefening van zijn werkzaamheden binnen … en lieten anderzijds toe dat de heer K. het dagelijks bestuur kon waarnemen binnen N. NV die aldus, middels eiseres in hoger beroep die hiervoor aan NV N. factureerde, inkomsten heeft kunnen bekomen. Zoals blijkt uit punt 3 en 4 van de afsprakennota was de uitoefening van de managementfunctie binnen N. NV via eiseres in hoger beroep immers in overtreding met de bepalingen van de dienstverleningsovereenkomst. Hierin is onder artikel 6 een niet-concurrentiebeding opgenomen dat geldt, rechtstreeks en onrechtstreeks en in elke hoedanigheid, ten aanzien van contractspartij FGB NV "of enige verbonden onderneming" (artikel 6.1), en derhalve evenzeer ten aanzien van … door eiseres in hoger beroep. Zonder de betaling van de vergoeding aan …, conform de gemaakte afspraken, zou het de heer K. dan ook niet zijn toegestaan middels eiseres in hoger beroep inkomsten te behalen vanuit N. NV. Eiseres in hoger beroep realiseerde in 2017 en 2018 een omzet van respectievelijk 499.157,16 EUR en 509.831,16 EUR vanuit N. NV. De gefactureerde bedragen werden dan ook zonder twijfel betaald om belastbare inkomsten te verkrijgen en te behouden. De gefactureerde bedragen werden aldus gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

De gemaakte afspraken, waaronder de betaling van de vergoeding, boden de heer K. en diens vennootschappen bovendien een zekerheid in die zin dat bij beëindiging van zijn mandaat, de prestaties voor de groep conform de dienstverleningsovereenkomst konden worden hervat, de zogenaamde 'terugvalpositie', zoals blijkt uit punt 6 van de nota.

De administratie betwist als zodanig de inhoud van de afsprakennota niet. Deze wordt niet van valsheid beticht. Ook wordt geen simulatie weerhouden. Evenmin betwist de administratie dat de vergoeding een compensatie vormt voor het omzetverlies dat … zou lijden als gevolg van de samenwerking tussen eiseres in hoger beroep en NV N.. De administratie betwist de begroting van de gefactureerde bedragen en stelt dat deze niet worden verantwoord door concrete becijferingen.

De hypothetische berekeningen door de administratie zelf in de nota's van de controle (A.D. Venn.B. 149-154) bevestigen dat de afsprakennota … vrijwaart van een reëel omzetverlies door dit door te rekenen aan eiseres in hoger beroep (A.D. Venn.B. 151-152). Deze berekeningen wijzen er ook op dat voor de F.G. (… en FGB NV) een neutrale verrichting wordt gerealiseerd nu wat door NV LKC wordt gefactureerd aan NV FGB, voor het behoud van de dienstverleningsovereenkomst (punt 6, de zogenaamde 'terugvalpositie'), wordt doorgerekend met het omzetverlies aan eiseres in hoger beroep (A.D. Venn.B. 151-152). De administratie stelt aldus in deze berekeningen dat wat door … aan eiseres in hoger beroep wordt gefactureerd enerzijds bestaat uit het omzetverlies van … ('verlies aan prestaties en dito gefactureerde uren') en anderzijds uit de 'terugvalpositie', zijnde het behoud van de dienstverleningsovereenkomst met de groep in weerwil van de tewerkstelling bij N. NV. Desbetreffend stelt de administratie eveneens in de nota's dat het bedrag van de terugvalpositie een 'gekend en zeker gegeven' is (A.D. Venn.B. 153). Het hof neemt aldus aan dat het bedrag van de terugvalpositie, m.n. wat door NV LKC werd gefactureerd aan NV FGB in de betrokken jaren (182.407,50 EUR in 2017 en 159.213,22 EUR, A.D. 149), begrepen is in het bedrag van 252.000 EUR dat werd gefactureerd aan eiseres in hoger beroep. In acht genomen dat de administratie daarnaast het bestaan van een reëel omzetverlies aanvaardt in hoofde van … en gelet op het prestatieoverzicht van de heer K. in 2010, voor zijn tewerkstelling bij N. NV (stuk 9 eiseres in hoger beroep), waarvan de inhoud door de administratie evenmin wordt betwist, kan werden aangenomen dat het saldo van het bedrag van 252.000 EUR geacht wordt overeen te stem men met het omzetverlies.

Het hof is dan ook van oordeel dat het volledige bedrag van 252.000 EUR, alhoewel forfaitair begroot in de afsprakennota, aldus op voldoende wijze onderbouwd wordt. Er blijkt geenszins dat dit bedrag onredelijk zou zijn met inachtneming van de gerealiseerde omzet uit N. NV en het behoud van de dienstverleningsovereenkomst. Dat deze vergoeding 8 jaar na datum nog steeds wordt betaald, kan hieraan geen afbreuk doen. De afsprakennota geldt immers tot 30 september 2023, met behoud van alle waarborgen en afspraken die tussen de verschillende partijen werden bedongen. Dat niet in detail wordt toegelicht om welke ondersteunde prestaties van … aan de heer K. het gaat, doet evenmin afbreuk aan de verantwoording van de gefactureerde bedragen. Althans blijkt uit de afsprakennota dat het gaat om een vergoeding die een omzetverlies viseert, het behoud garandeert van de bestaande dienstverleningsovereenkomst, de mogelijkheid biedt om inkomsten uit N. NV te verwerven en is er ook sprake van het behoud van een werkplek bij …, een VPN-verbinding, de mogelijkheid om beroep te doen op het secretariaat van … en het gebruik van vergaderruimte. De gemaakte afspraken zijn duidelijk. Er blijkt niet dat ze niet zouden zijn nageleefd.

Het hof is dan ook van oordeel dat aan de voorwaarden voor de aftrek van de gefactureerde bedragen door … als beroepskost in toepassing van artikel 49 W.I.B. 1992 is voldaan. Eveneens is voldaan aan de voorwaarden van artikel 45 W.B.T.W. voor de aftrek van de in de facturen aangerekende B.T.W..

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is op dit punt gegrond.

3.3. Aan eiseres in hoger beroep werd tijdens de betrokken jaren door NV LKC aan eiseres in hoger beroep een bedrag van respectievelijk 24.000 EUR en 30.000 EUR gefactureerd met de vermelding 'prestaties'. Eiseres in hoger beroep stelt dat het zou gaan om prestaties voor het voeren van de boekhouding en administratie enerzijds en het voorbereiden van presentaties die door eiseres in hoger beroep worden gebruikt in het kader van het bestuursmandaat bij N. NV. De prestaties zouden zijn geleverd door de dochter van de heer K..

Het hof stelt vast dat van de gefactureerde prestaties geen objectieve en controleerbare verantwoordingsstukken worden voorgelegd. Het hof treedt de administratie dan ook bij dat wat de facturatie van NV LKC betreft geen bewijs voorligt dat dergelijke prestaties werkelijk zijn geleverd ten behoeve van eiseres in hoger beroep. Terecht werd de aftrek ervan als beroepskosten in de vennootschapsbelasting en de aftrek van de in de facturen aangerekende B.T.W. verworpen. Het neutraliteitsbeginsel inzake B.T.W. kan hieraan geen afbreuk doen.

3.4. Eiseres in hoger beroep stelt dat de belastingverhoging van 10% in de vennootschapsbelasting en de geldboete van 10% inzake B.T.W. ten onrechte werden opgelegd, gelet op de louter principiële discussie, de goede trouw van eiseres in hoger beroep en het totale gebrek aan fiscale voordelen. Tevens stelt zij dat de boete en belastingverhoging onevenredig zijn met de begane inbreuk.

Vooreerst stelt het hof vast dat geen principiële discussie voorligt in deze. De vraag of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 W.I.B. 1992 en van artikel 45 W.B.T.W. vereist een feitelijke beoordeling van het hof. Gelet op de onterechte aftrek met betrekking tot de facturen van NV LKC in de vennootschapsbelasting en inzake B.T.W. kan eiseres in hoger beroep bezwaarlijk stellen geen fiscale voordelen te hebben genoten.

Voorts werd zowel inzake de vennootschapsbelasting als inzake B.T.W. reeds rekening gehouden met de goede trouw van eiseres in hoger beroep nu in deze een boete / belastingverhoging van 10% werd opgelegd.

Aangezien artikel 444 W.I.B. 1992 bepaalt dat een belastingverhoging wordt opgelegd gaande van 10% tot 200%, betreft een verhoging van 10% de minimale boete en werd deze terecht opgelegd. Dat bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van de verhoging, doet hieraan geen afbreuk.

Ook inzake B.T.W. verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de B.T.W. in aftrek heeft gebracht een geldboete gelijk aan het dubbel van de B.T.W. in toepassing van artikel 70, §1bis W.B.T.W. Deze geldboete werd verminderd conform tabel H van K.B. nr. 41 tot 10% voor ten onrechte afgetrokken belasting van meer dan 1.250 EUR. De boete van 10% betreft aldus de minimale boete en werd eveneens terecht opgelegd.

Nu het hoger beroep van eiseres in hoger beroep gegrond is wat betreft de facturen van … waarvan de aftrek in de vennootschapsbelasting en inzake B.T.W. kan worden aanvaard, beperkt de grief omtrent het disproportioneel karakter van de belastingverhoging en de boete zich tot de facturen van NV LKC. Zulks houdt noodzakelijkerwijs een aanzienlijke herleiding in van de belastingverhoging en de B.T.W.-boete. Gelet op deze herleiding kan het hof niet vaststellen dat de opgelegde belastingverhoging en B.T.W.-boete van 10% onevenredig zouden zijn met de aard en de ernst van de inbreuk en is er geen aanleiding om de opgelegde boete en belastingverhoging te herleiden beneden het wettelijk minimum. Het hof ziet dan ook geen redenen om de debatten op dit punt te heropenen teneinde partijen standpunt te laten innemen over de toepassing van het Regentbesluit van 1831 en het recente arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025 (Cass. 25 april 2025, F.22.0162.N en F.22.0166.N).


Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt deels hervormd.

Eiseres in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding op 2 maal 7.500 EUR in eerste aanleg. Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 10.988,37 EUR. Eiseres in hoger beroep vordert tevens de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 44 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep. Nu de procedures inzake B.T.W. en inzake vennootschapsbelasting gelijklopend zijn en in eerste aanleg werden samengevoegd, begroot het hof de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg met inachtneming van het bedrag van de samengevoegde vorderingen op 10.500 EUR. In hoger beroep wordt de rechtsplegingsvergoeding begroot op 10.988,37 EUR. Aangezien beide partijen elk deels in het ongelijk worden gesteld, worden de kosten omgeslagen tussen partijen zoals hierna bepaald. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in hoger beroep in eerste aanleg niet werd vertegenwoordigd door een raadsman.

Eiseres in hoger beroep vordert tevens 'eventuele betekenings- en uitvoeringskosten'. Behoudens de vaststelling dat geen bewijs voorligt dat dergelijke kosten werden gedragen door eiseres in hoger beroep, stelt het hof vast dat dit hoe dan ook geen kosten van het geding betreffen in de zin van de artikelen 1017 e.v. Ger.W..

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

Beschikkend gedeelte

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond als volgt. Het hof verklaart de oorspronkelijke vorderingen van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond als volgt:

- Het hof ontheft de aanslagen in de vennootschapsbelasting met artikelnummers 804401742 voor aanslagjaar 2018 en 804405448 voor aanslagjaar 2019 in de mate dat de aftrek als beroepskost werd verworpen van de door … gefactureerde bedragen en in de mate dat hiervoor een belastingverhoging werd opgelegd;

- Het hof vernietigt de B.T.W.-vorderingen middels het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500.234.784.937 (opmaak register d.d. 15/12/2020 en uitvoerbaarverklaring d.d. 16/12/2020, registernummer 202012NL014) en middels het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500.234.785.139 (opmaak register d.d. 28/12/2020 en uitvoerbaarverklaring d.d. 30/12/2020, registernummer 202012NL025) in de mate dat de aftrek werd verworpen van de B.T.W. aangerekend in de facturen van … en in de mate dat hiervoor een geldboete wordt nagevorderd.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Het hof beveelt de terugbetaling van de ten onrechte ingehouden dan wel betaalde bedragen, meer moratoriumintresten inzake vennootschapsbelasting in toepassing van artikel 418 W.I.B. 1992 en inzake B.T.W. in toepassing van artikel 91 W.B.T.W..

Het hof vereffent de kosten van het geding op 10.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 10.988,37 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en op de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 44 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep en slaat deze kosten om als volgt. Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 2.197,67 EUR (1/5de van 10.988,37 EUR) rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot 8.400 EUR (4/5de van 10.500 EUR) rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en tot 8.790,70 EUR (4/5de van 10.988,37 EUR) rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en tot 35,20 EUR (4/5de van 44 EUR) bijzondere bijdrage begrotingsfonds in eerste aanleg en tot 19,20 EUR (4/5de van 24 EUR) bijzondere bijdrage begrotingsfonds in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 24 juni 2025 door

C. P.

E. D.

K. L.

E. C.