---
title: "Vennootschapsbelasting, Akkoord · Hof van beroep te Antwerpen, 27 april 2021"
description: "Vennootschapsbelasting, Akkoord, Volmacht, Lastgeving, procedure, controle. Hof van beroep te Antwerpen (België), 27 april 2021."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vennootschapsbelasting-akkoord-volmacht-lastgeving-hof-van-beroep-antwerpen-2021-04-27-a1c0"
lang: "nl"
---

# Vennootschapsbelasting, Akkoord, Volmacht, Lastgeving, procedure, controle

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

27 april 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

180 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 27.04.2021

WF 707-15-18/007350

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Vennootschapsbelasting - Akkoord – Volmacht – Lastgeving*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen 1988 en 1989 van het oude Burgerlijk wetboek

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Er vond een omzetcontrole plaats bij de belastingplichtige. Naar aanleiding van deze controle werden er een correctieopgave inzake btw en akkoordverklaringen in de vennootschapsbelasting ondertekend door de accountant van de belastingplichtige. Daarna werden er door tegenpartij zowel inzake btw als inzake vennootschapsbelasting bezwaren ingediend tegen deze akkoorden. Deze bezwaren werden afgewezen door de administratie.

Hierna werden er door tegenpartij afzonderlijke verzoekschriften inzake btw en vennootschapsbelasting hiertegen neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De beide zaken werden door de eerste rechter samengevoegd en de beide vorderingen werden ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

## 2) Het arrest van het hof van beroep

*\** *Akkoordverklaring*

Tegenpartij is van mening dat de ondertekende akkoorden inzake btw en vennootschapsbelasting niet geldig zijn aangezien haar accountant hiervoor geen mandaat zou hebben gehad. Zij verwijst hiervoor naar een vonnis van de ondernemingsrechtbank, gewezen tussen tegenpartij en haar accountant. Het hof wijst er in haar beoordeling op dat dit vonnis slechts de bewijswaarde heeft van een feitelijk vermoeden. Ten aanzien van derden geldt een rechterlijke uitspraak nu eenmaal niet als een wettelijk vermoeden.

De administratie is daarentegen van mening dat de akkoorden rechtsgeldig werden ondertekend. Zij brengt hiervoor twee volmachten bij. De ene volmacht is gedateerd en werd ondertekend door de toenmalige zaakvoerster en gaf aan de accountant de volmacht om alle fiscale belangen van tegenpartij te behartigen inzake directe belastingen en btw. De andere volmacht is niet gedateerd en werd ondertekend door de huidige zaakvoerder van tegenpartij. Tevens werd deze volmacht aan de administratie bezorgd naar aanleiding van de controle in kwestie. Middels deze volmacht diende de accountant de fiscale en btw-belangen van de belastingplichtige bij de administratie naar best vermogen te behartigen. Het hof stelt vast dat uit niets blijkt dat één van beide volmachten werd ingetrokken.

Daarnaast blijkt dat alle contacten met de administratie via de accountant van de belastingplichtige verliepen, dit zelfs na het ondertekenen van de akkoorden. Eveneens vond een deel van de controle plaats op de kantoren van de accountant terwijl de zaakvoerder van de belastingplichtige hierbij niet aanwezig was.

Verder werden steeds alle btw-aangiftes en aangiftes in de vennootschapsbelasting van de belastingplichtige ingediend door de accountant.

Tenslotte is het hof van oordeel dat de volmachten in algemene en duidelijk bewoordingen zijn opgesteld en dat hieruit duidelijk blijkt dat de accountant in naam en voor rekening van tegenpartij fiscale controles mag bijwonen, afwikkelen, mag onderhandelen met de administratie en eveneens akkoorden mag afsluiten.

Op basis van het geheel van omstandigheden in deze zaak besluit het hof dat de accountant van tegenpartij over een bijzonder mandaat beschikte om akkoorden af te sluiten met de administratie zowel inzake vennootschapsbelasting als btw. De belastingplichtige is bijgevolg ook gebonden door de door haar gevolmachtigde ondertekende akkoorden. Verder stelt het hof vast dat er geen enkele reden was voor de administratie om te twijfelen aan de toereikende bevoegdheid van de accountant.

Het hof verklaart de volledige vordering van de belastingplichtige dan ook ontvankelijk maar ongegrond.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van beroep Antwerpen, kam.er B6M, burgerlijke zaken van 27 april 2021

Rol: 2019/AR/2233

**V. BV**. ON 0454.....53, met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres In hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ... , advocaat te ... tegen het vonnis van de Afi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdering Antwerpen van 06 november 2019, gekend onder rolnummers 18/3455/A + 18/3456/A

**tegen**

**BELGISCHE STAAT, FOD FlNANCIËN**, ON 0308357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO-CENTRUM ANTWERPEN, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste Antwerpen, afdeling Antwerpen van 6 november 2019, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 december 2019, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

### 1. Voorafgaande feiten en procedure

*1.1.* *Voorwerp van de betwisting. De betwisting heeft betrekking op:*

\- de aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van eiseres in hoger beroep voor aanslagjaar 2015, kohierartikel 874...43 en voor aanslagjaar 2016, kohierartikel 874...21.

en

\- het dwangbevel nr. 500/.../...16 uitgevaardigd op 23/05/2018 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 01/06/2018 waarin van eiseres in hoger beroep gevorderd wordt een bedrag van 17.738,61 euro aan BTW, een proportionele geldboete van 3.540 euro, meer interesten overeenkomstig [artikel 91§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

*1.2.* *Administratieve procedure*

Het geschil behelst zowel BTW als vennootschapsbelasting.

Een BTW drankenomzet-controle over 2014 en 2015 leidde tot een correctieopgave die op 26/08/2017 werd ondertekend door P.V. handelend als "Gevolm. Accountant Belastingconsulent'.

Aan de hand daarvan vaardigde de Ontvanger (Team Jnvor.derlng) het bestreden dwangbevel uit dat werd betekend middels deurwaardersexploot aan eiseres in hoger beroep op 15/06/2018.

Eiseres in hoger beroep diende een willig bezwaar in dat op 16/05/2018 werd afgewezen.

Inzake vennootschapsbelasting werden er door eiseres in hoger beroep voor de aanslagjaren 2015 en 2016 tijdige aangiftes in de vennootschapsbelasting ingediend.

Naar aanleiding van de hoger vermelde controle volgden er ook akkoordverklaringen in de vennootschapsbelasting ondertekend op 04/09/2017 door P. P.V. namens BVBA (thans BV) B.A..

De supplementaire aanslagen werden gevestigd conform voormelde akkoordverklaringen.

Eiseres in hoger beroep diende tijdig bezwaar in tegen voormelde aanslagen in de vennootschapsbelasting.

Bij beslissing van 16/05/2018 werd het bezwaar afgewezen.

*1.3.* *Procedure voor de eerste rechter.*

Bij afzonderlijke verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 05/07/2018 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in respectievelijk inzake de vennootschapsbelasting (rolnummer: 18/3455/A} en inzake de BTW (rolnummer: 18/3456/A).

De eerste rechter voegde de beide zaken samen en verklaarde de vordering onder A.R. 18/3456/A ontvankelijk maar ongegrond en de vordering onder A.R. 18/3455/A toelaatbaar maar ongegrond. Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de opgetelde kosten in beide gevoegde zaken samen. De kosten werden in hoofde van verweerder in hoger beroep in beide zaken samen vereffend op 780 euro plus 2.400 euro. De eerste rechter stelde dat de bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiseres In hoger beroep inzake AR 18/3455/A en AR 18/3456/A definitief verworven was voor het Fonds.

De eerste rechter oordeelde dat de beide volmachten, zowel die van 1995 als de niet gedateerde, volmacht gaven om de fiscale belangen bij de belastingdienst te behartigen en dat zulke algemeen geformuleerde volmacht, in uitdrukkelijk fiscale zaken, niet kon worden gelezen als houdende enige inperking en dat "Alle", respectievelijk "haar" fiscale belangen, dermate algemeengesteld was dat onderschrijving van een akkoord noodzakelijkerwijs daaronder viel. Naar het oordeel van de eerste rechter bestond er geen twijfel over dat de akkoorden- eiseres in hoger beroep bond als mandate. De eerste rechter besliste d.at de akkoorden geldig waren.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in- hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd tèr griffie van het hof op 27 december 2019, hoger beroep ingesteld.

*1.4.* *Procedure voor het hof van beroep. Eiseres in hoger beroep vordert:*

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen;

\- opnieuw rechtdoende, de vorderingen van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- de ontheffing dan wel de vernietiging van de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting;

\- de vernietiging dan wel de vermindering van de BTW-schuld die weergegeven wordt in het RCIV-artikel 500184575616;

\- en nog de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling aan eiseres in hoger beroep van al de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald door eiseres in hoger beroep en door de Belgische Staat werden aangerekend op de belasting, vermeerderd met de moratoriuminteresten conform artikel 418 WIB92;

en tenslotte de Belgische Staat te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen in toepassing van het KB d.d. 26/10/2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W. en te begroten op 2.880 euro {1.440 in eerste aanleg en 1.440 euro in hoger beroep).

Ter zitting van 23/03/2021 vordert eiseres in hoger beroep de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds in beide aanleggen ten laste van de Belgische Staat te leggen.

Verweerder in hoger beroep vordert om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten.

De Belgische Staat vordert uiterst subsidiair:

\- inzake 87W in de nlet te weerhouden veronderstelling dat het hof van oordeel zou zijn dat het uitgevaardigde dwangbevel inzake BTW nietig is, quod non, eiseres in hoger beroep schuldenaar te verklaren jegens de Belgische Staat van volgende bedragen:

\- BTW: 9.676,98 euro

\- boete: 1.930 euro

\- interesten van artikel 91 §1 over de verschuldigde btw, te rekenen vanaf 21/01/2016 rekening houdende met betaling van 2.495,20 euro op 10/11/2017 en van het saldo op 25/09/2Ó18): Pro Memorie.

\- inzake de vennootschapsbelasting

\- in de niet te weerhouden veronderstelling dat het hof van oordeel zou zijn dat de aanslagen nietig zijn, quod non, de heropening der debatten te bevelen teneinde de Belgische Staat de mogelijkheid te bieden om binnen de zes maanden vanaf het te vellen arrest een subsidiaire aanslag zoals voorzien in art. 356 WIB92 aan het hof ter beoordeling voor te leggen.

### 2. Bespreking

*2.1* *Akkoordverklaringen en bewijs van een vergissing in feite of in rechte*

Het hof stelt vast dat de correctieopgave inzake BTW op 28/08/2017 werd ondertekend te Berchem door "P.V." handelend als "gevolm. Accountant Belastingconsulent" met vermelding van de eigenhandig geschreven verklaren "Gelezen en goedgekeurd voor de som van zeventien duizend zevenhonderd achtendertig euro en eenenzestig cent, 17.738,61 EUR BTW'.

Het hof stelt tevens vast dat er voor aanslagjaar 2015 en aanslagjaar 2016 inzake de inkomstenbelasting telkens op 04/09/2017 akkoordverklaringen werden ondertekend door P.V. Peter met de vermelding "Gelezen en goedgekeurd" Gevolm. Accountant­belastingconsulent" en met hierop de stempel van "BVBA B.A.”.

De administratie verwijst naar de akkoorden van 28/08/2017 gesloten met de BTW­ administratie en van 04/09/2017 gesloten met de administratie van de directe belastingen voor de feiteliJke elementen op basis waarvan de belastingen werden vastgesteld.

Eiseres in hoger beroep. Daarentegen stelt dat de akkoorden niet geldig zijn nu zij werden ondertekend door P.V. Peter en deze geen mandaat had om akkoordverklaringen te ondertekenen. Zij verwijst desbetreffende ook naar een vonnis van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen d.d. 29/11/2018 gewezen tussen eiseres in hoger beroep en de BV B.A..

Het hof wijst er vooreerst op dat een gewezen gerechtelijke uitspraak als bewijs in een navolgend geding tegen een derde kan worden aangewend. De bewijswaarde die eraan toekomt, is deze van een feitelijk vermoeden waarvan de appreciatie aan het oordeel en aan het beleid van de rechter wordt overgelaten. De procespartij (te dezen de fiscus) t.a.v. wie deze uitspraak wordt ingeroepen, kan zonder derdenverzet aan te tekenen de inhoud ervan tegenspreken en weerleggen. De bewijswaarde van een rechterlijke uitspraak geldt ten aanzien van derden dan ook niet als een wettelijk vermoeden, maar slechts als een feitelijk vermoeden waarbij de soevereine appreciatie bij de rechter berust.

Hierbij mag immers niet uit het oog verloren worden dat het voor de ondernemingsrechtbank gevoerde debat uitsluitend werd gevoed door gegevens die hem door de gedingvoerende partijen werden verstrekt en dat derden (de fiscus) hier geen vat op hadden.

Thans beslist het hof op basis van de gegevens die huidige gedingvoerende partijen (zowel de belastingplichtige als de Belgische Staat) aan het hof ter beoordeling voorleggen.

Een akkoord dat door een lasthebber van een belastingplichtige wordt gegeven kan worden betwist via het bewijs van het bestaan van een rechts- of feitelijke dwaling, of van machtsoverschrijding door de lasthebber.

Lastgeving is een consensueel contract dat in principe tot stand komt door de loutere wilsovereenstemming van de partijen. Een lastgeving kan dus zowel schriftelijk als mondeling worden verleend. De bodemrechter beschikt over een soevereine bevoegdheid om het bestaan en de draagwijdte van het mandaat te beoordelen (cass. 12 december 1974, Pas. ,1975, 1, 403).

De rechter kan soeverein oordelen of een uitdrukkelijk mandaat de bevoegdhéid verleent voor het stellen van bepaalde rechtshandelingen en meer bepaald of die volmacht de bevoegdheid verleent aan de lasthebber om in naam en voor rekening van de lastgever een akkoord te sluiten met de fiscale administratie met betrekking tot de belastbare grondslagen.

Verweerder in hoger · beroep dient het bewijs te leveren dat P.V. Peter gerechtigd was in naam en voor rekening van eiseres in hoger beroep akkoorden te sluiten met de belastingadministratie. Dit bewijs mag geleverd worden met alle middelen van recht, uitgezonderd de eed.

Er worden aan het hof twee volmachten voorgelegd:

1\. stuk 19 inzake directe belastingen van verweerder In hoger beroep betreft een ondertekende volmacht van 12/10/1995 waarbij Maria Vereist, (destijds) zaakvoerder van eiseres in hoger beroep uitdrukkelijk verklaarde volmacht te verlenen aan BVBA (thans BV) B.A., vertegenwoordigd door de heer P-E P.V., accountant-zaakvoerder teneinde in naam van en voor rekening van eiseres in hoger beroep alle fiscale belangen te behartigen bij de Administratie der Directe Belastingen/BTW

2\. stuk 7 inzake directe belastingen en de bijlage bij stuk 1.1.a inzake BTW van verweerder in hoger beroep betreft een niet-gedateerde ondertekende volmacht waarbij BVBA (thans BV) IVN. CMB, (vertegenwoordigd door haar zaakvoerder I.D.M., zaakvoerder van eiseres in hoger beroep> uitdrukkelijk verklaart volmacht te verlenen aan BVBA (thans BV) B.A., vertegenwoordigd door zaakvoerder P.V., Accountant-belastingconsulent, ten einde haar fiscale en BTW belangen bij de FOD Financiën naar best vermogen te behartigen.

Op 12/10/1995 werd door eiseres in hoger beroep, rechtsgeldig een volmacht verleend aan BVBA {thans BV) B.A., vertegenwoordigd door de heer P.V., middels haar toenmalige zaakvoerder. Het blijkt niet dat deze volmacht werd ingetrokken. De volmacht werd gegeven door mevrouw Vereist die op het ogenblik van het verlenen van de volmacht zaakvoeder was van eiseres in hoger beroep. Dat zij op het ogenblik van het ondertekenen van de akkoordverklaringen geen zaakvoerder meer is van eiseres in hoger beroep maakt de destijds geldig aan B.A. BVBA {thans BV} gegeven volmacht geenszins ongeldig noch vervalt hierdoor deze volmacht.

Verder stelt het hof vast dat de betreffende controle zowel inzake BTW als inzake inkomstenbelasting is doorgegaan op 18/08/2017 op het kantoor van de heer P.V., B.A. BVBA (thans BV), te... (zie stuk .8 inzak) directe belastingen van de belastingadministratie). Eiseres in hoger beroep werd hiervan bij schrijven van 25/07/2017 uitdrukkeljjk op de hoogte gebracht. Het is tijdens deze controle dat voormelde volmacht, vermeld onder nummer 2 werd voorgelegd aan de belastingadministratie. I.D.V., die deze volmacht ondertekende is vaste vertegenwoordiger van BVBA (thans BV) IVN. CMB, die zaakvoerder is van eiseres in hoger beroep sinds 21/12/20:12. Uit de bewoordingen van de volmacht blijkt duidelijk dat deze volmacht verleend werd door eiseres In hoger beroep aan BVBA (thans BV) B.A. (vertegenwoordigd door P.V.) om de fiscale en BTW belangen van eiseres in hoger beroep naar best vermogen te behartigen bij de FOD Financiën. Dit bevestigt nogmaals de volmacht van 12/10/1995.

De volmachten zijn opgesteld In algemene en duidelijke bewoordingen en bepalen uitdrukkelijk dat de volmachtdrager de fiscale belangen bij de directe belastingen en de BTW mag behartigen. Dit impliceert dat de volmachtdrager in naam en voor rekening van eiseres in hoger beroep de fiscale controles mag bijwonen en afwikkelen, mag onderhandelen met de fiscus en akkoorden mag afsluiten.

Eiseres in hoger beroep besliste, met kennis van zaken (gelet op de aankondiging van de controle bij schrijven d.d. 25/07/2017 en gericht aan eiseres in hoger beroep} om de fiscale controle te laten doorgaan ten kantore van haar gevolmachtigde, zonder dat zij daarbij aanwezig was.

Op 23/08/2017 werd een controle uitgevoerd ter plaatse in de bakkerij en hierbij was eiseres in hoger beroep wel aanwezig samen met de heer P.V.. Gelet op het gegeven dat de akkoorden en de correctieopgave dateren van kort na deze controle (enkel dagen later} is het onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig dat er tijdens deze controle geen overleg noch onderhandelingen zouden plaatsgevonden hebben tussen de administratie enerzijds en de belastingplichtige en haar gevolmachtigde anderzijds met het oog op het eventueel sluiten van een akkoord. Ook tijdens deze onderhandelingen bleek uit geen enkele gedraging of opmerking van eiseres in hoger beroep dat er sprake zou zijn van enige ontoereikendheid van het mandaat van de heer P.V. om akkoorden te sluiten met de belastingadministratie.

Uit de concrete gegevens van onderhavig dossier blijkt dan ook dat de heer P.V. van BVBA (thans BV) B.A. eiseres in hoger beroep vertegenwoordigde bij de met de fiscus gevoerde onderhandelingen van de correctieopgave en de akkoordverklaringen.

Niet betwist is ook het gegeven dat de heer P.V. steeds alle BTW-aangiften en aangiftes in de vennootschapsbelasting indiende voor eiseres in hogerberoep.

De concrete gegevens van onderhavig dossier, samen met de libellering en de bewoordingen van de door eiseres in hoger beroep gegeven volmachten laten er geen twijfel over bestaan dat het de werkelijke bedoeling was van eiseres in hoger beroep om een bijzonder mandaat te geven aan BVBA (thans BV) B.A., vertegenwoordigd door P.V., om in naam en voor rekening van eiseres in hoger beroep haar fiscale belangen te behartigen, waarbij de heer P.V. de fiscale controles mocht bijwonen, kon onderhandelden met de fiscus en akkoorden kon sluiten.

Het hof komt tot het besluit dat P.V. over een bijzonder mandaat beschikte om met de administratie akkoorden te sluiten over de belastbare grondslagen, zowel inzake de inkomstenbelasting als inzake de BTW. Het hof leidt dit af uit een geheel van omstandigheden eigen aan onderhavige zaak. De rechtspraak waarnaar verwezen wordt doch waarvan de feitelijke gegevens niet gelijkaardig zijn als in onderhavige zaak wijst het hof af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

Bijgevolg diende er dan ook geen bericht van wijziging gestuurd te worden voorafgaand aan het vestigen van de aanslagen in de vennootschapsbelasting aangezien deze conform de schriftelijke en voor eiseres in hoger beroep bindende akkoorden werden gevestigd.

Te dezen is het hof van oordeel dat gelet op de concrete gegevens van onderhavig dossier er geen sprake is van een machtsoverschrijding.

Eiseres in hoger beroep is gebonden door de akkoorden van haar volmachtdrager en door de ondertekening van de correctieopgave door haar volmachtdrager.

De loutere vermelding in de akkoordverklaringen inzake inkomstenbelasting: Nadien de akkoordverklaring uiterlijk 30/08/2017 niet correct ingevuld en ondertekend wordt, is de administratie op geen enkele wijze gebonden door het akkoord", heeft geen invloed op de geldigheid van en gebondenheid door de akkoorden in hoofde van eiseres in hoger beroep. De laattijdige ondertekening van de akkoordverklaringen maakt geenszins dat eiseres in hoger beroep niet gebonden zou zijn door de akkoordverklaringen, noch houdt dit in dat de administratie zich niet op deze akkoordverktaringen zou kunnen beroepen teneinde haar bewijslast in te vullen. Een. akkoord gesloten tussen de administratie en de belastingplichtige

· is geen dading en heeft als-enig gevolg dat de administratie vrijgesteld is van het leveren van het bewijs van de feitelijke elementen waarop de aanslag dient gevestigd te worden.

Het door eiseres in hoger beroep na het sluiten van de akkoorden gevoerde mailverkeer doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen door het hof met betrekking tot het bestaan en de omvang van het mandaat van de lasthebber op het ogenblik van het ondertekenen van de akkoorden en de correctieopgave. Ook het gegeven dat de volmachthouder eiseres in hoger beroep op voorhand (voor het ondertekenen van de akkoorden) niet op de hoogte zou gebracht hebben van de inhoud van de akkoorden mist te dezen relevantie. Eiseres In hoger beroep blijft immers gebonden door de akkoorden. Dit geldt des te meer nu de gevolmachtigde van eiseres in hoger beroep beschikt over de nodige beroepskennis, beroepsernst en beroepservaring om de belangen van eiseres in hoger beroep te benaarstigen bij het voeren van onderhandelingen en het afsluiten van akkoorden met de fiscus.

Het hof kan zich niet van de indruk ontdoen dat de volmacht van de heer P.V. die reeds sedert 1995 de gevolmachtigde is van eiseres in hoger beroep, wordt aangevochten omdat het uiteindelijke resultaat van de akkoordverklaringen eiseres in hoger beroep niet bevalt. Dat de afgesloten akkoorden niet stroken met de verwachtingen van de belastingplichtige belet de rechtsgeldigheid van de ondertekende akkoorden door de gevolmachtigde van eiseres in hoger beroep niet.

Bovendien is het hof van oordeel dat er minstens sprake Is van de schijn van een toereikende bevoegdheid die toe te rekenen is aan de lastgever, zijnde te dezen eiseres in hoger beroep, en de administratie mocht deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk aannemen. De administratie beschikte over de hoger aangehaalde volmachten gegeven door eiseres in hoger beroep aan de boekhouder in kwestie. Tijdens de-fiscale controle heeft de administratie de bevoegdheid gecontroleerd op basis van de aan haar voorgelegde en beschikbare volmachten waaruit bleek dat de heer P.V. reeds sedert 1995 de gevolmachtigde is van eiseres in hoger beroep en deze volmachten werden nooit ingetrokken door eiseres in hoger beroep. Alle contacten met de belastingadministratie verliepen via de gevolmachtigde boekhouder. Zelfs na het ondertekenen van de akkoorden verliep het e-mailverkeer via de boekhouder die in de communicatie met de belastingadministratle geen melding maakte van enige beperking van zijn volmacht of van enige overschrijding van zijn volmacht. Het enige dat er werd gevraagd door de boekhouder in dit mailverkeer verstuurd na de akkoordverklaringen en vóór de vestiging van de betwiste aanslagen en het uitvaardigen van het BTW-dwangbevel was een herziening op basis van nieuwe elementen die ten tijde van de controle niet gekend zouden geweest Zijn. Eiseres in hoger beroep heeft ook de controle op 18/08/2017 in afwezigheid behandeld en aldus de behartiging haar belangen volledig overgelaten aan de heer P.V., zelfs na het-afsluiten de akkoorden en het blijkt ook niet dat er tijdens de controle op 23/08/2017 In de bakkerij en de daar gevoerde onderhandelingen enige opmerking of voorbehoud' werd gemaakt terzake door eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep heeft vrijwillig, door haar gedrag, zelfs niet foutief, ertoe bijgedragen deze schijn te doen ontstaan en te laten voortbestaan. Er was geen enkele reden voor de belastingadministratie aanwezig om te twijfelen aan de toereikende bevoegdheid van de heer P.V.. De belastingadministratie mocht in de gegeven omstandigheden dan ook redelijkerwijze aannemen dat de heer P.V. bevoegd was om akkoorden af te sluiten met de fiscale belastingadministratie in naam en voor .rekening van eiseres in hoger beroep en deze schijn werd mede in de hand gewerkt door de houding aangenomen door eiseres in hoger beroep zelf tijdens de door de administratie gevoerde belastingcontrole en de met de belastingadministratie gevoerde onderhandelingen, hetgeen uiteindelijk resulteerde in de kwestieuze akkoorden, waardoor eiseres in hoger beroep derhalve gebonden is minstens op basis van het schijnmandaat.

Een akkoordverklaring van de belastingplichtige of van zijn mandataris met het door de administratie gewijzigde bedrag van de aangegeven inkomsten heeft dezelfde bewijskracht als de aangifte. Een akkoordverklaring heeft als enige uitwerking dat de administratie wordt vrijgesteld van het leveren van het bewijs van de feitelijke elementen waarop de aanslag dient gevestigd. De belastingplichtige behoudt dus steeds de mogelijkheid om op een aangifte of akkoord terug te komen Indien hij bij die aangifte of dat akkoord een vergissing (dwaling) in feite of in rechte of een wilsgebrek kan aantonen.

Te dezen is er geen sprake van een rechts- of feitelijke dwaling aangezien de lasthebber, een professional, eiseres in hoger beroep vertegenwoordigde bij de controles en zijn akkoord heeft gegeven met volledige kennis van zaken. Bij de akkoordverklaringen In de inkomstenbelastingen en de correctieopgave inzake BTW was er telkens voor elke jaar een bijlage gevoegd met een toelichting van de omzetvergelljking dranken en de berekening van· de meeromzet (zie stuk 6a en 6b van eiseres in hoger beroep en stuk 1.1.A inzake BTW van verweerder in hoger beroep}.

Voor de koffie (bonen en pads) en de thee werd uitgegaan van het aantal aangekochte kg/pads/zakjes en dit werd vermenigvuldigd met de verkoopprijs volgens de prijslijst (inclusief BTW) om vervolgens de omzet exclusief BTW te berekenen. Voor de wijn, frisdranken en bieren werd telkens de winstmarge bepaald op basis van een steekproef en vervolgens werd de rekening aankopen vermenigvuldigd met de winstmarge teneinde de omzet exclusief BTW te bekomen. Hierop werd nog een correctie-toegepast in het voordeel van eiseres. In hoger beroep voor verbruik dóor eigen personeel en afronding voor voorraad en goederen verkocht als geschenkverpakking.

Dit gaf een meeromzet voor kalenderjaar 2014 van 38.388,72 euro en voor kalenderjaar 2015 van 46.080,85 euro.

Enkel voor de koffie werd wat betreft de omzet uit de bonen teruggegrepen naar de forfaitaire regeling voor caféhouders die bepaalt dat uit een kg koffiebonen 142 koffies gemaakt kunnen worden.

Het hof stelt vast dat uit de bijlage afdoende blijkt dat de administratie zich desbetreffende baseerde op een feitelijk vermoeden waarbij ze - met grote voorzichtigheid - gebruik maakt van de referenties voor de consumptie van koffie zoals voorzien in het forfait voor caféhouders en waaruit a priori niet blijkt, welk het verschil de uitbating van eiseres in hoger beroep en die van een café kan bepalen. Er is geen sprake van willekeur.

Het hof is van oordeel dat dit vermoeden {art. 340 WIB92 en [art. 59 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)), dat erin bestaat dat eiseres in hoger beroep evenveel kopjes koffie met één kilo koffie serveert als een café-uitbater, dan ook zeker relevant is. Er is desbetreffende geen vergissing in feite of in rechte bewezen.

Bovendien en volledig ten overvloede merkt het hof op dat het de taxatieambtenaar sowieso niet verboden is zich te baseren op forfaitaire grondslagen van aanslag als feitelijk vermoeden in de zin van artikel 340 van het WIB 1992 en [art. 59 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59). In dit geval moet de administratie in principe niet voorafgaandelijk aantonen dat de boekhouding niet bewijskrachtig was.

Eiseres in hoger beroep verliest bij dit alles uit het oog dat de administratie gelet op de akkoordverklaringen vrijgesteld is van het leveren van het bewijs van de feitelijke elementen waarop belastingen werden gevestigd. Het is eiseres In hoger beroep die te dezen de bewijslast draagt en dient aan te tonen dat de akkoorden behept zijn met een vergissing in feite of in rechte. De aanvoeringen desbetreffende overstijgen de loutere bewering niet. Ze worden geenszins ondersteund door enig objectief gegeven. Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de belastingadministratie geen rekening zou gehouden hebben met alle door haar gekende gegevens.

Er wordt ook geen enkel onderliggend stuk en/of boekhoudkundig stuk voorgelegd. De belastingplichtige faalt te dezen dan ook in de op haar berustende bewijslast.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumentatie van partijen af als niet ter zake dienend en/ofoverbodig.

*2.2 Rechtsplegingsvergoeding*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Het hof stelt vast dat de zaken in eerste aanleg reeds werden samengevoegd en dat door de eerste rechter 2 rechtsplegingsvergoedingen werden toegekend van 780 euro plus 2.400 euro.

De bepaling van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, dat de erin vastgestelde basis-, mimimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld worden per aanleg, verhindert niet dat, wanneer twee of meer rechtsvorderingen wegens samenhang worden gevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingsvergoedingen kan toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken. Wanneer de rechter oordeelt dat de samengevoegde zaken geen afzonderlijke geschillen zijn, dan is slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. (Art. 1, lid 1 en 2 KB 26 oktober 2007) (vgl. Cass. (le k.} AR F.10.0142.N, 19 januari 2012 (H.F. / Belgische Staat), www.jura.be))

Het hof is van oordeel dat de samengevoegde zaken In eerste aanleg geen afzonderlijke geschillen uitmaken. De conclusies hebben betrekking op volledig dezelfde problematiek, tussen dezelfde partijen. Bijgevolg kan er één rechtsplegingsvergoeding worden toegekend per aanleg.

De betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde en kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslagen en het bestreden dwangbevel.

De vordering is in geld waardeerbaar en het hof bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag van 2.400 euro voor een in geld waardeerbare vordering van 20.000,01 euro-tot 40.00Q,OO euro.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 2.400 euro rechtsplegingsvergoeding In eerste aanleg en 2.400 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond in volgende mate.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen, behoudens wat betreft de kosten van het geding.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding.

Het hof vereffent de kosten van het geding in hoofde van verweerder in hoger beroep op

2.400 euro rechtsptegingsvergoedlng in eerste aanleg en 2.400 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds. voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 27 april 2021 door ....

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Tekst van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4

Vonnis van 6 november 2019

Rol: 18/3455/A en 18/3456/A

Inzake A.R. Nr. 18/3455/A

V. EBVBA met maatschappelijke zetel te ... , KBO: 0454.....53 eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ...,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Antwerpen, met kantoor te BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO: 0308.357.159 verwerende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ... te ....

en inzake A.R. Nr. 18/3456/A:

V. EBVBA met maatschappelijke zetel te ...., KBO: 0454.....53 eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ...,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Antwerpen, met kantoor te BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO: 0308.357.159 verwerende partii - vertegenwoordigd ter zittng door Mr. ...

Gezien de stukken in de dossiers der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventarissen ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 9 oktober 2019.

Het geschil behelst zowel BTW (A.R.18/3456/A ), als vennootschapsbelasting ( A.R.18/3455 /A ), in hoofde van eiseres.

Een BTW drankenomzet-controle over 2014 - 15 leidde tot een correctieopgave die werd ondertekend door ene P.V. handelend als "Gevolm. Accountant Belastingconsulent"(26/08/2017).

Aan de hand daarvan stelde de Ontvanger (Team Invordering) 23 mei 2018 een dwangschrift op dat werd betekend met dwangbevel (exploot) op 15 juni 2018.

Eiseres diende willig bezwaar in dat op 16 mei 2018 werd afgewezen. Zij trok naar de rechtbank op 5 juli 2018.

Dit leidde tot A.R.18/3456/A.

Inzake vennootschapsbelasting treft de rechtbank geldige aangiftes, voor zowel aanslagjaar 2015 als aanslagjaar 2016.

Op hogervermelde controle volgde een akkoordverklaring onderschreven door voormelde P.P.V. namens BVBA B.A. op 4 september 2017 en hierop volgden op 14 november 2017 supplementaire aanslagen.

Gezamenlijk bezwaarschrift leidde tot afwijzende administratieve beslissing van 16 mei 2018.

Eiseres trok ook hier naar de rechtbank, ook hier op 5 juli 2018.

Dit leidde tot A.R.18/3455/A.

Vanuit wat voorafgaat past het vooreerst de zaken samen te voegen, om reden van samenhang.

Ontvankelijkheid der rechtsvordering onder A.R.18/3456/A (inzake BTW) naast toelaatbaarheid der vordering onder A.R.18/3455/A (vennootschapsbelasting) staat niet in betwisting, zulks ook niet desnoods ambtshalve aam te voeren.

### Ten gronde

1\. Kort gesteld bestrijdt eiseres de BTW - navordering, naast de (supplementaire) aanslagen inzake de vennootschapsbelasting, om reden dat het akkoord inzake BTW en het akkoord inzake vennootschapsbelasting niet gedragen zouden zijn door een omvattende volmacht.

2\. De rechtbank treft een volmacht van 12 oktober 1995 dit door Maria Vereist als zaakvoerder van eiseres, aan BVBA B.A., dit "ten einde (in haar naam) alle fiscale belangen te behartigen bij de Administratie der Directe Belastingen/ BTW".

De rechtbank treft daarnaast een volmacht zonder datum door I.D.M. als (onder meer) zaakvoerder (van bvba INVN CMB en van BVBA V., aan de BVBA B.A., deze laatste vertegenwoordigd door vermelde P.V..

De ondertekening der akkoorden geschiedde op 26 augustus 2017 (BTW), resp. op 4 september 2017 (vennootschapsbelasting).

3\. Eiseres zoekt spijkers op laag water in de stelling dat de volmacht niet volstaat' om correctieopgaves inzake BTW te ondertekenen (haar syntheseconclusie sub randnummer 35).

Eiseres stelt hetzélfde omtrent de directe belastingen (zelfde randnummer 35).

De volmacht fungeerde onverminderd na 1995 , dit zonder ook maar de minste wrijving.

Beide volmachten, zowel die van 1995 als de niet gedateerde, geven volmacht de fiscale belangen bij de belastingdienst te behartigen.

De volmacht van 1995 formuleert "alle fiscale belangen bij de Administratie der Directe Belastingen/ BTW" en de ongedateerde volmacht formuleert het als " haar fiscale en BTW belangen bij de FOD Financiën".

Zulke algemeen geformuleerde volmacht, in uitdrukkelijk fiscale zaken, kan niet worden gelezen als houdende enige inperking.

"Alle", respectievelijk "haar" fiscale belangen, is dermate algemeen gesteld dat onderschrijving van akkoorden noodzakelijkerwijs daaronder valt.

De vol macht heeft bij eiseres steeds gewerkt.

Het anders stellen zou de toepassing van alle volmachten in die zin in de sector overigens volkomen op de helling zetten.

De onderschrijving van de respectieve akkoorden geschiedde na overleg tussen P.P.V. en de onderscheiden belastingdiensten BTW, respectievelijk Directe Belastingen.

Er bestaat van daaruit geen twijfel dat het akkoord eiseres bindt als mandante. De akkoorden zijn geldig.

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

recht doende op tegenspraak,

voegt de zaken onder A.R.18/3456/A en A.R.18/3455/A samen en beoordeelt ze in één en hetzelfde vonnis.

Verklaart de vordering onder A.R.18/3456/A ontvankelijk, maar ongegrond. Verklaart de vordering onder A.R.18/3455/A toelaatbaar, maar ongegrond. Veroordeelt eiseres tot de opgetelde kosten in beide gevoegde zaken samen.

Vereffent de kosten in hoofde van verweerder in beide zaken samen op 780,00 (zevenhonderdtachtig) EUR plus 2.400,00 (tweeduizend vierhonderd) EUR.

Bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiseres inzake AR 18/3455/A en AR 18/3456/A, is definitief verworven voor het Fonds.

Dit vonnis werd uitgesproken op zes november tweeduizend negentien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit: ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 2 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijswaarde proces-verbaal, verlaagd tarief voor werken in onroerende staat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijswaarde-proces-verbaal-verlaagd-tarief-hof-van-beroep-antwerpen-2014-11-18-4904) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-voorwaarden-gebruik-doeleinden-hof-van-beroep-luik-2022-04-19-91a6) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd Kassasysteem, Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-wedersamenstelling-omzetcijfer-rechtbank-2020-05-13-cfbf) 2 gemeenschappelijke bepalingen
