Tekst van de beslissing
ARREST G 00/15
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 23.05.2000
Uitvoerend beslag
Een B.T.W.-belastingplichtige is schuldenaar van bepaalde sommen aan de Belgische Staat. Hiervoor werd een dwangbevel uitgevaardigd. Bij gebreke aan vrijwillige betaling werd uitvoerend beslag gelegd. De B.T.W.-belastingplichtige vocht het beslag aan omdat de gerechtsdeurwaarder beslag heeft gelegd zonder na te gaan of de goederen, opgenomen in zijn exploot ook fysiek aanwezig waren en zich ertoe beperkt heeft een vorige inventaris over te schrijven. Daarnaast wordt de nietigheid van het exploot gevorderd aangezien dit geen voldoende nauwkeurige beschrijving van de beslagene goederen bevat. Aangezien de beweringen van de B.T.W.-belastingplichtige ongeloofwaardig zijn en er verder ook geen bewijs hiervan wordt geleverd, wijst het Hof de vordering af als ongegrond.
14de Kamer
Raadsheer, wn. kamervoorzitter: Mevr. M.-J. De Cooman
Adjunct-griffier: Dhr. L. Langelet
Partij: Dekervel Nicole t. De Belgische Staat
Rolnr.: 2000/AR/891
Nicole Dekervel heeft - tijdig en geldig naar de vorm - hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, op 29.03.2000 verleend door de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg van Veurne.
Bij het bestreden vonnis werd het verzet van Nicole Dekervel tegen de gedwongen uitvoering benaarstigd door het ambt van gerechtsdeurwaarder Baplue René, met standplaats te Veurne, op verzoek van de Belgische Staat en resulterend in het uitvoerend roerend beslag van 21.12.1999, afgewezen als ongegrond, met verwijzing van de appellante in de gedingskosten.
Met haar hoger beroep wil de appellante vooralsnog haar verzet gegrond doen verklaren.
De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies;
de stukken werden ingezien.
1
De gegevens van belang voor de beoordeling van deze zaak
Nicole Dekervel is debitrice van de Belgische Staat; zij ontkent voor het Hof niet een BTW-schuld te hebben, waarvoor ten hare laste een dwangbevel werd uitgevaardigd op 24.11.1999, haar mede betekend met het bevel tot betaling van 13.12.1999, door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder Luc Verstraeten, loco R. Baplue.
Bij gebreke aan vrijwillige betaling heeft zelfde gerechtsdeurwaarder op 21.12.1999, ten verzoeke van de Belgische Staat, uitvoerend roerend beslag gelegd voor de verschuldigde bedragen (btw, boeten, intrest), vermeerderd met de uitvoeringskosten.
Daarop heeft de appellante - met dagvaarding van 20.01.2000 - verzet ingesteld bij de beslagrechter te Veurne; na afwijzing van haar verzet, bij vonnis van 29.03.2000, werd hoger beroep ingesteld.
2
Beoordeling
De appellante houdt voor dat de instrumenterende gerechtsdeurwaarder -niet René Baplue zoals ze voorhoudt, doch plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder Luc Verstraeten
* beslag heeft gelegd zonder na te gaan of de goederen, opgenomen in zijn exploot ook fysiek aanwezig waren,
* er zich toe beperkend de inventaris van december 1998 over te schrijven.
De appellante houdt tevens voor dat het exploot nietig is, bij gebreke aan voldoende nauwkeurige beschrijving van de beslagen goederen.
2.1.
Art. 1389 Ger.W. is voorgeschreven op straffe van nietigheid; krachtens lid 4 dient het beslagexploot "een korte beschrijving van de inbeslaggenomen goederen" te geven.
Art. 1506 Ger.W. niet gesanctioneerd door nietigheid, vereist "een nauwkeurige en omstandige beschrijving" van de beslagen goederen, "onder meer en naar gelang van het geval, door er de voornaamste kenmerken, het gewicht, de maat of de inhoud van aan te geven".
Afgezien dat de beschrijving in het exploot van beslag dd. 21.12.1999 afdoende is, gelet op de aard der beslagen goederen, komt het Hof voor dat deze laatste bepaling beoogt de rechten van de beslaglegger en van derden te vrijwaren;
volledigheidshalve dient opgemerkt dat de beslaglegger moet gewapend zijn tegen onderschuiving door de beslagene, terwijl een derde revindicant de beslagen goederen moet kunnen identificeren als zijn eigendom.
Een niet naleving van de vereisten gesteld in art. 1506 Ger.W. impliceert derhalve in de eerste plaats een schending van het recht op verdediging in hoofde van de beslaglegger en derde-(beweerde)eigenaars van de beslagen goederen.
2.2.
Inbeslagname vereist dat de gerechtsdeurwaarder die door zijn optreden de beslagen goederen onbeschikbaar maakt, "ze onder de hand van de Wet" stelt, zorgvuldig optreedt.
Hij acteert stuk voor stuk de goederen waarop hij beslag legt; deze goederen moeten noodzakelijk daartoe fysiek aanwezig zijn. Het volstaat niet dat de gerechtsdeurwaarder kennis heeft van het eigendomsrecht over één of ander goed of een derde daarvan getuigt.
Hij zal tactvol en verantwoord handelen en zorg dragen dat zijn optreden het verwachte effect kan sorteren (de executie tot een goed einde komt), met respect voor de rechten van de partijen en derden (andere schuldeisers / derde-eigenaars van beslagen goederen) en met inachtname van wet en recht.
Wanneer, zoals beweerd, de instrumenterende gerechtsdeurwaarder zou zijn tewerk gegaan, zoals gesteld en - in een kleinhandelszaak - zich zou hebben beperkt tot overschrijven van de inventaris van goederen... daterend van één jaar voorafgaand het beslag, zonder de fysieke aanwezigheid der goederen te controleren zou hij zwaar tekort zijn gekomen aan zijn opdracht als publiek ambtenaar, wettelijk gelast en door de Koning daartoe aangesteld.
Dit bewijs is echter niet geleverd:
de feiten zoals voorgesteld door de appellante zijn ongeloofwaardig;
er moet aangenomen worden dat de appellante continu een inventaris bijhoudt en de gerechtsdeurwaarder zich daarop gesteund heeft om de goederen nader te omschrijven en ze aan de hand van de kostprijs nader te specificeren;
deze deductie volgt uit het feit dat de appellante niet alleen naliet klacht te formuleren desbetreffend, het incident evenmin aanhangig maakte bij de beslagrechter (art. 1396 Ger.W.), doch zelfs verwaarloosde de in gebreke zijnde gerechtsdeurwaarder in het geding ingesteld - bij uitsluiting - tegen de Belgische Staat te betrekken;
meer, het verzet werd aangezegd aan René Baplue, daar waar Luc Verstraeten op 21.12.1999 instrumenteerde!
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak,
met in acht name van het art. 24 van de wet van 15.06.1935,
alle meer omvattende, anders luidende en tegenstrijdige conclusies afwijzende als ongegrond, niet ter zake en/of overbodig,
verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch wijst het af als ongegrond;
bevestigt de bestreden beslissing;
verwijst de appellante in de kosten van deze instantie, begroot op 8600,- f rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de Belgische Staat.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.