---
title: "Toevallige belastingplichtige, Geldboete · Hof van beroep te Brussel, 8 september 2021"
description: "Het Brusselse hof van beroep verklaart het hoger beroep tegen de Belgische Staat ongegrond en bevestigt het eerdere vonnis."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplichtige-geldboete-intresten-aangifte-hof-van-beroep-brussel-2021-09-08-56c5"
lang: "nl"
---

# Toevallige belastingplichtige, Geldboete, Intresten, Aangifte, fiscale boete, Btw-aangifte

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

8 september 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

295 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 08.09.2021

WF 712-15-14/057433

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Toevallige belastingplichtige – Geldboete – Intresten - Aangifte*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8), [70, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [91, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) WBTW;

Art. 2, lid 1 en [art. 4 van KB nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemding van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van [artikel 9, tweede lid, 2° van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9);

Tabel G, afdeling 1, V van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting van de toegevoegde waarde

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtigen waren de volle eigenaars van een onroerend goed. Ze droegen de handelsruimte van het gebouw via een quasi-inbreng over aan een vennootschap. Middels een voorafgaande verklaring 104/1 opteerden zij voor het statuut van toevallige belastingplichtige. Bijgevolg diende de quasi-inbreng aan btw te worden onderworpen. Dit werd ook zo in de notariële akte opgenomen.

Tegenpartij liet echter na om vervolgens zowel de aangifte 104/5, conform [art. 2, lid 1 van KB nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e), in te dienen als ook de verschuldigde btw te voldoen.

Tijdens een controle in het jaar 2010 werd bij de aankopende vennootschap vastgesteld dat de btw over de quasi-inbreng in aftrek werd genomen in het derde kwartaal van dat jaar. Als gevolg werd er nogmaals aan tegenpartij gevraagd om de aangifte 104/5 correct in te dienen. Tegenpartij was echter van mening dat alle nodige formaliteiten reeds vervuld waren.

In 2013 werd er nogmaals een controle uitgevoerd naar de situatie van tegenpartij als “toevallige belastingplichtige”. Hierbij werd vastgesteld dat de aangifte 104/5 nog steeds niet was ingediend en de verschuldigde btw nog steeds niet was ingediend.

De aangifte 104/5 bevat onder meer een lijst van de aankoopfacturen van de oprichting van het gebouw. Bij gebrek hieraan werden deze aankoopfacturen door de controleur zelf verzameld.

Tijdens de controle ontstond discussie met de belastingplichtigen over het bedrag aan aftrekbare btw waarmee de verschuldigde btw zou worden gecompenseerd. Aangezien er hierover geen akkoord kon worden bereikt werd er een proces-verbaal opgesteld door de administratie.

Tegenpartij diende een administratief verzoekschrift in aangezien zij het niet eens waren met bepaalde onderdelen uit het proces-verbaal. Bijkomend verzochten zij eveneens om kwijtschelding van boete en intresten. Dit verzoekschrift werd integraal afgewezen door de administratie.

Middels een verzoekschrift stelden de belastingplichtigen hiertegen een vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

In haar vonnis verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven alle vorderingen van tegenpartij ontvankelijk maar ongegrond. Tegen dit vonnis ging tegenpartij vervolgens in hoger beroep.

## 2) Arrest van het hof van beroep

*\** *Indiening aangifte 104/5*

Tegenpartij beweert een aangifte 104/5 te hebben ingediend, conform [artikel 2, lid 1 van KB nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e). Het hof stelt vast dat er hiervoor geen bewijs wordt geleverd en bevestigt hiermee de inbreuk op de verplichting tot het indienen van deze aangifte.

*\** *Aftrekbare btw*

Voor de berekening van het aftrekbare percentage baseert de administratie zich op de verhouding tussen oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat via een quasi-inbreng werd overgedragen en de totale oppervlakte van het gebouw. Verder is de administratie, in tegenstelling tot de belastingplichtigen, van mening dat de btw over de keuken die in het privé-gedeelte van het gebouw werd geplaatst niet tot de aftrekbare btw behoort.

Tegenpartij is daarnaast van mening dat de berekening van het percentage aan aftrekbare btw dient te gebeuren op basis van de verslagen van de landmeter en bedrijfsrevisor over de waarde van het verkochte gedeelte ten opzichte van de totale waarde van het gebouw inclusief grond.

Op basis van [artikel 4 van KB nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) komt enkel de btw met betrekking tot het overgedragen gedeelte in aanmerking voor het recht op aftrek. Bijgevolg is de btw over de keuken in het privé-gedeelte dan ook niet aftrekbaar. Het hof bevestigt verder dat de berekening van de administratie een objectieve maatstaf is.

Daarnaast stelt het hof vast dat de verslagen waarop tegenpartij zich baseert niet het nodige bewijs leveren om een hoger percentage in aanmerking te nemen voor de aftrekbare btw met betrekking tot de oprichting van het totale gebouw. Beide verslagen zijn namelijk niet opgesteld om het aftrekbaar gedeelte van de btw over de oprichting van het gebouw te bewijzen. Tenslotte tonen de belastingplichtigen ook niet aan dat het door de administratie gehanteerde aftrekpercentage willekeurig of onregelmatig is vastgesteld.

*\** *Intresten*

Tegenpartij voert aan dat er slechts intresten verschuldigd zijn over het verschil tussen de verschuldigde btw en de aftrekbare btw vanaf het ogenblik van de vereiste aangifte door indiening van de aangifte 104/5.

Het hof is van mening dat de administratie zich nog inschikkelijk heeft opgesteld aangezien zij zelf de nodige informatie verzamelde omtrent het recht op aftrek van tegenpartij en deze aftrek ook aanvaardde. Dit ondanks het feit dat de bewuste aangifte nog steeds niet werd ingediend. Verder bevestigt het hof dat er terecht vanaf 19 september 2010 intresten worden gevorderd over het niet betaalde deel van de verschuldigde btw, conform [art. 91, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), aangezien de notariële akte werd verleden op 18 augustus 2010.

*\** *Boete*

Het hof stelt vast dat de boete voor de niet aangifte van de verschuldigde btw rechtsgeldig werd opgelegd en correct werd verminderd op basis van KB nr. 41. Voor het overige is het hof van mening dat de geldboete evenredig is met de aard en de ernst van de begane overtreding en dat er geen argumenten zijn om deze boete verder te beperken of kwijt te schelden.

Het hoger beroep van de belastingplichtigen werd dan ook ontvankelijk en ongegrond verklaard.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 08.09.2021**

Rol: 2016/AF/290

1\. **St.Vx.,** RRN 78....., wonende te ....,

2\. **Sa.Vn.,** RRN 74....., wonende te ....,

appellanten, vertegenwoordigd door Mr. ..., advocaat te ...,

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in deze vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal, Centrumdirecteur, KMO-centrum Leuven met kantooradres te 3001 Leuven, Philipssite 3 A bus 1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...,

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit. Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid

\- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 10 juni 2016 op tegenspraak uitgesproken, waarvan geen betekeningsakte voorligt;

\- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd door appellanten ter griffie van het hof op 3 oktober 2016;

\- de conclusies van appellanten, neergelegd ter griffie op 20 juni 2017 en 20 december 2017 en deze van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 17 februari 2017, 18 september 2017 en 13 maart 2018;

\- de stukken van appellanten neergelegd ter griffie van het hof op 20 december 2017 en van geïntimeerde neergelegd ter griffie van het hof op 17 februari 2017.

## Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak zoals bedoeld in artikel 1385decies en 1385undecies Ger.W., neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 20 november 2014, vorderden appellanten hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden dwangbevel inzake BTW met nr. 500/..../...69 te vernietigen en de beslissing van de directie BTW van 20 februari 2014 te hervormen.

Zij vorderden geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Bij vonnis van 10 juni 2016 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de vordering van appellanten ontvankelijk doch ongegrond. Appellanten werden veroordeeld tot de kosten van het geding, niet begroot omdat geïntimeerde werd vertegenwoordigd door één van zijn ambtenaren.

Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.

## Procedure voor het hof

Voor het hof vorderen appellanten het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te hervormen. Zij hernemen hun vordering zoals gesteld in eerste aanleg. Zij vorderen de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De Belgische Staat vordert het bestreden vonnis te bevestigen en appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Relevante feitelijke gegevens

Tweede appellante was zaakvoerder van de BVBA DSG, een frituur, met maatschappelijke zetel te ..., als BTW-plichtige geregistreerd onder het nummer BE 822.....

Appellanten waren de volle eigenaars van een onroerend goed gelegen op dat adres. Zij wilden de handelsruimte van dit gebouw na een quasi-inbreng aan de voormelde vennootschap overdragen.

Overeenkomstig artikel 1 KB BTW nr. 14 van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, de vestiging van een zakelijk recht op een gebouw en de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 of artikel 44 § 3, 1 a, tweede streepje of b, tweede streepje van het WBTW(hierna KB BTW nr. 14) dienden zij, alvorens de overeenkomst inzake de verkoop van de gelijkvloerse verdieping van de opgerichte nieuwbouw aan de BVBA DSG werd gesloten, op 3 augustus 2010 bij het BTW-controlekantoor te Leuven een (zogenaamde) voorafgaandelijke verklaring 104/1 in waardoor zij te kennen gaven dit gedeelte van het onroerend goed als toevallige BTW-plichtigen in de zin van [artikel 8 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) over te willen dragen met voldoening van de BTW. Door het indienen van de aangifte 104/1 opteerden appellanten er dus voor om de verkoop na quasi-inbreng te onderwerpen aan de BTW.

Bij notariële akte van 18 augustus 2010 werd de handelsruimte op het gelijkvloers(ingevolge de quasi-inbreng) door appellanten aan die vennootschap verkocht.

De handelsruimte werd in de authentieke akte als volgt omschreven

> "1) in private en uitsluitende eigendom
>
> Op het gelijkvloers : eetplaats, keuken & kassa, berging, wc en terras;
>
> 2) in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid:
>
> Dertig/honderdsten {30/l00}van en in de gemeenschappelijke delen van de eigendom waaronder de grond".

De prijs van de grond werd bepaald op € 58.000,00 en de prijs voor de constructies op € 157.000,00. De verkoopprijs bedroeg aldus (in totaal)€ 215.000,00, verhoogd met de BTW op de waarde van de constructies(€ 32.970,00), en dus gebracht op€ 247.970,00.

De waarde van die quasi-inbreng was vooraf in een revisoraal controle-verslag gecontroleerd en werd bepaald op€ 225.000,00 (verslag bedrijfsrevisor Mr. M. ... van 25 juni 2010).

Ook in de notariële akte werd verwezen naar het feit dat appellanten de verkoop wensten de onderwerpen aan het fiscaal stelsel van de BTW. Appellanten verklaarden toevallige BTW-plichtigen te zijn en de aangifte voor de heffing van de BTW(dit is de aangifte 104/5) te zullen indienen op het BTW-controlekantoor te Leuven binnen de maand na de datum van de akte.

Op 8 december 2010 voerde de BTW-administratie een BTW-controle uit bij BVBA DSG en dit nadat in de BTW-aangifte van die vennootschap voor het derde kwartaal van 2010 het volgende werd vastgesteld. In de door die vennootschap ingediende BTW­ aangifte voor het derde kwartaal van 2010 werd in het rooster 83 (bedrag van de aankopen van bedrijfsmiddelen) een bedrag van€ 157.000,00 opgenomen en in het rooster 59 (bedrag van de aftrekbare belasting conform [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)) een bedrag van € 32.900,00 aan aftrekbare BTW.

Volgens de BTW-controle kon geen inkomende verkoopfactuur met betrekking tot de voormelde registraties worden voorgelegd. Er werd wel een "afrekening BVBA DSG" opgesteld door notarissen B. ... en M.C. ... voorgelegd nopens de al genoemde verkoop van een deel van het onroerend goed aan de BVBA.

Hierop werden appellanten en hun boekhoudkantoor er volgens de BTW-administratie om verzocht alsnog de aangifte 104/5 in drievoud in te dienen (artikel 2, lid 1 KB BTW nr. 14) op het bevoegde controlekantoor te Leuven.

Appellanten meenden daarentegen dat de nodige formaliteiten wel degelijk vervuld waren. Volgens de versie van appellanten zou de BTW-controleur na die controle dientengevolge alsnog nakijken of de aangifte 104/5 niet was ingediend bij een andere dienst.

Volgens de Belgische Staat zijn dan drie blanco formulieren 104/5 verzonden naar appellanten en hun boekhoudkantoor en werd naar verluidt nog regelmatig contact opgenomen met het verzoek de aangifte 104/5 in te dienen. Dat is niet gebeurd.

Doch volgens de versie van appellanten (van de feiten) zouden zij niets meer van de BTW­ administratie hebben vernomen.

Op 28 maart 2013 werd dan op het boekhoudkantoor van eerste appellante een BTW­ controle uitgevoerd, dit zowel met betrekking tot de situatie van appellanten als "toevallige oprichter" als met betrekking tot de BTW-situatie van de voormelde BVBA.

Daarbij werd vastgesteld

\- dat de aangifte 104/5 nog steeds niet was ingediend en

\- dat de verschuldigde BTW van€ 32.970,00 (zijnde 21 % op de prijs voor de verkoop van de zogenaamde handelsruimte, van € 157.000,00}, in beginsel verschuldigd per 18 september 2010, niet was voldaan.

De gegevens voor het opstellen van een zogenaamde aangifte 104/5, zijnde een lijst van aankoopfacturen ivm de oprichting van het gebouw, werden dan door de BTW-controleur zelf verzameld.

Naar aanleiding van de BTW-controle werden overigens eveneens de aankoopfacturen in verband met de oprichting van het gebouw voorgelegd.

Op basis hiervan werd door de BTW-administratie het door appellanten voorop gestelde bedrag aan aftrekbare BTW op de oprichting van het gebouw (deel dat betrekking heeft op de verkochte handelsruimte volgens appellanten) van€ 28.582,36, te compenseren met het door hen verschuldigde BTW-bedrag ingevolge de verkoop ten belope van € 32.970,00, herleid tot een te compenseren bedrag van€ 20.637,01 (aftrekbaar bedrag aan BTW voor de eerdere oprichting van het verkochte handelsgedeelte van het gebouw volgens de BTW­ administratie).

Van al de voormelde vaststellingen werd een proces-verbaal inzake BTW opgesteld op 5 december 2013 (stuk 7 van geïntimeerde), op dezelfde datum per aangetekende brief aan appellanten ter kennis gebracht.

Op 17 januari 2014 werd door de BTW-Ontvanger van de BTW-Leuven, adviseur a.i. ..., een BTW-dwangbevel nr. 500/..../...69, voor een totaal te betalen bedrag van € 28.089,95 (daarvan € 12.332,99 aan BTW in hoofdsom, € 6.594,00 aan proportionele geldboeten en€ 9.162,96 aan intresten) uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 21 januari 2014 door de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de BTW te Mechelen, adviseur a.i., e.a. inspecteur, ..., geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Volgens het dwangbevel zijn deze bedragen te vermeerderen met de nalatigheidsintresten op grond van [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen.

Per emailbericht van 27 januari 2014 maakte de raadsman van appellante opmerkingen. Men verklaarde zich over bepaalde onderdelen in het proces-verbaal inzake BTW niet akkoord en verzocht om kwijtschelding van de boeten en intresten.

Het dwangbevel met bevel tot betaling werd per gerechtsdeurwaardersexploot van 4 februari 2014 aan appellanten betekend.

Bij administratieve beslissing van 20 augustus 2014 werden de bezwaren van appellanten geuit in de voormelde email door de adviseur-gewestelijk directeur a.i. van de BTW-directie te Mechelen, ..., afgewezen. De inhoud van het proces-verbaal inzake BTW van 5 december 2013 werd op zich integraal staande gehouden.

Het oorspronkelijk verzoekschrift in fiscale zaken neergelegd voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven is gericht tegen dit dwangbevel en deze administratieve beslissing.

Het bestreden vonnis motiveerde de genomen beslissing op de redengeving dat appellanten niet bewezen dat zij een aangifte 104/5 inzake BTW zouden hebben ingediend zodat zij tekort kwamen aan deze BTW-aangifteverplichting.

Het stelde tevens dat de BTW-administratie niet op onterechte en/of willekeurige wijze de in aftrek te brengen voorbelasting inzake de oprichting van het bewuste gebouw had beperkt en dat zulks gebeurd was door de BTW-administratie, daarbij zich steunend op objectieve gegevens. Tevens stelde het bestreden vonnis dat de intrestberekening inzake BTW correct was doorgevoerd door de Belgische Staat en dat de opgelegde geldboeten inzake BTW evenredig waren aan de vastgestelde inbreuk (die al terug is gebracht op grond van een tarief van 20 %).

Bij administratieve beslissing van 19 december 2014 van de heer adviseur-generaal ..., verbonden aan de algemene administratie van de inning en invordering werd over de door appellanten eerder gevraagde vrijstelling van de nalatigheidsintresten vastgesteld dat het ging om nog geen vaststaande en definitief verschuldigde intresten zoals bedoeld in artikel 884bis WBTW, zodat over het verzoek nog geen standpunt werd ingenomen.

## In rechte

## *Standpunt van appellanten*

Appellanten voeren de volgende middelen aan ter ondersteuning van hun vordering :

\- de aangifte bedoeld in artikel 2, lid 1 KB BTW nr. 14 is door appellanten ingevuld en per gewone post verzonden naar het bevoegde BTW-controlekantoor; zij hebben de berekening zelf gemaakt in een Excel-rekenblad en geen beroep gedaan op hun boekhouder daarvoor; het document is niet bewaard omdat appellanten nooit dachten dat één en ander tot een procedure zou leiden;

\- blijkbaar is die aangifte door de BTW-administratie nooit verwerkt; zij stellen terzake verder geen vorderingen daar de dienstdoende ambtenaar uiteindelijk zelf een dergelijke aangifte aan het dossier heeft toegevoegd;

\- in totaal moet een bedrag van € 69.713,07 aan aftrekbare BTW in aanmerking genomen worden;

\- ook de BTW op twee facturen voor een keuken van het merk DSM behoren tot die aftrekbare BTW (en zijn in dat totaalbedrag hier net voor genoemd begrepen): de BTW-administratie hanteert een willekeurige redenering betreffende de omvang van de aftrekbare BTW door geen rekening te houden met de waarde van het overgedragen gedeelte dat niet louter op een waardebepaling uitgaande van de oppervlakte van dat gedeelte gebaseerd mag zijn);

\- de aftrekbare BTW is willekeurig bepaald en houdt geen rekening met de waarde van de grond, tuin en de omvang van de gemeenschappelijke delen;

\- een waardering door een bedrijfsrevisor toont het willekeurig karakter van het bepalen van de omvang van de aftrekbare BTW door de administratie aan;

\- de te aanvaarden maatstaf van heffing voor die aftrek is niet€ 157.000,00 maar wel€ 225.000,00 zoals bepaald door die bedrijfsrevisor;

\- bij de proportionele berekening van de aftrekbare BTW moet rekening gehouden worden met alle elementen, ook met de waarde van de overgedragen gedeelten;

\- de intresten verschuldigd krachtens artikel 4, lid 2 KB BTW nr. 14 zijn ten onrechte berekend door geen rekening te houden met een compensatie tussen de verschuldigde BTW en de in aftrek gebrachte voorbelasting; de redenering dat voor de ganse periode tussen 19 september 2010 tot en met 28 maart 2013 intresten verschuldigd zouden zijn op de BTW, zonder rekening te houden met de aftrek van voorbelasting, is strijdig met de wettelijke bepalingen; het recht op aftrek ontstaat immers op het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt; vanaf dat ogenblik waren appellanten ertoe gehouden een aangifte in te dienen;

\- appellanten verzoeken om kwijtschelding van de opgelegde boeten wegens een foutieve berekening van de omvang van de verschuldigde BTW en omdat zij deze wel correct berekend hebben.

## *Standpunt van geïntimeerde. de Belgische Staat*

De Belgische Staat voert de volgende middelen aan ter ondersteuning van zijn standpunt :

\- er is geen enkel bewijs dat de aangifte 104/5 is ingediend; het ogenblik van het uitoefenen van het recht op aftrek moet dan gesitueerd worden op het ogenblik waarop de desbetreffende facturen aan de BTW-administratie zijn voorgelegd; dit is gebeurd bij de controle;

\- enkel de BTW die betrekking heeft op de oprichting van het gedeelte van het onroerend goed waarvoor geopteerd is om de verkoop aan BTW te onderwerpen, komt voor een aftrek van BTW in aanmerking;

\- dat deel is door de administratie niet willekeurig en dus correct berekend;

\- de aanwending, privé of professioneel, van het gebouw zelf kan daarbij niet maatgevend zijn ter bepaling van de omvang van de aftrekbare BTW;

\- twee facturen voor plaatsing van een keuken in het privédeel van het onroerend goed kunnen geenszins voor BTW-aftrek in aanmerking komen;

\- de toepassing van een algemeen pro rata ter bepaling van de omvang van het aftrekbare deel zonder dat enig rechtstreeks verband voorhanden is tussen de inkomende handelingen en de uitgaande verkoopstransactie zou een schending van het neutraliteitsbeginsel inzake BTW inhouden;

\- het aftrekbare deel der BTW is berekend rekening houdend met de gegevens in de notariële akte betreffende de verkoop (van 18 augustus 2010) en met de gegevens van een schattingsverslag van 20 juni 2010; de oppervlakte van 141,72 m2 van het "beroepsmatig" deel van het verkocht onroerend goed, op een totale oppervlakte 450,88 m2, betreft 31,43 % van het totaal;

\- enkel voor de handelingen betreffende de oprichting van het onroerend goed bestaat een gedeeltelijk recht op aftrek, niet voor die betreffende de keuken hoger bedoeld; de verdeelsleutel ter bepaling van dat deel is objectief berekend;

\- de oppervlakte is een vaststaand element en bevat geen subjectieve elementen;

\- de zogenaamde "verkoopwaarde" is in veel grotere mate subjectief (als gegeven ter bepaling van die verdeelsleutel) en dus geen goede graadmeter;

\- de intresten zijn op grond van [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) van rechtswege verschuldigd; zij moeten over de verschuldigde BTW berekend worden voor de periode van 19 september 2010 tot en met 28 maart 2013 op grond van de voornoemde bepaling;

\- pas op 28 maart 2013 werd een recht op aftrek uitgeoefend door voorlegging van facturen met in beginsel aftrekbare BTW in de BTW-controle van die dag; de bewuste aangifte hoger omschreven is immers nooit ingediend (op een bewezen wijze);

\- de opgelegde geldboete, overigens al verminderd, is correct en terecht opgelegd.

## Beoordeling

Aangaande de vraag of het bewijs geleverd is dat appellanten naar aanleiding van de oprichting de zogenaamde aangifte 104/5 indienden

Appellanten opteerden ervoor als toevallige BTW-plîchtigen een deel van het door hen opgerichte gebouw over te dragen met toepassing van de BTW en dienden een voorafgaande verklaring 104/1 in.

Zij droegen een deel van het opgerichte gebouw over aan de BVBA DSG bij wege van quasi-inbreng, waarvan de notariële akte van 18 augustus 2010 blijk geeft.

Zij stellen daarna, na die overdracht, de aangifte inzake BTW, genummerd 104/5, naar aanleiding van die overdracht, ter bepaling van de daarop verschuldigde BTW, te hebben ingediend. Zij stellen dat gedaan te hebben op basis van berekeningen op een zogenaamd "excel"-blad en de aangifte te hebben opgestuurd, maar geen kopie te hebben bewaard, in uitvoering van de verplichting een dergelijke aangifte in te dienen, zoals voorgeschreven door artikel 2, lid 1 KB BTW nr. 14.

Op basis van de aldus verstrekte elementen kan niet worden aangenomen dat het bewijs van het indienen van die aangifte 104/5 geleverd is, zoals terecht aangenomen door het bestreden vonnis. Er ligt geen enkel verifieerbaar gegeven voor, laat staan een bewijs of een begin van bewijs, dat de bewuste aangifte door appellanten is opgemaakt of ingediend.

Aldus is het gegeven dat een inbreuk bestaat op de verplichting een dergelijke aangifte in te dienen, wel degelijk bewezen, zoals op zich terecht voorgehouden door de Belgische Staat en zoals aangenomen door het bestreden vonnis.

## Omvang van de aftrekbare BTW

Volgens appellanten bedraagt de aftrekbare BTW op de oprichtingskosten een bedrag van € 69.713,07, daarin ook begrepen de BTW geheven op de levering van een keuken (verdeeld over twee facturen) die werden geplaatst in het privégedeelte van het gebouw. Zij menen het bewijs te leveren van de aldus bepaalde omvang inzake aftrekbare BTW, daarbij ervan uitgaand dat rekening moet worden gehouden met de waarden van het later verkochte gedeelte (aan de voornoemde BVBA) dat door een verslag van een landmeter qua omvang werd bepaald op 41 % van het totale gebouw en, bij de quasi-inbreng voornoemd, door een revisoraal verslag van bedrijfsrevisor ..., op 41 % van de totale waarde van het gebouw, inclusief grond. Volgens appellanten is dan het bedrag van € 28.582,36 (zijnde € 69.137,07 aan betaalde BTW bij de oprichting, x 41 %) de in aanmerking te nemen aftrekbare BTW.

De Belgische Staat daarentegen baseert zich ter bepaling van het aftrekbaar deel van de BTW betaald bij de oprichting op de totale oppervlakte van het opgerichte gebouw, terwijl 141,72 m2 van die totale oppervlakte (van in totaal 450,88 m3 ) aan de BVBA werd verkocht, of 31,43 % van het totaal, terwijl de BTW op de voornoemde leveringen van een keuken, in ieder geval niet voor deze aftrek in aanmerking komt.

Volgens appellanten is de bepaling door de Belgische Staat in het dwangbevel van de in beginsel aftrekbare BTW zelfs willekeurig, vermits geen rekening zou zijn gehouden met 30/l00sten van en in de gemeenschappelijke delen van de eigendom waaronder de grond.

Krachtens artikel 4 KB BTW nr. 14 kan de BTW-belastingplichtige van de verschuldigde belasting over de bewuste handelingen inzake verkoop van een gebouw met BTW als toevallige oprichter, de BTW in aftrek brengen, geheven van handelingen omschreven in artikel 9 § 1 lid 3 van het KB BTW nr. 3 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW, evenals de BTW geheven van de goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met deze handelingen.

Uitsluitend de BTW voor het deel van het onroerend goed waarvoor zij opteerden het over te dragen aan de BVBA DSG met toepassing van de BTW, komt voor aftrek als "voorbelasting" inzake BTW in aanmerking.

Aldus houdt de Belgische Staat op zich alvast terecht vol dat de BTW voor de leveringen van keukens of keukenonderdelen (er is sprake van "twee" keukens doch blijkbaar het gaat om twee facturen voor een keuken, geplaatst door de firma genaamd "DSM") die zich niet bevinden in het deel dat bij wijze van quasi-inbreng is overgedragen aan deze BVBA, niet in aanmerking komt voor aftrek als voorbelasting van de BTW, verschuldigd op de maatstaf van heffing bij de overdracht met BTW aan deze BVBA.

Alvast op dit punt kan de vordering van appellanten niet worden ingewilligd. Gelet op hetgeen bepaald in artikel 4 KB BTW nr. 14 is het niet willekeurig de BTW op die leveringen van keukenonderdelen die niet gedaan zijn in het uiteindelijk bij wijze van quasi-inbreng overgedragen deel van het gebouw, niet op te nemen in de beginsel aftrekbare BTW op de BTW verschuldigd op de quasi-inbreng.

Het totale bedrag aan BTW verschuldigd ten tijde van de oprichting van het gebouw, exclusief de BTW op de keukenleveringen, bedroeg€ 65.660,24.

Aldus rijst de vraag of in het proces-verbaal inzake BTW van 5 december 2013, waarop het dwangbevel van 17 januari 2014 gebaseerd is qua gevorderde BTW in hoofdsom (na aftrek van de volgens de Belgische Staat aftrekbare BTW) onterecht is uitgegaan van de bepaling van de aftrekbare BTW op grond van de oppervlakte van het aan de BVBA bij wege van quasi-inbreng overgedragen deel van het opgerichte gebouw.

Appellanten menen dat daarbij een opdeling moet worden gemaakt van de BTW destijds afgedragen op de prijs voor de oprichting van het gebouw (midden 2009 tot begin 2010), uitgaande van waardebepalingen die blijkbaar dienstig waren voor vennootschapsrechtelijke doeleinden (ter controle van de waarde van de quasi-inbreng door een landmeter en een revisor, door hen gevraagd als "prijs" van de BVBA voor de overdracht) gedaan in juni 2010, op basis van twee verslagen opgesteld in die maand van dat jaar, en die een prijsbepaling ondersteunen voor de overdracht van het deel van het gebouw aan de BVBA. Appellanten noemen dit het "beroepsmatig" deel van het gebouw, doch inzake de bepaling van de omvang van oorspronkelijk betaalde BTW op het overgedragen deel van het gebouw, stelt zich enkel de vraag wat die omvang is, niet wat de concrete "aanwending" is, in de praktijk, zoals een aanwending door de BVBA na de overdracht (door hen "beroepsmatig" genoemd), of een verdere aanwending van het niet overgedragen deel door henzelf na die overdracht, als natuurlijke personen.

Zoals hoger reeds aangehaald, heeft de BTW-administratie zich gebaseerd op de oppervlakte van het bij wijze van quasi-inbreng overgedragen deel, in verhouding tot de totale oppervlakte van het eerder opgerichte gebouw, en dit gebaseerd op de omschrijving van wat precies is verkocht aan die BVBA in de notariële akte van 18 augustus 2010 houdende de omschrijving van de quasi-inbreng.

Dit is op zich een objectieve maatstaf. Uit de voorgelegde lijst van facturen van de oprichting van het gebouw blijkt dat zij betrekking hebben op leveringen en diensten met betrekking tot de oprichting van het gebouw in 2009, vooral vanaf het najaar, en in het voorjaar van 2010.

De overdracht van het gebouw dateert van de zomer van 2010 met prijsbepaling van het overgedragen gedeelte op basis van verslagen van een landmeter en een revisor in juni 2010 (zie hiervoor).

De keukenonderdelen werden blijkbaar geplaatst in het voorjaar van 2010, met facturatie op 30 april 2010 (stuk 4 van de Belgische Staat: zie vermelding).

Dit houdt in dat de constructie dan in voldoende mate was afgewerkt om van een gebouw te spreken, zodat de waardebepaling voor de controle van de quasi-inbreng in juni 2010 op zich betrekking heeft op de "prijs" voor een dan afgewerkt deel van een gebouw.

m twee redenen blijkt dat appellanten niet bewijzen, tegen de objectieve maatstaf inzake oppervlakte van het overgedragen deel in (zoals gehanteerd door de Belgische Staat in het dwangbevel en het eerder proces-verbaal inzake BTW), dat op grond van de waardebepalingen voor het overgedragen deel ter controle van de quasi-inbreng in juni 2010 gedaan, deze maatstaf moet gelden als maatstaf om het aftrekbaar deel van de BTW te bepalen:

\- de verslagen blijken niet opgesteld met het doel te bewijzen wat het aftrekbaar deel aan BTW op de oprichting moet zijn, doch wel met het doel de prijs gevraagd voor de quasi­ inbreng van de BVBA te onderbouwen (art. 220 en 222 Wetb. Venn.) : zo is sprake in het verslag van landmeter-expert V.E. van een opdeling van het gebouw, met percentages, volgens "beroepsgebruik" en "privaat gebruik", zonder exact aan te duiden of de door hem gehanteerde oppervlaktebepalingen overeen komen met de uiteindelijk overgedragen delen , terwijl hij bovendien in het verslag delen van het totaal onroerend goed opneemt als "beroepsgebruik", die duidelijk niet zijn overgedragen aan de BVBA (cfr. bv. de "inrit garage" en een deel van de "zolder") en dus voor een gewijzigde oppervlaktebepaling van wat overgedragen is, niet in aanmerking kunnen komen (alhoewel dus wel gedaan in de redenering aangedragen door appellanten voor het hof); en zo is sprake in het revisoraal verslag van "41 %" voor het overgedragen deel, als waarde van het totaal in het revisoraal verslag ..., doch zonder onderbouwing, die qua onderdeel van de waarde van het totaal voor dit percentage allicht werd overgenomen van het verslag van de voormelde landmeter, waarvoor de al voornoemde opmerkingen gelden;

\- de verslagen hebben betrekking op de prijs te vragen voor de overdracht van een gebouw (van de voornoemde BVBA ter gelegenheid van de quasi-inbreng) in een periode die dateert van de na de oprichting zelf, zelfs nu maar een korte periode verstreek tussen de oprichting en de waardebepaling, en hebben betrekking op een waardebepaling voor een dan toekomstige verkoop van een deel van het gebouw ten aanzien van de daarvoor te vragen prijs door appellanten, doch niet op de berekening die dienstig is ten bewijs van de omvang van de BTW op veel eerder gedane oprichting van het over te dragen deel.

Anders gezegd, leveren voormelde verslagen dus niet het bewijs van het gegeven dat een hoger percentage van de BTW op de oprichting van het totale gebouw in aanmerking komt voor aftrek als voorbelasting te baseren op enige "verkoopwaarde" in verhouding tot de "totale waarde", tegen de bepaling van de omvang van het aftrekbaar deel zoals gedaan in het dwangbevel en het daaraan voorafgaande proces-verbaal, op basis van de oppervlakte van het overgedragen deel ten opzichte van het totaal.

In weerwil van hetgeen voorgehouden door appellanten werd trouwens wel degelijk een deel van de gemeenschappelijke delen overgedragen, zoals blijkt uit de beschrijving van het overgedragen deel in de notariële akte die de overdracht vaststelt. Tot slot slaan de "grondschotel en de tuin" die "deel uitmaken van de overdracht" (zoals aangehaald door appellanten) niet op leveringen van goederen en diensten met BTW (appellanten verwijzen in dat verband opnieuw in hun besluiten naar de "waarde" ervan in verhouding tot de totale waarde bij de "overdracht", die niet maatgevend blijkt voor de bepaling van het aftrekbaar deel aan BTW dat betrekking heeft op de oprichting van het gebouw vanaf een klein jaar eerder in 2009) en geldt de aftrekbaarheid enkel voor de oprichtingskosten van het voorheen opgerichte gebouw.

Er is derhalve niet bewezen dat het aftrekpercentage a rato van 31,43 % van de totale BTW op de oprichtingskosten willekeurig is vastgesteld of onrechtmatig is bepaald, zodat op dit punt de vordering van appellanten niet kan worden ingewilligd.

De BTW zoals gevorderd in het dwangbevel blijkt immers rechtmatig en oordeelkundig te zijn bepaald en appellanten leveren niet ten genoegen van recht het bewijs van een aftrekbaar bedrag aan BTW (afgedragen op de oprichting van het gebouw en zijn later overgedragen deel aan de BVBA) voor een hoger bedrag dan zoals aanvaard in het dwangbevel.

## De wijze van berekening van de verschuldigde intresten

Gezien de datum van de overdracht in de voornoemde notariële akte van 18 augustus 2010, was de BTW op die overdracht à rato van€ 32.970,00 verschuldigd vanaf 19 september 2010 en werden krachtens [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf dan intresten à rato van 0,8 % per maand over het niet betaalde deel {zijnde het geheel) verschuldigd.

In het dwangbevel worden die intresten berekend vanaf deze datum, zijnde die waarop het bedrag aan BTW over de maatstaf van heffing van de overdracht van het deel van het eerder opgerichte gebouw, had moeten zijn voldaan.

Zoals hoger is aangenomen, bestaat geen bewijs van het gegeven dat naar aanleiding van de overdracht, de BTW-aangifte nr. 104/5 is gedaan (en dus ook de aftrek van de voorbelasting dan is gedaan). Dat de BTW zelf toen niet is voldaan, wordt op zich door appellanten niet betwist.

Er is dus ook geen bewijs van enige vordering of verzoek gedaan door appellanten, onmiddellijk na de overdracht met BTW, tot aftrek van enige voorbelasting inzake BTW op de BTW verschuldigd over de maatstaf van heffing van de overdracht, althans gedaan in 2010 onmiddellijk na die overdracht.

Onterecht houden appellanten vol dat uit de samenlezing van de artikelen 2, lid 2 KB BTW nr. 14 en 4, lid 2 van hetzelfde KB zou blijken dat slechts over het verschil tussen aftrekbare BTW op de overdracht en verschuldigde BTW over de overdracht vanaf het ogenblik van de vereiste aangifte door indiening van de aangifte 104/5 in 2010 intresten verschuldigd zouden zijn (overeenkomstig [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)) en dat dus geen intresten verschuldigd zouden zijn over het te betalen bedrag aan BTW vanaf 19 september 2010 (tot en met 28 maart 2013, ogenblik waarop de facturen inzake de BTW op de oprichting van het gebouw bij een BTW-controle werden vertoond, wat de Belgische Staat aanneemt als een ogenblik waarop het recht op aftrek van voorbelasting inzake BTW gevorderd wordt). Nu geen bewijs voorligt dat de aangifte 104/5 ingediend werd, terwijl wel het bewijs voorligt dat de verschuldigde BTW over de overdracht van het gedeelte van het gebouw eisbaar was vanaf 19 september 2010, vordert de Belgische Staat krachtens [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) terecht intresten vanaf 19 september 2010, datum waarop de BTW op de overdracht op zich had moeten zijn voldaan.

Dat de BTW-administratie drie jaar zou hebben "stil gezeten" na het verlijden van de notariële akte, laat op zich niet toe af te wijken van hetgeen voorgeschreven door [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), terwijl ook geen bewijs voorligt dat appellanten niet evenzeer "stil zaten" en de vereiste aangifte nr. 104/5 indienden, hun recht op aftrek van de voorbelasting op de BTW op de oprichting uitoefenden, en de dan nog verschuldigde BTW op de oprichting (na "compensatie" in een al in 2010 - bewezen - ingediende aangifte nr. 104/5) aan de Belgische Staat betaalden.

Er is dus geen vordering tot betaling van intresten uitgeoefend in het dwangbevel strijdig met de wettelijke voorschriften, terwijl de Belgische Staat nog in zekere mate van enige inschikkelijkheid heeft getoond, nu zijn ambtenaren zelf het nodige deden om de gegevens inzake de aangifte nr. 104/5 te verzamelen in 2013 en vermits aanvaard wordt dat het recht op aftrek uitgeoefend is bij het vertonen van de facturen tijdens een BTW-controle (die bewuste aangifte dan nog steeds niet ingediend zijnde).

## Nopens de geldboeten gevorderd in het dwangbevel

De in het dwangbevel opgelegde geldboeten zijn door hun omvang en aard gericht op bestraffing en zijn daarom onderworpen aan een rechterlijk toezicht met volle rechtsmacht zonder dat zij louter op grond van redenen van billijkheid of opportuniteitstoezicht zouden kunnen worden kwijtgescholden (artikel 6 EVRM; cfr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest Engel v. Nederland, 8 juli 1976, Pub/. Eur. Court H.R. Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest lauko v. Slovakije, 2 september 1998, Reports 1998 VI).

Hoger werd vastgesteld dat een inbreuk op de aangifteverplichting inzake BTW naar aanleiding van de verkoop met BTW (bij de voornoemde quasi-inbreng in de BVBA DSG) bewezen blijkt.

De proportionele geldboete als voorzien in [artikel 70 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wegens de niet aangifte van de verschuldigde BTW blijkt rechtsgeldig te zijn opgelegd en te zijn terug gebracht tot 20 % van het verschuldigde bedrag ingevolge toepassing van hetgeen bepaald in Tabel G, afdeling 1 V van het KB BTW nr. 41, waarbij zulks is gedaan rekening houdend met het gegeven dat er geen kwaad opzet is bewezen of geen oogmerk om de belasting te ontduiken.

Aldus bepaald is deze geldboete aangepast aan de aard en de ernst van de begane overtreding. Er zijn geen redenen om haar nog verder te beperken of om haar kwijt te schelden.

## Aangaande de kosten

Gezien het voorgaande moeten appellant veroordeeld worden tot de kosten van het hoger beroep. Onterecht houden appellanten vol dat het in deze zaak zou gaan om een geschil over een "niet in geld waardeerbaar bedrag". Het geschil blijkt wel degelijk in geld waardeerbaar, gelet op de bedragen door de Belgische Staat gevorderd in het bestreden dwangbevel. Aldus worden de kosten van het geding begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding uitgaande daarvan, meer bepaald op € 2.600,00, zijnde het geïndexeerd basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN HET HOF

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, doch ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis,

Veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep, begroot op € 2.600,00 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit .... die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd.

Het werd uitgesproken op 8 SEPTEMBER 2021 door

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Tekst van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

## Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer-12, vrijdag 10 juni 2016

Rol: 14/2480/A

In de zaak van:

**Mijnheer St.Vx,** geboren op 09/.../.... en wonende te , eisende partij, in persoon verschenen, bijgestaan door ... , advocaat te ....

**Mevrouw Sa.Vn**, wonende te ... , eisende partij, vertegenwoordigd door ..., advocaat te ....

**tegen**

**De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën**, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, vertegenwoordigd door Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, Ontvangkantoor BTW Leuven, Philipssite 3A bus 2, 3001 Leuven; en vertegenwoordigd door BTW Ontvangkantoor Mechelen, met kantoren te te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 28, verwerende partij, ter zitting vertegenwoordigd door X en Y, beiden attaché bij een fiscaal bestuur.

## I Procedure

De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 13 mei 2016 in beraad werd genomen.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van:

-het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 20 november 2014

-de laatste conclusies en de stukken van partijen

-de overige stukken van het rechtsplegingsdossier

De raadsman van eiser en een ambtenaar die verweerder vertegenwoordigt, hebben de zaak gepleit op de openbare zitting van 13 mei 2016. De zaak werd nadien in beraad genomen.

### Il De feiten en het voorwerp van de vordering

Mevrouw Sa.Vn is zaakvoerder van DSG bvba, een frituur, met maatschappelijke zetel te ..., als BTW-plichtige geregistreerd onder het nummer BE0822.......

Eisers waren de volle eigenaars van een onroerend goed gelegen op het voormeld adres. Zij wensten de handelsruimte op het gelijkvloers van dit gebouw na quasi-inbreng aan de vennootschap over te dragen.

Overeenkomstig [art. 1 K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, de vestigingen van een zakelijk recht op een gebouw en de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 of in artikel 44§3, l°, a, tweede streepje of b, tweede streepje van het Wetboek BTW (hierna: K.B. nr. 14) dienden zij alvorens de overeenkomst inzake de verkoop van de gelijkvloerse verdieping van de opgerichte nieuwbouw aan bvba DSG werd gesloten op 3 augustus 2010 bij het controlekantoor BTW te Leuven een voorafgaandelijke verklaring 1041 in waardoor zij te kennen gaven dit gedeelte van het onroerend goed als toevallige BTW-plichtigen in de zin van artikel 8 W BTW over te dragen (stuk 1 verweerder). Door het indienen van de aangifte 1041 opteerden eisers er dus voor om de verkoop na quasi-inbreng te onderwerpen aan de BTW.

Bij notariële akte van 18 augustus 2010 werd de handelsruimte op het gelijkvloers na quasi­ inbreng door eisers aan de vennootschap verkocht (stuk 2 verweerder).

De handelsruimte werd in de authentieke akte als volgt omschreven: "1) in private en uitsluitende eigendom:

Op het gelijkvloers: eetplaats, keuken & kassa, berging, w.c. en terras;

2) in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid:

Dertig/honderdsten (30/100) van en in de gemeenschappelijke delen van de eigendom waaronder de grond''.

De grondprijs werd bepaald op 58.000,00 euro en de prijs voor de constructies op 157.000,00 euro. De verkoopprijs bedroeg aldus 215.000,00 euro, verhoogd met de BTW op de constructies (32.970,00 euro) gebracht op 247.970,00 euro.

Ook in de notariële akte werd verwezen naar het feit dat eisers de verkoop wensten te onderwerpen aan het fiscaal stelsel van de BTW. Eisers verklaarden toevallige BTW-plichtigen te zijn en de aangifte voor de heffing van de BTW (i.e. de aangifte 1045) te zullen indienen op het BTW-controlekantoor te Leuven binnen de maand na datum van de akte.

Op 8 december 2010 werd bij DSG bvba een BTW-controle verricht. Er werd vastgesteld dat in de ingediende BTW-aangifte voor het derde kwartaal 2010 in het rooster 83 (bedrag van de aankopen van bedrijfsmiddelen) een bedrag van 157.000,00 euro werd opgenomen en het rooster 59 (bedrag van de aftrekbare belasting conform artikel 45 W BTW) een bedrag van 32.900,00 euro aan aftrekbare BTW vermeldde.

Volgens de BTW-controleur kon geen inkomende verkoopfactuur met betrekking tot de voormelde registraties worden voorgelegd.

Hierop werden eisers en hun boekhoudkantoor volgens de BTW-administratie verzocht alsnog de aangifte 1045 in drievoud te dienen ([art. 2, eerste lid K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e)}.

Eisers waren naar eigen zeggen hierover verwonderd. Zij meenden dat de nodige formaliteiten wel degelijk waren vervuld. Volgens eisers ging de BTW-controleur alsnog nakijken of de aangifte 1045 niet was ingediend bij een andere dienst.

Volgens de BTW-administratie werden drie blanco formulieren 1045 naar eisers opgestuurd. Eisers en hun boekhoudkantoor werden, naar verluidt, nog herhaaldelijk telefonisch gecontacteerd met het verzoek de aangifte 1045 in te dienen. Hieraan werd echter geen gevolg gegeven.

Eisers van hun kant stellen niets meer van de BTW-administratie te hebben vernomen.

Op 28 maart 2013 werd op het boekhoudkantoor van eisers een BTW-controle uitgevoerd. Er werd vastgesteld dat de aangifte 1045 nog steeds niet was ingediend, evenmin dat de verschuldigde BTW ten belope van 32.970,00 euro was voldaan (art. 2, tweede en derde lid K.B. nr. 14).

De gegevens voor het opstellen van een aangifte 1045 werden door de BTW-controleur verzameld.

Naar aanleiding van de BTW-controle werden tevens de aankoopfacturen in verband met de oprichting van het gebouw voorgelegd.

Op basis hiervan werd door de BTW-administratie het door eisers vooropgestelde bedrag van 28.582,36 euro, in compensatie te brengen met het door hen verschuldigde BTW-bedrag ingevolge de verkoop ten belope van 32.970,00 euro, herleid tot een bedrag van 20.637,01 euro.

Van de voormelde vaststellingen werd op 5 december 2013 een proces-verbaal opgesteld (stuk 6 verweerder). Dit proces-verbaal werd op dezelfde datum per aangetekende brief aan eisers ter kennis gebracht (stuk 1 eisers}.

Op 17 januari 2014 werd door de ontvanger van de BTW-Leuven, adviseur a.i. Z, een BTW-dwangbevel nr. 500/..../...69, voor een bedrag van 28.089,95 euro in hoofdsom (waarvan 12.332,99 euro in hoofdsom aan BTW, 6.594,00 euro als proportionele geldboeten en 9.162,96 euro aan intresten} uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 21 januari 2014 door de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de BTW te Mechelen, adviseur a.i., e.a. inspecteur, ..., geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 7 verweerder).

Per e-mailbericht van 27 januari 2014 werden door de raadsman van eisers opmerkingen geformuleerd. Men verklaarde zich niet akkoord omtrent bepaalde aspecten in het proces­ verbaal en er werd om kwijtschelding van de boete en de intresten verzocht (stuk 8 verweerder).

Het dwangbevel met bevel tot betaling werd per gerechtsdeurwaardersexploot van 4 februari 2014 aan eisers betekend (stuk 2 eisers).

Bij beslissing van 20 augustus 2014 werden de bezwaren van eisers door adviseur-gewestelijk directeur a.i. van de directie BTW te Mechelen, ..., afgewezen (stuk 9 verweerder). De inhoud van het proces-verbaal van 5 december 2013 werd integraal bevestigd.

Eisers verzoeken te zeggen voor recht dat het dwangbevel inzake BTW artikel nummer 500/..../...69 ongegrond is en vernietigd dient te worden en dat de erin vermelde sommen, boete en intresten (gedeeltelijk) niet verschuldigd zijn; de beslissing van de directie Mechelen BTW in functie hiervan te hervormen; terugbetaling te bevelen van de niet verschuldigde bedragen die eisers onder voorbehoud hebben betaald ingevolge het dwangbevel; verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (begroot op 1.320,00 euro) en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

## III Beoordeling

1\. Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd en is ontvankelijk.

2\. Eisers stellen de aangifte 1045 te hebben Ingevuld en per gewone post naar het BTW­ controlekantoor te hebben verzonden. Zij raadpleegden hiervoor geen boekhouder maar maakten de berekeningen zelf in een Excel-bestand. Zij bewaarden deze berekeningen niet. Zij beamen door de BTW-administratie te zijn gecontacteerd omtrent de niet indiening van deze aangifte maar stellen dat hen werd meegedeeld dat dit verder zou worden nagekeken. Aangezien zij niets meer vernamen, veronderstelden zij dat alles in orde was.

Eisers benadrukken wel degelijk hun wettelijke verplichtingen te hebben vervuld.

3\. Het algemeen beginsel van bewijsrecht (art. 1315 B.W en 870 Ger. W.) geldt ook inzake BTW.

Eisers, als toevallige belastingplichtigen bedoeld in artikel 8 W BTW, dienden vooraleer de overeenkomst met betrekking tot vervreemding van de handelsruimte van het onroerend goed werd gesloten een verklaring in tweevoud in te dienen waarin zij stelden dit gedeelte van het gebouw over te dragen met toepassing van de BTW (art. 11 1° KB nr. 14).

In de eerste akte betreffende de vervreemding dienden zij de verkrijger op de hoogte te brengen van hun intentie het handelsgedeelte te willen verkopen met toepassing van de BTW.

Tenslotte dienden eisers een aangifte 1045 in drievoud in te dienen met betrekking tot de verkoop van dit gedeelte van het onroerend goed. Deze aangifte moest binnen de maand nadat de BTW over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd werd, Ingediend worden ([art. 2, tweede lid K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e)). Het onroerend goed werd verkocht bij notariële akte van 18 augustus 2010. De aangifte diende bijgevolg uiterlijk op 18 september 2010 te zijn inge­ diend. Binnen dezelfde termijn diende de verschuldigde BTW trouwens te zijn voldaan ([art. 2, derde lid K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e)).

De rechtbank stelt vast dat eisers een verklaring 1041 indienden.

In de notariële akte van 18 augustus 2010 verklaarden zij de aangifte 1045 te zullen indienen. De verkoop vond hierdoor effectief plaats met toepassing van de BTW.

Eisers waren bijgevolg op de hoogte van hun aangifteverplichting.

De argumentatie van eisers overtuigt de rechtbank niet.

Gelet op het belang (i.e. de aanzienlijke omvang van het verschuldigde BTW-bedrag) en het feit dat het voldoen aan de aangifteverplichting een vrij technische aangelegenheid betreft, is het onbegrijpelijk dat eisers hun boekhoudkantoor hieromtrent niet raadpleegden.

Het stemt nog meer tot nadenken dat eisers deze aangifte per gewone post zouden hebben verstuurd en er geen afschrift van bewaarden, nochtans waren zij conform artikel 60 W BTW hiertoe gehouden. Evenmin bewaarden zij een kopij van hun eigen berekeningen.

Nadat eisers dóor de BTW-administratie in kennis werden gesteld omtrent het ontbreken van de aangifte, lieten zij na zich verder te informeren.

Dit alles getuigt van een, op zijn minst, nalatige houding.

Wanneer eisers voorhouden aan de aangifteverplichting te hebben voldaan, dienen zij hier­ van het bewijs te leveren. Dit bewijs wordt door hen niet geleverd.

4\. Eisers wensen hun recht op aftrek van de betaalde BTW met betrekking tot de oprichting van het onroerend goed uit te oefenen. Naar hun mening zou een bedrag van 69.713,07 euro aan aftrekbare BTW in rekening moeten worden gebracht. Zij aanvaarden niet dat de BTW inzake twee keukens geplaatst in de private gedeelten van het onroerend goed door de BTW-administratie in mindering werd gebracht. Zij argumenteren dat aangezien de aftrekbare BTW proportioneel wordt berekend, "alle aspecten in rekening dienen te worden genomen".

Bij het bepalen van het aftrekbare BTW-bedrag dient volgens eisers rekening te worden ge­ houden met het beroepsmatig karakter van de overgedragen ruimten.

Volgens de BTW-administratie kan slechts een beperkte aftrek van voorbelasting worden toegestaan, namelijk van de BTW met betrekking tot het gedeelte van het onroerend goed dat met toepassing van de BTW werd overgedragen.

Om dit gedeelte van aftrekbare BTW te bepalen, baseert de BTW-administratie zich op de oppervlakte van het onroerend goed. Meer bepaald, zou van een totale oppervlakte van 450,88 m2 volgens de verkoopakte een gedeelte van 141,72 m2 aan de vennootschap zijn overgedragen, waardoor de aftrek van de BTW tot 31,43% zou zijn beperkt. Volgens de BTW­ administratie is dan ook een bedrag van 20.637,01 euro (65.660,24 euro x 31,43%) door eisers aan BTW aftrekbaar.

Eisers werpen op dat de manier waarop de aftrek van de voorbelasting moet worden berekend ingeval van gedeeltelijke overdacht van een nieuwbouw niet wettelijk werd bepaald.

Met betrekking tot de door de BTW-administratie gehanteerde methode stellen zij dat geen rekening werd gehouden met 30/100 van en in de gemeenschappelijke delen van de eigendom waaronder de grond. Deze berekening is volgens eisers dan ook willekeurig.

Naar hun oordeel dient rekening te worden gehouden met de waarde van het overgedragen gedeelte (met beroepsmatig karakter). Door de landmeter werd het beroepsmatig gebruikte gedeelte van het gebouw bepaald op 41% van het totale gebouw (stuk 5 verweerder). Door de bedrijfsrevisor werd de waarde van het beroepsmatig gebruikte gedeelte van de nieuwbouw bepaald op 41% van de waarde van het volledige gebouw (inclusief grond) (stuk 11 verweerder). Bijgevolg is volgens eisers een bedrag van 28.582,36 euro (69.713,07 euro x 41%) aan BTW aftrekbaar.

5\. [Artikel 4 van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) bepaalt:

> *"De belastingplichtige bedoeld in artikel 1 kan van de verschuldigde belasting over de in dat artikel bedoelde handelingen in aftrek brengen, de belasting geheven van handelingen om­ schreven in* [*artikel 9 § 1, derde lid van het koninklijk besluit nr. 3*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-e148) *met betrekking tot de af­ trekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de belasting geheven van de goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met deze handeling".*

Overeenkomstig deze bepaling vindt de BTW-aftrek haar grondslag in de transactie waar­ voor eisers als toevallige BTW-plichtigen aangemerkt werden, namelijk het handelsgedeelte van het onroerend goed dat zij met toepassing van de BTW vervreemden.

Dit impliceert dat eisers, van de BTW verbonden aan de oprichting van het onroerend goed in zijn totaliteit, uitsluitend de BTW die betrekking heeft op de constructie van het gedeelte van het onroerend goed waarvoor zij opteerden om het met toepassing van de BTW aan bvba DSG te vervreemden, in aftrek kunnen nemen. De BTW die betrekking heeft op de gedeelten van het onroerend goed die niet het voorwerp uitmaken van de overdracht komt hierdoor niet voor aftrek in aanmerking.

De rechtbank stelt vast dat de privé keuken geen deel uitmaakt van de verkoop. Deze keu­ ken wordt met andere woorden uitsluitend bestemd voor handelingen die bulten de BTW vallen en geen recht op aftrek toelaten. Er kan dan ook geen aftrek worden uitgeoefend van de BTW die betrekking heeft op twee facturen voor de plaatsing van deze keuken: Deze BTW dient door eisers te worden gedragen.

Van het totale bedrag aan BTW op de facturen inzake de oprichting van het onroerend goed (69.713,07 euro) werd door de BTW-administratie terecht een bedrag van 4.052,83 euro in mindering gebracht.

Het concrete bedrag aan BTW op het overgedragen gedeelte van het onroerend goed dat van het totale BTW-bedrag inzake de oprichting van het onroerend goed voor aftrek in aanmerking komt, dient op basis van een objectieve maatstaf te worden bepaald.

Gelet op het feit dat het overgedragen gedeelte van het onroerend goed, zijnde het voor­ werp van de transactie die door eisers aan de BTW werd onderworpen, het criterium is om uit te maken wat voor BTW-aftrek in aanmerking komt, kan er, in tegenstelling tot wat eisers voorhouden, geen rekening worden gehouden met de aanwending van het onroerend goed (professioneel of privé) als uitgangspunt om de omvang van de BTW-aftrek te bepalen.

Het voorwerp van de verkoopovereenkomst (i.e. het overgedragen gedeelte van het onroe­ rend goed) is nauwkeurig vastgelegd in de notariële akte van 18 augustus 2010 (stuk 2 ver­ weerder), die op haar beurt verwijst naar de basisakte van dezelfde datum (stuk 12· ver­ weerder).

De volgende gedeelten werden overgedragen:

De handelsruimte, omvattend:

1) ln private en uitsluitende eigendom:

Op het gelijkvloers: eetplaats, keuken & kassa, berging, w.c. en terras;

2) in mede-eigendom en gedwongen onverdeeldheid:

Dertig/honderdsten (30/100) van en in de gemeenschappelijke delen van de eigendom waaronder de grond

Als gemeenschappelijke delen dienen te worden beschouwd:

-de volledige tuinschotel

-de tuin.

Door eisers worden trouwens de twee criteria door elkaar gebruikt. Zij hebben het immers over het "beroepsmatig karakter van de overgedragen ruimten". Dit leidt in casu tot tegen­ strijdigheden want, zich baserend op het criterium van het beroepsmatig gebruik worden door hen ten onrechte bepaalde gedeelten van het onroerend goed weerhouden (3/4 inrit garage en½ zolder) die manifest buiten het voorwerp van de verkoopovereenkomst vallen.

De rechtbank aanvaardt dat de oppervlakteverhouding tussen het overgedragen gedeelte van het onroerend goed en de volledige nieuwbouw dient aangemerkt te worden als de meest aangewezen verdeelsleutel.

De waarde, zoals eisers voorstaan, is aan schommelingen onderhevig en veel minder objectief in tegenstelling tot een vaststaande oppervlaktenorm.

Hogerop werd reeds gesteld dat enkel de BTW die betrekking heeft op de overgedragen constructies van de BTW verbonden aan de nieuwbouw in aftrek kan worden gebracht. Ge­ let op het feit dat wat de gemeenschappelijke delen (volledige tuinschotel en tuin) betreft er geen BTW-plichtige handelingen werden verricht, kan met de oppervlakte van deze gemeen­ schappelijke delen bij het bepalen van de oppervlakteverhouding geen rekening worden gehouden.

De oppervlakte van het gedeelte "toogzaal-eetzaal-keuken, garage-doorgang naar tuin, sanitair lokaal en sas" werd door landmeter V.E. bepaald op 141,72m2 (stuk 5 verweer­ der).

In deze berekening werden de overgedragen gedeelten 'berging en terras' niet opgenomen. Evenwel neemt de rechtbank aan dat de oppervlakte van de voormelde gedeelten wordt gecompenseerd door de oppervlakte van de gedeelten 'garage en doorgang naar tuin'.

Op een totale oppervlakte van 450,88m2 maakt 141,72m2 31,43% uit. Bijgevolg komt een bedrag van 20.637,01 euro (31,43% van 65.660,24 euro) voor BTW-aftrek in aanmerking. Dit bedrag kan worden gecompenseerd met de door eisers op de verkoop van de handelsruimte verschuldigde BTW ten belope van 32.900,00 euro (21% van 157.000,0Ó euro).

6\. Uit het samen lezen van de artikelen [2, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) en [4, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) van het K.B. nr. 14 ont­ staat volgens eisers het recht op aftrek van BTW op het ogenblik dat de belastingplichtige gehouden is een aangifte in te dienen, dit is het tijdstip waarop de belasting over de volledi­ ge maatstaf van heffing verschuldigd wordt.

Bijgevolg is de redenering dat voor de periode tussen 19 september 2010 en 28 maart 2013 intresten verschuldigd zouden zijn op de verschuldigde BTW, zonder rekening te houden met de aftrek van voorbelasting, strijdig met de wettelijke bepalingen.

Voor de berekening van de intresten dient volgens eisers hoe dan ook het verschil tussen de verschuldigde BTW en de aftrekbare BTW als basis te worden genomen.

7\. Bij toepassing van [artikel 2, derde lid van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) dienden eisers het verschuldigde BTW-bedrag van 32.900,00 euro te betalen binnen de termijn die gesteld is voor de aangifte. Aan de verplichting tot aangifte dienden zij te hebben voldaan binnen een maand vanaf het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd werd ([art. 2, tweede lid van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e)).

De notariële akte werd verleden op 18 augustus 2010, zodat de verschuldigde BTW uiterlijk op 18 september 2012 door eisers diende te zijn betaald. Op grond van artikel 91 § 1 W BTW waren zij bijgevolg vanaf 19 september 2010 intresten op dit bedrag verschuldigd.

Overeenkomstig [artikel 4 K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art4) beschikt een belastingplichtige over een recht tot aftrek. Dit recht op aftrek wordt door de belastingplichtige uitgeoefend door op het totaalbedrag van de door hem verschuldigde belasting, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek is ontstaan ([art. 5 § 1 van het K.B. nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5)).

Dit toerekenen gebeurt door het indienen van de aangifte. Het recht op aftrek ontstaat pas op het moment van het indienen van de aangifte (zie ook CLOCHERET, S. "Onroerende goederen in het stelsel van de BTW", in BTW-Handboek, VANDEBERGH, H. (ed.), Larcier, 2014, nr. 2606}.

Het tijdstip waarop dit recht wordt uitgeoefend, is bepalend voor de berekening van de intresten.

Hogerop werd reeds besloten dat eisers niet aantonen een aangifte 1045 te hebben ingediend. Zij bewijzen bijgevolg niet hun recht op aftrek door de indiening van een aangifte 1045 te hebben uitgeoefend.

Naar aanleiding van de BTW-controle op 28 maart 2013 werden de facturen met betrekking tot constructies van de overgedragen handelsruimte aan de BTW-controleur voorgelegd. Er mag dan ook worden aangenomen dat eisers, analoog met feiten die recht geven op aftrek maar zich voordoen na de indiening van de aangifte alsnog in aftrek kunnen worden gebracht op eenvoudige aanvraag en voorlegging van facturen, op dat ogenblik hun recht op aftrek hebben uitgeoefend. Dit wordt door hen op zich niet betwist.

Uit wat voorafgaat, volgt dat zolang eisers hun recht op aftrek niet uitoefenden zij intresten verschuldigd waren op het door hen terug te storten BTW-bedrag. Het is pas naar aanleiding van de controle op 28 maart 2013 dat aangenomen wordt dat eisers hun recht op aftrek uitoefenden, waardoor slechts vanaf dit moment voor het bepalen van de intresten het door eisers aftrekbare BTW-bedrag van het door hen verschuldigde BTW-bedrag In mindering moet worden gebracht.

Als basis voor de berekening van de intresten vanaf 29 maart 2013 geldt dan ook:

32.970,00 euro - 20.637,01 euro = 12.332,99 euro, of 12.330,00 euro (afgerond naar het lager gelegen tiental in euro}.

8\. Volgens eisers werd het overgedragen gedeelte van het onroerend goed door hen terecht op 41% van de totale oppervlakte van de nieuwbouw bepaald.

Er is dan ook volgens hen geen reden om een geldboete van 20% van de verschuldigde belasting op te leggen.

9\. De geldboeten die door de BTW-administratie werd opgelegd, valt onder het rechterlijk wettigheidstoezicht. De rechtbank kan bijgevolg nagaan of de toegepaste boete wettelijk gezien wel verschuldigd is.

Overeenkomstig artikel 70 § 1 W BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Eisers dienden het bedrag van 32.970,00 euro aan verschuldigde BTW uiterlijk op 18 september 2010 te hebben betaald (art. 2, tweede en derde lid van het K.B. nr. 14).

Dit deden zij niet. De proportionele geldboete werd rechtsgeldig opgelegd.

De op grond van artikel 70 § 1 W BTW opgelegde boeten worden verder beperkt overeenkomstig de bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde De verminderde boeten moeten altijd door de belastingadministratie worden toegestaan wanneer de toepassingsvoorwaarden vervuld zijn.

Terecht oordeelde de BTW-administratie om de opgelegde evenredige geldboete verder te moduleren overeenkomstig de bepalingen van het K.B. nr. 41.

Conform TABEL G, Afdeling 1, V van het voormeld K.B. werd de proportionele administratieve geldboete tot 20% van de verschuldigde BTW teruggebracht (i.e. afgerond 6.590,00 euro).

De rechtbank acht deze geldboeten evenredig aan de ernst van de overtreding; er is geen reden tot bijkomende vermindering of kwijtschelding.

10\. Gelet op wat voorafgaat, is de vordering van eisers ongegrond. De bedragen zoals opgenomen in het dwangbevel inzake BTW artikel nummer 500/..../...69 zijn door eisers verschuldigd.

Eisers worden in het ongelijk gesteld. Zij worden veroordeeld tot de kosten van de procedure zoals hierna bepaald.

## IV DE RECHTBANK beslist het volgende

De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.

De rechtbank verklaart de vordering van Mijnheer St.Vx en Mevrouw Sa.Vn ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt Mijnheer St.Vx en Mevrouw Sa.Vn tot de kosten van de procedure. Deze kosten moeten Mijnheer St.Vx en Mevrouw Sa.Vn niet worden vastgesteld omdat zij te hunne laste blijven en worden voor de BELGISCHE STAAT vastgesteld op 00,00 (nul) euro.

Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 10 juni 2016.

Waar zitting namen: ....

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

10

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 9 voorkomens

[KB nr. 14 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) 8 voorkomens

[KB nr. 14 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4) 6 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[WBTW art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) 3 voorkomens

[WBTW art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-9) 2 voorkomens

[KB nr. 14 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) 1 voorkomen

[KB nr. 14 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-e148) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vestiging recht van erfpacht, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vestiging-recht-erfpacht-aftrek-herziening-hof-van-beroep-antwerpen-2019-06-04-fe32) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-voorwaarden-oefenen-rechtstreeks-hof-van-beroep-luik-2020-03-24-ab9f) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Begrip nieuwbouw, herziening, herzieningstijdvak van vijftien jaar, onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/begrip-nieuwbouw-herziening-herzieningstijdvak-vijftien-hof-van-beroep-gent-2022-11-22-71fc) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herzieningen, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herzieningen-btw-herziening-rechtbank-hasselt-2025-08-14-03a9) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herziening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-bedrijfsmiddelen-bewijslast-hof-van-beroep-antwerpen-2026-02-17-8101) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, vrijstelling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-vrijstelling-hof-van-beroep-gent-2007-09-11-3e36) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Toevallige belastingplichtige, Recht op aftrek, Onregelmatige factuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplichtige-recht-aftrek-onregelmatige-hof-van-beroep-brussel-2016-09-14-ff58) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-hof-van-beroep-antwerpen-2021-02-0056) 3 gemeenschappelijke bepalingen
