---
title: "Toevallige belastingplicht, Recht op teruggaaf · Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, 13 maart 2020"
description: "Toevallige belastingplicht, Recht op teruggaaf, Verjaring recht op teruggaaf. Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België), 13 maart 2020."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplicht-recht-teruggaaf-verjaring-rechtbank-leuven-2020-03-13-28c6"
lang: "nl"
---

# Toevallige belastingplicht, Recht op teruggaaf, Verjaring recht op teruggaaf

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Leuven

**Datum**

13 maart 2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

98 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 13.03.2020

WF 712-15-17/008290

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Toevallige belastingplicht - Recht op teruggaaf – Verjaring recht op teruggaaf*

## Wettelijke bepalingen

[Artikel 8, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) - [artikel 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) en [5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) van KB nr. 14 van 3 juni 1970 – [artikel 14 van KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Eisers hebben op 10 mei 2007 bij het btw-controlekantoor V. een voorafgaande verklaring ingediend als toevallige oprichters btw-belastingplichtigen met betrekking tot een nieuw op te richten gebouwencomplex. De administratie ving op 21 mei 2012 een btw-controle aan. Op basis van deze btw-controle werd door de administratie een correctieopgave opgesteld, waarbij verschuldigde btw werd opgenomen. Middels hun raadsman deelden eisers mee dat zij niet akkoord gingen met de correctieopgave.

Op 9 november 2012 werd door de administratie een proces-verbaal van regularisatie opgesteld voor een bedrag aan verschuldigde btw, proportionele geldboete en interesten. Op 30 november 2012 laat de administratie een dwangbevel betekenen aan eisers. Eisers tekenen met een verzoekschrift, neergelegd op 25 januari 2017, verzet aan.

## 2) Samenvatting van het geschil

Bij tussenvonnis van 13 september 2019 oordeelde de rechtbank dat de vordering van eisers m.b.t de verschuldigde btw, geldboete ontvankelijk en gegrond. M.b.t de gevorderde interesten werd de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Verder oordeelde de rechtbank dat de aangiften van eisers, die als aangiften in de zin van [artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) van 3 juni 1970 laattijdig werden ingediend, wel gelden als een aanvraag tot teruggaaf van de btw die daarin werd aangegeven als aftrekbare btw([artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) van 3 juni 1970). De debatten werden heropend om partijen de gelegenheid te geven daarover standpunt in te nemen.

De administratie stelt dat de vordering van eisers, als vordering tot teruggaaf van btw, laattijdig werd ingediend. Eisers zijn van mening dat er nooit een formele beslissing in de zin van [artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969 werd genomen zodat hun vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van btw tijdig werd ingesteld.

De rechtbank volgt de stelling van eisers niet. Het proces-verbaal van regularisatie van 9 november 2012 dient wel degelijk te worden aanzien als een beslissing van de administratie waarbij het verzoek van eisers tot teruggaaf van btw werd verworpen.

Eisers hebben enkel bij toepassing van [artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) van 3 juni 1970 aangiften ingediend. Deze aangiften gelden impliciet als een aanvraag tot teruggaaf van de btw die daarin werd aangegeven als aftrekbare btw. Na de indiening van deze aangiften heeft de administratie in het proces-verbaal van regularisatie van 9 november 2012 beslist dat eisers gehouden waren tot betaling van de btw die ze in de aangiften als verschuldigde btw hadden aangegeven. Er werd geen rekening gehouden met de bedragen die als aftrekbare btw waren aangegeven door eisers.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de administratie met het proces-verbaal van regularisatie van 9 november 2012, die aan eiseres aangetekend werd verzonden, de impliciete aanvraag tot teruggaaf van btw verworpen. Aangezien eisers pas op 25 januari 2017, ruim na het verstrijken van de termijn (31 december 2015) bepaald in [artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969, een vordering in rechte hadden ingesteld, is de vordering van eisers niet ontvankelijk wegens laattijdigheid.

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer 12

Rol: 17/162/A

VONNIS Op tegenspraak

In de zaak van:

**R.M**., (RRN: ...), geboren te ... op ... en wonende te ...; **A.E.,** (RRN: ...), geboren te ... op ... en wonende te ..., eisende partijen, beide hebbende als raadsman ....

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, (KMO : 0308.357.159) algemene administratie van de fiscaliteit en directe belastingen, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van KMO Leuven - ..., waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1. verwerende partij,

## 1. Procedure

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van:

\- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 25 januari 2017;

\- het tussenvonnis van deze rechtbank van 13 september 2019;

\- de laatste (1) besluiten van partijen en de door hen neergelegde stukken;

\- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De zaak werd verder behandeld op de openbare zitting van 14 februari 2020. De zaak werd nadien in beraad genomen.

*(1)* *Zie artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek; Cass. 19 mei 2016, C.14.0301.N. Voor eisers is dit de syntheseconclusie ter griffie neergelegd op 5 februari 2019 en de conclusie na tussenvonnis ter griffie neergelegd op 29 november 2019, voor verweerder is dit de syntheseconclusie ter griffie neergelegd op 17 april 2019 en de eindconclusie na tussenvonnis ter griffie neergelegd op 23 december 2019.*

## ll. Feiten en wat procedureel voorafging

1 Eisers hebben op 10 mei 2007 bij het BTW-controlekantoor Vilvoorde een voorafgaande verklaring ingediend als toevallige oprichters-BTW-belastingplichtigen met betrekking tot een nieuw op te richten gebouwencomplex gelegen te 3128 Baal-Tremelo, Pastoriestraat 32-34 (2)

2 Verweerder ving op 21 mei 2012 aan met een BTW-controle bij eisers (3)

3 Op basis van de resultaten van deze BTW-controle werd door verweerder een correctieopgave opgesteld voor een bedrag van 294.459,35 euro aan nog verschuldigde BTW.

Deze correctieopgave werd op 12 oktober 2012 aangetekend verzonden naar eisers. (4)

4 Per mail van 23 oktober 2012 deelden eisers (via hun advocaat) aan verweerder mee dat zij niet akkoord gingen met de correctieopgave (5)

5 Op 9 november 2012 werd door verweerder een proces-verbaal van regularisatie opgesteld voor een bedrag van 294.459,35 euro aan verschuldigde BTW, 58.890,00 euro aan proportionele geldboete, en interesten op de verschuldigde BTW bij toepassing van [artikel 91, §1, 3° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

Per aangetekende brief van 9 november 2012 werd dit proces-verbaal ter kennis gebracht aan eisers. (6)

6 Op 14 november 2012 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 19 november 2012 uitvoerbaar werd verklaard. Volgens dit dwangbevel, gekend onder nummer 412/1112/14218, zijn eisers 294.459,35 euro verschuldigd als BTW, 58.890,00 euro als proportionele geldboete en 72.546,08 euro aan reeds verlopen interesten, te vermeerderen met de interest vanaf 26 november 2012.

Dit dwangbevel werd op 30 november 2012 per gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan eisers. (7)

7 · Tegen dit dwangbevel stelden eisers bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 25 januari 2017, een vordering in rechte in.

8 Op 13 september 2019 sprak de rechtbank een tussenvonnis uit waarin werd geoordeeld dat:

De betwisting van eisers van het BTW-dwangbevel met nummer 412/1112/14218, voor wat betreft de ingevorderde BTW , ontvankelijk maar ongegrond is;

*(2)* *Stuk 36 eisers & stuk 2 verweerder*

*(3)* *Stuk 6 eisers & stuk 11 verweerder*

*(4)* *Stuk 15 eisers & stuk 18 verweerder*

*(5)* *Stuk 17 eisers & stuk 19 verweerder*

*(6)* *Stuk 18 eisers & stukken 20-21 verweerder*

*(7)* *Stuk 21 eisers & stuk 23 verweerder*

De betwisting van eisers van het BTW-dwangbevel met nummer 412/1112/14218, voor wat betreft de ingevorderde proportionele geldboete, ontvankelijk maar ongegrond is;

De betwisting van eisers van het BTW-dwangbevel met nummer 412/1112/14218, voor wat betreft de ingevorderde interesten, ontvankelijk en deels gegrond is.

Het BTW-dwangbevel met nummer 412/1112/14218 werd ontheven in de mate dat er op de verschuldigde BTW over de verkopen van de appartementen 1, 2 en 7 bij toepassing van [artikel 91 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) interesten werden aangerekend voor de periode vóór 1 februari 2011.

Verder oordeelde de rechtbank dat de aangiften van eisers, die als aangiften in de zin van [artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) van 3 juni 1970 laattijdig werden ingediend, wel gelden als een aanvraag tot teruggaaf van de BTW die daarin werd aangegeven als aftrekbare BTW ([artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) van 3 juni 1970).

De rechtbank stelde zich ambtshalve de vraag of de vordering van eisers, als vordering tot teruggaaf van BTW, tijdig werd ingesteld.

De rechtbank heropende de debatten om partijen de gelegenheid te geven daarover standpunt in te nemen.

## III. De vorderingen van partijen

Eisers vorderen in hun laatste conclusie het volgende:

> "De vordering van conc/udenten ontvankelijke en gegrond te verklaren;
>
> Het dwangbevel inzake BTW met artikel 412/1112/14218, uitgevaardigd door de heer ..., eerstaanwezend inspecteur verbonden aan het BTW-ontvangkantoor Tienen d.d. 14 november 2012, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijk Directeur van de BTW te Hasselt op 19 november 2012 en aan concludenten betekend op 30 november 2012 bij gerechtsdeurwaardersexploot, te vernietigen;
>
> De Administratie te veroordelen tot ontheffing van de in de voormelde dwangbevel vermelde BTW-schuld, minstens te zeggen voor recht dat de hierin vermelde BTW­ sommen" boete en interesten niet verschuldigd zijn door concluenten rekening houdende met het recht op teruggaaf van de BTW;
>
> De Administratie te veroordelen tot alle kosten van het geding t.b.v. 600,00 EUR, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding conform artikel 1022 Ger.IN. en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van verzoeker begroot op het basisbedrag van 1.440.,- EUR."

Verweerder vraagt in zijn laatste conclusie om:

> "In hoofdorde
>
> Het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; De vordering van eiser(s) af te wijzen;
>
> Het uitgevaardigde dwangbevel geldig te verklaren
>
> Te oordelen dat de vordering tot teruggaaf verjaard is.
>
> De eisers veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in de beslissing tot naheffing van het proces-verbaal.
>
> In ondergeschikte orde
>
> Indien het recht op teruggaaf wordt toegestaan door de rechtbank de eisers te veroordelen tot het terugstorten van de BTW ingevolge de antimisbruikbepaling van [artikel 79§2 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79).
>
> Eiser(s) tot de kosten te veroordelen."

## IV. Beoordeling

1 De rechtbank heeft reeds in het tussenvonnis van 13 september 2019 geoordeeld dat de aangiften van eisers, die als aangiften in de zin van [artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) van 3 juni 1970 laattijdig werden ingediend, wel gelden als een aanvraag tot teruggaaf van de BTW die daarin werd aangegeven als aftrekbare BTW ([artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4#ar14-art5) van 3 juni 1970).

2 Verweerder stelt dat de vordering van eisers, als vordering tot teruggaaf van BTW, laattijdig werd ingediend.

Volgens verweerder heeft de belastingadministratie reeds in 2012 de teruggaaf van BTW verworpen zodat overeenkomstig [artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969 de vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van BTW uiterlijk op 31 december 2015 diende te worden ingesteld, terwijl eisers pas op 25 januari 2017 een vordering aanhangig hebben gemaakt.

Verweerder argumenteert met name dat de belastingadministratie met het proces-verbaal van regularisatie van 9 november 2012 de teruggaaf van BTW heeft verworpen, gevolgd door de uitvaardiging van een BTW-dwangbevel op 14 november 2012.

3 Eisers zijn van mening dat er nooit een formele beslissing in de zin van [artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969 werd genomen zodat hun vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van BTW tijdig werd ingesteld.

4 [Artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969 bepaalt (8):

> "De vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de fiscale geldboeten, moet worden ingesteld vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op, naargelang het geval, dit van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggaaf wordt verworpen ofwel dit van de betaling van de belasting, van de interesten en van de fiscale geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie."

*(8)* *Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde*

5 De rechtbank is van oordeel dat het proces-verbaal van regularisatie van 9 november 2012 wel degelijk dient te worden aanzien als een beslissing van de belastingadministratie waarbij het verzoek van eisers tot teruggaaf van BTW werd verworpen.

Eisers hebben enkel bij toepassing van [artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) van 3 juni 1970 aangiften ingediend. Deze aangiften gelden impliciet als een aanvraag tot teruggaaf van de BTW die daarin werd aangegeven als aftrekbare BTW. Dit neemt niet weg dat eisers nooit expliciet een aanvraag tot teruggaaf van BTW hebben ingediend.

Na de indiening van deze aangiften heeft de belastingadministratie in het proces-verbaal van regularisatie van 9 november 2012 beslist dat eisers gehouden waren tot betaling van de BTW die ze in de aangiften als verschuldigde BTW hadden aangegeven. Er werd geen rekening gehouden met de bedragen die als aftrekbare BTW waren aangegeven door eisers.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de belastingadministratie dan ook in het proces­ verbaal van regularisatie van 9 november 2012 de impliciete aanvraag tot teruggaaf van BTW verworpen.

6 Het proces-verbaal van regularisatie werd op 9 november 2012 aangetekend verzonden naar eisers zodat de vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van BTW uiterlijk op 31 december 2015 (namelijk voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van de beslissing gebeurde) diende te worden ingesteld.

Eisers hebben evenwel pas op 25 januari 2017, ruim na het verstrijken van de termijn bepaald in [artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art14) van 29 december 1969, een vordering in rechte ingesteld.

Bijgevolg is de vordering van eisers, als vordering tot teruggaaf van BTW, niet ontvankelijk wegens laattijdigheid.

7 Gelet op het procedureresultaat waarbij partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld, laat de rechtbank de kosten ten laste van de partij die ze gemaakt heeft.

### Beschikkend gedeelte

## V. Beslissing

De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.

De rechtbank werkt het tussenvonnis van 13 september 2019 verder uit.

De vordering van R.M. en A.E. strekkende tot teruggaaf van BTW is niet ontvankelijk.

De rechtbank laat de kosten ten laste van de partij die ze gemaakt heeft. Deze kosten moeten bijgevolg niet worden vastgesteld.

Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 13 maart 2020.

Waar zitting namen: ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

6

[KB nr. 4 art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 8 voorkomens

[KB nr. 14 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-9f4e) 7 voorkomens

[KB nr. 14 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-betrekking-vervreemdingen-gebouwen-gedeelten-bijhorende-39f4) 5 voorkomens

[WBTW art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) 2 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[WBTW art. 79](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Toevallige belastingplichtige, Geldboete, Intresten, Aangifte, fiscale boete, Btw-aangifte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplichtige-geldboete-intresten-aangifte-hof-van-beroep-brussel-2021-09-08-56c5) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-reikwijdte-uitsluiting-hof-van-beroep-gent-2022-09-06-1075) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vestiging recht van erfpacht, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vestiging-recht-erfpacht-aftrek-herziening-hof-van-beroep-antwerpen-2019-06-04-fe32) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Holding, Onroerende verhuur, Essentieel karakter, holdingvennootschap](https://juriel.be/nl/rechtspraak/holding-onroerende-verhuur-essentieel-karakter-hof-van-beroep-2026-04-20-31c6) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Faillissement medecontractant, Recht op teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-medecontractant-recht-teruggaaf-verloren-cassatie-brussel-2024-06-20-5457) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Proportionele boete, Onevenredige boete, Uitstel boete, proportionele fiscale geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-boete-onevenredige-uitstel-fiscale-rechtbank-2024-01-31-fd62) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vordering tot teruggaaf, Gestelde formaliteiten en voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggaaf-gestelde-formaliteiten-voorwaarden-cassatie-brussel-2014-10-31-5e44) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Voorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-voorwaarden-bewijslast-inbreuk-hof-van-beroep-brussel-2016-04-28-2c2d) 2 gemeenschappelijke bepalingen
