---
title: "Teruggaaf, BTW-vrijstelling · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 16 september 2025"
description: "De rechtbank te Antwerpen beveelt de Belgische Staat tot btw-teruggaaf over 2014-2016 vermeerderd met wettelijke moratoriuminteresten."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-btw-vrijstelling-medische-prestaties-rechtbank-antwerpen-2025-09-16-ed21"
lang: "nl"
---

# Teruggaaf, BTW-vrijstelling, Medische prestaties, Osteopathie, teruggave

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

16 september 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

139 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 16.09.2025

\[ Deels gunstig \]

*BTW – Teruggaaf – BTW-vrijstelling – Medische prestaties - Osteopathie*

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 16.09.2025**

**(22/1973/A)**

Inzake:

Hoofdzaak

**X.** met zetel te …, KBO: …

eisende partij

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. B.K. loco Mr. L.S. te …,

\- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. B.K. loco Mr. V.L. te …,

TEGEN:

**DE BELGISCHE STAAT,**

in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, (met KBO-nr. 0308.357.159) handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur te KMO centrum Mechelen, met kantoor te 2800 MECHELEN, Zwartzustervest 24.

verwerende partij

vertegenwoordigd door F.T., in hoedanigheid van rijksambtenaar

email: kmo.mechelen.expertise2@minfin.fed.be

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 10 mei 2022, ingeschreven op 12 mei 2022,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747,§2 van het Gerechtelijk Wetboek op 22

juli 2022,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747,§1 van het Gerechtelijk Wetboek op 22

maart 2024,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 03 juni 2025 en 17 juni 2025.

## 1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting heeft betrekking op beslissing tot weigering van de aanvraag tot btw-teruggaaf dd. 28 december 2021.

Eiseres is actief als osteopaat sedert 2004.

Vanaf 1 januari 2016 werd ingevolge artikel 110 van de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht (BS 30 november 2015) de btw-vrijstelling voor medische prestaties beperkt tot therapeutische ingrepen. Louter esthetische ingrepen zijn sindsdien onderworpen aan btw. Tegelijkertijd werd een afzonderlijke vrijstellingsbepaling ingevoerd voor prestaties van "beoefenaars van een erkend en gereglementeerd paramedisch beroep", "die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering" (oud art. 44, § 1, 3' WBTW).

Dit had tot gevolg dat prestaties van niet erkende (para-)medische beroepen werden uitgesloten van de vrijstelling.

Op 6 december 2016 richtte de toenmalige raadsman van eiseres een brief aan de Centrale Diensten van de btw om met betrekking tot een mogelijke btw-vrijstelling voor eiseres als osteopaat, haar rechten to vrijwaren naar het verleden toe (stuk 10 eiseres).

Bij schrijven van 23 januari 2017 liet de Centrale Diensten van de btw weten dat met de datum van voornoemde brief rekening zal worden gehouden voor de eventuele teruggaaf van de btw (stuk 11 eiseres - Beslissing E.T 131.346).

In het schrijven van 23 oktober 2017 wordt nogmaals gevraagd, gelet op het feit dat de discussie nog steeds niet is beslecht, dat voor de uitoefening van het eventueel recht op teruggaaf, rekening wordt gehouden met het verzoek d.d. 6 december 2016 (stuk 12 eiseres).

In het schrijven van 30 november 2017 bevestigde de Centrale Diensten van de btw dat met de datum van het verzoekschrift van 6 december 2016 rekening zal worden gehouden voor de eventuele teruggaaf van de btw indien zou blijken dat de diensten van de osteopaten onder de vrijstellingen van [artikel 44 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) vallen (stuk 13 eiseres - Beslissing E.T 131.346/2).

Bij arrest van het Hof van Justitie d.d. 27 juni 2019 ([C-597/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-597-17-arrest)) werd de Belgische regeling in strijd bevonden met de btw-richtlijn.

Rekening houdend met dit arrest, heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest d.d. 5 december 2019 (nr. 194/2019), [artikel 44, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) vernietigd, doch enkel in zoverre het niet toelaat dat de vrijstelling van btw voor diensten van chiropraxie en osteopathie wordt verleend aan andere beoefenaars van medische en paramedische beroepen dan die welke vermeld zijn in die paragraaf, wanneer die beroepsbeoefenaars de noodzakelijke kwalificaties bezitten om medische verzorging te verlenen waarvan het kwaliteitsniveau voldoende hoog is om soortgelijk te zijn aan de door de leden van een gereglementeerd medisch of paramedisch beroep aangeboden verzorging, wanneer deze laatsten de chiropraxie of de osteopathie uitoefenen.

Het Hof handhaafde de gevolgen van de vernietigde bepalingen voor alle belastbare feiten die hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2019.

Bij schrijven d.d. 18 februari 2020 bevestigde de btw-administratie aan de raadsman van eiseres dat rekening zal worden gehouden met het tussengekomen arrest van 5 december 2019 van het Grondwettelijk Hof (stuk 15 eiseres - Beslissing E.T 131.346/3).

Op 24 december 2021 stelde eiseres de btw-administratie op de hoogte dat een verbeterde aangifte voor het derde kwartaal 2021 wordt ingediend, met een bedrag aan btw in rooster 52 van 132.817,54 euro. Volgens het erin opgenomen detail heeft deze correctie betrekking op de jaren 2014 t.e.m. 2019 (3 e kwartaal), waarbij een verschil wordt gemaakt tussen de verschuldigde btw (162.883,97 euro) en de in aftrek gebrachte btw (30.066,43 euro). Eiseres vroeg de terugbetaling van het saldo aan teveel betaalde btw (stuk 2 eiseres).

Bij beslissing van 24 maart 2022 werd het verzoek afgewezen aangezien dit verzoek tot teruggaaf betrekking heeft op de periode van voor 1 oktober 2019 (stuk 3 eiseres).

Op 24 maart 2022 ontving eiseres een regularisatieopgave, waarin de btw wordt gevorderd van 132.817,54 euro, een verminderde boete van 13.280,00 euro, te vermeerderen met nalatigheidsinteresten vanaf 21 april 2022 (stuk 4 eiseres).

Op 10 mei 2022 diende eiseres een verzoek tot kwijtschelding van de geldboete in op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (stuk 5 eiseres).

Eiseres was niet akkoord met de beslissing van 24 maart 2022 en de regularisatieopgave en bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 10 mei 2022 stelde zij een vordering in rechte in ter betwisting van de fiscale schuld.

## 2. Vorderingen van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe:

\- te zeggen in hoofdorde voor recht dat de weigeringsbeslissing d.d. 24 maart 2022, (antwoord op aanvraag tot teruggaaf) alsook de correctieopgave dd. 24 maart 2022 onwettelijk of ongegrond zijn; de teruggaaf te bevelen van de onverschuldigde doorgestorte btw ten belope van 76.291,56 euro, vermeerderd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in [artikel 91, §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91);

 in ondergeschikte orde, verzoekt eiseres om een de kwijtschelding of vermindering van de opgelegde proportionele geldboete (a rato van 10%) ten belope van 13.280,00 euro;

in ieder geval, de teruggaaf te bevelen van alle op grond van de in het Innings-en Invorderingsregister vermelde betaalde of ingehouden of na uitvoering van een beslag verkregen bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten vanaf datum van betaling of inhouding, zoals voorzien in [artikel 91, §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91);

 dienvolgens verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de vaste bijdrage ten bedrage van 24,00 euro voor de juridische tweedelijnsbijstand en de maximale rechtsplegingsvergoeding voor een bedrag van 9.000,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank:

\- het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te verklaren ten belope van

het bedrag dat niet meer teruggevorderd kan worden;

de vordering met betrekking tot 2017 onontvankelijk te verklaren wegens verjaring; iedere partij te laten instaan voor de eigen gedingkosten;

 in ondergeschikte orde: de partijen te veroordelen tot de gedingkosten in de mate dat zij in het gelijk worden gesteld en rekening houdende met een rechtsplegingsvergoeding voor een bedrag van 4.500,00 euro.

## 3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerster niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is ontvankelijk.

## 4. Beoordeling

Op de terechtzitting van 3 juni 2025 stellen partijen dat wat het geschil ten gronde betreft, de enige rechtsvraag die nog voorgelegd wordt aan de rechtbank betrekking heeft op de verjaring voor 2017.

### 4.1. Voorafgaand

Op 6 september 2022 vaardigde verweerder een proces-verbaal uit met de motivatie waarom volgens zijn standpunt, eiseres ten onrechte een vordering tot teruggaaf van de btw had ingesteld voor een bedrag van 132.817,54 euro.

De btw wordt gevorderd van 182.221,19 euro, een verminderde boete van 20.150,00 euro, te vermeerderen met nalatigheidsinteresten vanaf 21 oktober 2021 (stuk 4 eiseres).

In het arrest van 5 oktober 2023 ([C-355/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-355-22-arrest)) heeft het Hof Van Justitie voor recht verklaard dat een nationale rechterlijke instantie aan een nationale bepaling op grond waarvan zij bepaalde gevolgen kan handhaven van een bepaling van nationaal recht die zij onverenigbaar met richtlijn 2006/112 heeft verklaard, geen toepassing mag geven met als onderbouwing dat het beweerdelijk onmogelijk is om ten onrechte geInde btw terug te betalen aan de afnemers van de door een belastingplichtige verrichte diensten, met name doordat het om een groot aantal personen gaat of doordat de betrokkenen niet beschikken over een boekhoudkundig systeem waarmee zij die diensten en de waarde ervan kunnen identificeren.

Verweerder legt zich neer bij dit arrest van het Hof Van Justitie.

Tussen de partijen is er bijgevolg geen discussie meer dat eiseres voor de periode van 2014 (kwartaal 4) t.e.m. 2019 (3 e kwartaal), 2017 uitgezonderd, recht op teruggave heeft van de btw.

Uit het overzicht dat partijen neerleggen op de zitting van 17 juni 2025 blijkt dat eiseres voor de jaren 2014 t.e.m. 2019 recht heeft op een totaal bedrag aan btw van 54.974,16 euro (geen verjaring voor 2017) of 47.315,62 euro (wel verjaring voor 2017).

### 4.2. Wat de verjaring van het recht op teruggaaf betreft van 2017 (7.658,54 euro)

a. Zijn de rechten gevrijwaard voor 2017 op basis van de Beslissingen E.T 131.346, E.T. 131.346/2 en E.T. 131.346./3 ?

Eiseres voert aan dat in de Beslissingen E.T 131.346 en E.T. 131.346/2 die verweerder destijds heeft afgeleverd, hij heeft erkend dat ook het recht op btw-teruggaaf voor het jaar 2017 gevrijwaard werd, van zodra zou komen vast te staan dat eiseres daar recht op heeft.

Verweerder betwist dit standpunt en stelt dat de beslissing E.T. 131.346/2 er louter toe strekte om de eerdere beslissing E.T 131.346 te bevestigen dat de jaren 2013-2016 van verjaring zijn gevrijwaard totdat er duidelijkheid wordt geschept in de rechtspraak over de problematiek. Bovendien zou de vordering met betrekking tot het jaar 2017 pas verjaren op 1 januari 2021 en was er voor dit jaar op het moment van het schrijven van de raadsman van eiseres d.d. 6 december 2016 en schrijven van 23 oktober 2017, geen enkel risico van verjaring.

De rechtbank stelt vast dat de belastingadministratie in de Beslissingen E.T 131.346 en E.T. 131.346/2 enkel heeft erkend dat met de datum van voornoemde brief d.d. 6 december 2016 rekening zal worden gehouden voor de eventuele teruggaaf van de btw.

Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder expliciet, noch impliciet te kennen gegeven in de Beslissingen E.T 131.346 en E.T. 131.346/2 dat ook het recht op btw-teruggaaf voor het jaar 2017 zou worden gevrijwaard.

De vrijwaring gold enkel voor het verleden en niet voor de toekomst, wat trouwens expliciet gevraagd werd in de brief van 6 december 2016: "wensen mijn cliënten hun rechten te vrijwaren naar het verleden toe" (stuk 10 eiseres).

In het schrijven van 23 oktober 2017 werd uitdrukkelijk gevraagd, gezien de verder lopende discussie, om een bevestiging van het administratief standpunt dat inhoudt dat onder andere eiseres in haar rechten wordt gevrijwaard en met name dat voor de uitoefening van het eventueel recht op teruggaaf van de btw, rekening gehouden wordt met het verzoek op datum van 6 december 2016.

Dit administratief standpunt werd expliciet bevestigd in de brief van 30 november 2017 van de Centrale Diensten van de btw.

Anders dan hetgeen eiseres stelt, heeft de verweerder in zijn brief van 18 februari 2020 (zie stuk 15 eiseres) niet te kennen gegeven dat met de datum van 23 oktober 2017 rekening zal worden gehouden voor de eventuele teruggaaf van de btw.

Dat in de brief van 18 februari 2020 wordt verwezen naar de "datum van uw verzoeken", berust duidelijk op een vergissing rekening houdend met het duidelijk standpunt dat de administratie innam in beide brieven d.d. 23 januari 2017 en d.d. 30 november 2017, dat naar het oordeel van de rechtbank voor geen enkele interpretatie vatbaar is.

Wat de schending van het vertrouwensbeginsel betreft, volgt de rechtbank evenmin het standpunt van eiseres dat het positief antwoord van de Centrale Diensten van de btw, in hoofde van eiseres het vertrouwen heeft gewekt dat haar recht op btw-teruggaaf werd gevrijwaard gedurende heel de periode van rechtsonzekerheid.

De Centrale Diensten van de btw heeft immers enkel erkend dat met datum van de brief d.d. 6 december 2016 rekening zal worden gehouden voor de eventuele teruggaaf van de btw, niet meer of niet minder.

De interpretatie welke eiseres geeft aan deze de Beslissingen E.T 131.346 en E.T. 131.346/2 is een opvatting die geenszins strookt met de duidelijke inhoud ervan die voor geen enkele interpretatie vatbaar is, reden waarom eiseres zich in deze niet kan beroepen op een beweerde schending van het vertrouwensbeginsel.

b. Wanneer ontstaat de vordering tot teruggaaf voor 2017 ?

Eiseres stelt dat de oorzaak van de vordering tot teruggaaf voor 2017 terug te vinden is in het arrest van het Grondwettelijk Hof van 27 juni 2019 (nr. 194/2019) en het arrest van het Hof van Justitie van 5 oktober 2023 ([C-355/22](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-355-22-arrest)) zodat de verjaring niet was verlopen op het ogenblik dat de btw werd teruggevraagd op 28 december 2021.

De belastingadministratie betwist dit en stelt dat de vordering tot teruggaaf van de btw voor 2017 is verjaard. Volgens haar visie doet de oorzaak van teruggaaf zich in casu voor op het moment waarop de onterecht aangerekende btw is betaald. Voor de btw die is aangegeven voor 2017, was de uiterste termijn 31 december 2020 (31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich voordeed). De verjaring trad in begin 2021 zodat de btw die betaald is met betrekking tot 2017, verjaard was op ogenblik dat het verzoek om teruggaaf werd ingediend (28 december 2021).

[Artikel 77, § 1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) stelt dat, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

[Artikel 82 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) bepaalt dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.

Op grond van [artikel 81bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) is er verjaring van de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar, volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat in huidig geval de betaling van de btw voor het jaar 2017 die het wettelijk verschuldigde overtreft, in principe als oorzaak van teruggaaf dient te worden beschouwd.

Uitzonderlijk moet voor het bepalen van het vertrekpunt van de verjaringstermijn geen rekening worden gehouden met het ogenblik van betaling, voor zover de volgende twee voorwaarden vervuld zijn (vgl. Antwerpen, 6 november 2018, rolnr. 2017/AR/578):

Vooreerst moet de gebeurtenis die een verschuiving van het aanvangspunt van de verjaringstermijn kan teweegbrengen, een gebeurtenis zijn die de betaling retroactief onverschuldigd maakt.

De afwezigheid van een juridische grondslag moet vervolgens zijn vastgesteld op grond van een discretionaire bevoegdheid. De latere gebeurtenis dient met andere woorden constitutief te zijn ten aanzien van de vestiging van subjectieve rechten. In die zin kan deze latere gebeurtenis worden voorgesteld als een wettelijk beletsel waardoor de rechtsvordering tot terugbetaling niet eerder kon worden ingesteld.

Anders dan hetgeen eiseres voorhoudt, is de rechtbank van oordeel dat het voornoemd arrest van Grondwettelijk Hof van 27 juni 2019 en het voornoemd arrest van 5 oktober 2023 van het Hof van Justitie afzonderlijk genomen, dan wel samen gelezen, niet kunnen worden beschouwd als een wettelijk beletsel, waardoor de rechtsvordering tot terugbetaling van de btw voor het jaar 2017 niet tijdig kon worden ingesteld.

Eiseres spreekt zich bovendien tegen aangezien ze haar vordering tot teruggaaf reeds effectief heeft ingesteld bij het verzoek tot teruggave d.d. 28 december 2021, dus nog voor de uitspraak van 5 oktober 2023 van het arrest van het Hof van Justitie.

Bovendien heeft eiseres expliciet de bevestiging van de btw-administratie gekregen dat de lopende discussie omtrent de eventuele btw-vrijstelling op de diensten van de osteopaten waaronder eiseres viel, geen beletsel was om het recht op een eventuele teruggaaf van de btw te vrijwaren. Op verzoek van eiseres werd rekening gehouden met haar schrijven van 6 december 2016 voor de teruggaaf van de btw.

Hieruit blijkt dat er van een wettelijk beletsel geenszins sprake was en dat eiseres daarentegen zelf nalatig is geweest haar recht op teruggaaf van de btw voor 2017 niet te vrijwaren.

Nu vaststaat dat de verjaringstermijn van [artikel 81bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) het instellen van een vordering tot teruggave of het vrijwaren van deze vordering niet onmogelijk of uiterst moeilijk heeft gemaakt, kan eiseres zich naar het oordeel van de rechtbank evenmin beroepen op het doeltreffendheidsbeginsel.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een nationale vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling, zoals in casu, als redelijk kan worden beschouwd (vgl. Hof van Justitie 11 juli 2002, [C-62/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-00-arrest), Marks & Spencer, overweging nr. 35, www.curia.europa.eu).

Bovendien verzet het doeltreffendheidsbeginsel zich niet tegen een weigering van een verzoek tot teruggaaf dat werd ingediend na het verstrijken van de verjaringstermijn, ook al was de btw oorspronkelijk niet verschuldigd (vgl. Hof van Justitie 20 december 2017, Caterpillar Financial Services, [C-500/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-500-16-arrest); Hof van Justitie 14 oktober 2020, SC Valons SRL/Directia Genera/a, C-677/19, www.curia.europa.eu).

Deze vordering van eiseres is bijgevolg niet gegrond wat de verjaring van 2017 betreft.

Hieruit volgt dat eiseres voor de jaren 2014 t.e.m. 2019 recht heeft op een totaal bedrag aan terug te geven btw van 47.315,62 euro.

### 4.3. Betreffende de vordering tot kwijtschelding of vermindering van de geldboete

Er werd een geldboete opgelegd in het uiteindelijk proces-verbaal van 6 september 2022 (zie stuk 3 verweerder).

Op 10 mei 2022 diende eiseres een verzoek tot kwijtschelding van de geldboete in op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (stuk 5 eiseres).

Dit verzoek is geformuleerd naar aanleiding van de geldboete die opgelegd werd door de correctieopgave van 24 maart 2022 (stuk 2 verweerder).

Eiseres vraagt de genomen beslissing over het verzoek te hervormen en een volledige kwijtschelding van de opgelegde geldboete toe te staan.

De rechtbank stelt vast dat de beslissing die genomen werd over het verzoek d.d. 10 mei 2022 niet wordt bijgebracht zodat de rechtbank niet over dit verzoek van eiseres kan oordelen.

De vordering van eiseres is op dit punt dan ook ongegrond.

### 4.4. Wat de verschuldigde interesten betreft

De moratoriuminterest over terug te geven sommen zoals bedoeld in [artikel 77, §1, 10 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) wordt beheerst door [artikel 91, §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) (zoals van toepassing tot 31 december 2022) en [artikel 91, §5 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) (zoals van toepassing sinds 1 januari 2023).

Partijen betwisten niet dat voor het lopen van deze interesten, de administratie eerst in gebreke moet worden gesteld door een aanmaning of door een daarmee gelijkgestelde akte.

Aan dergelijke ingebrekestelling zijn geen speciale vormvoorwaarden verbonden.

Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt dat de ingebrekestelling bestaat voor de opeisbaarheid van de schuld. Echter, in geval van anterioriteit van de ingebrekestelling ten opzichte van de opeisbaarheid van de schuld, zal zij slechts gevolgen kunnen hebben na deze opeisbaarheid.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres dat het schrijven van 6 december 2016 reeds als een rechtmatige aanmaning in aanmerking komt doch enkel voor de gelden die reeds op dat moment werden betaald.

In concreto betekent dit dat de brief van 6 december 2016 geen aanmaning is voor de teruggaaf die betrekking heeft op de jaren 2018 en 2019, nu de verjaring van de teruggaaf van de btw die betrekking heeft op deze latere jaren pas nadien begint te lopen en aangezien de Beslissingen E.T 131.346 en E.T. 131.346/2 enkel betrekking hebben op het verleden, en aldus niet op de toekomst (zie randnr. 4.2.).

Voor de btw m.b.t. het vierde kwartaal van 2016 kan de brief van 6 december 2016 evenmin als een aanmaning worden weerhouden.

Dit middel van eiseres is aldus gedeeltelijk gegrond waardoor de moratoriuminterest als volgt wordt berekent:

\- Voor 2014, 2015 en 2016 (t.e.m. 3e kwartaal): van 06/12/2016 t.e.m. 31/12/2022 aan 7% en van 01/01/2023 t.e.m. de dag van betaling aan 6%

\- Voor 2016 (4e kwartaal), 2018 en 2019: van 28/12/2021 t.e.m. 31/12/2022 aan 7% en van 01/01/2023 t.e.m. de dag van betaling aan 6%.

## 5. Kosten van het geding

Het huidige geïndexeerde basisbedrag bedraagt volgens eiseres 4.500,00 euro. Eiseres is van mening dat het in casu gepast is om verweerder te veroordelen tot betaling van de maximale rechtsplegingsvergoeding van 9.000,00 euro en wijst erop dat er sprake is van een juridisch-technisch complexe zaak waarbij eiseres jarenlang ten onrechte btw diende af te dragen op basis van btw-wetgeving die in strijd was met het Unierecht.

Verweerder betwist dat eiseres aanspraak kan op de maximale rechtsplegingsvergoeding van 9.000,00 euro en stelt dat de administratie zich niet heeft gedragen op een wijze die als foutief, lichtzinnig of roekeloos kan worden beschouwd.

Bij de beoordeling van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding houdt de rechtbank er vooreerst rekening mee dat de belastingadministratie in deze zaak telkens de wettelijke bepalingen heeft toegepast, alsook de voor dit geschil toepasselijke rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en van het Hof van Justitie.

Daarnaast is het van belang op te merken dat eiseres aanvankelijk een buitensporig en niet te verantwoorden vordering tot teruggaaf heeft ingesteld voor een bedrag van 132.817,54 euro, vordering die in de loop van het geding werd herleid tot meer dan de helft van dit bedrag. Indien het geschil dan al complex van aard is, dan is dit minstens voor een deel toerekenbaar aan eiseres zelf.

Gelet op deze elementen ziet de rechtbank geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Aangezien partijen elk deels in het ongelijk werden gesteld past het in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. de kosten van het geding om te slaan, zodoende dat elke partij instaat voor de eigen kosten.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en **deels gegrond** in de mate dat de vordering betrekking heeft op de jaren 2014, 2015, 2016, 2018 en 2019.

Beveelt verweerder tot de teruggaaf van de btw voor de jaren 2014, 2015 en 2016 ((t.e.m. 2016/3) vermeerderd met de moratoriuminteresten van 7% voor de periode 06/12/2016 t.e.m. 31/12/2022 en met de moratoriuminteresten van 6% voor de periode 01/01/2023 t.e.m. dag van betaling.

Beveelt verweerder tot de teruggaaf van de btw voor de jaren 2016 (2016/4), 2018 en 2019, vermeerderd met de moratoriuminteresten van 7% voor de periode 28/12/2021 t.e.m. 31/12/2022 en met de moratoriuminteresten van 6% voor de periode 01/01/2023 t.e.m. de dag van betaling.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

Slaat de kosten tussen partijen om bij toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger. W., zodat elke partij instaat voor haar eigen kosten.

Dit vonnis werd uitgesproken op zestien september tweeduizend vijfentwintig in openbare

zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

J. V., rechter

C. C., griffier

## Aangehaalde teksten

9

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 4 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 2 voorkomens

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 2 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) 1 voorkomen

[C-355/22, arrest van 5 oktober 2023](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-355-22-arrest) 2 voorkomens

[C-500/16, arrest van 20 december 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-500-16-arrest) 1 voorkomen

[C-597/17, arrest van 27 juni 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-597-17-arrest) 1 voorkomen

[C-62/00, arrest van 11 juli 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-00-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Osteopathie, Vraag tot terugbetaling, BTW-vrijstelling, osteopaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/osteopathie-terugbetaling-btw-vrijstelling-osteopaat-rechtbank-2026-04-13-16c5) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Overschrijding drempel IC-verwervingen, afstand van verlopen tijd van verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overschrijding-drempel-ic-verwervingen-afstand-cassatie-all-cassation-2022-11-25-125b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Faillissement medecontractant, Recht op teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/faillissement-medecontractant-recht-teruggaaf-verloren-cassatie-brussel-2024-06-20-5457) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatieopgave, Activiteit van osteopaat, BTW-vrijstelling, regularisatie van de Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-activiteit-osteopaat-btw-vrijstelling-rechtbank-brussel-2025-10-06-9950) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Beroepsoprichter, Misbruik, Tarief, Verjaring, Boete 200%](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-beroepsoprichter-misbruik-tarief-verjaring-hof-van-beroep-gent-2026-06-09-8423) 3 gemeenschappelijke bepalingen
