---
title: "Teruggaaf van belasting, voldoening van de belasting · Hof van beroep te Antwerpen, 4 september 2010"
description: "Teruggaaf van belasting, voldoening van de belasting, vervolging. Hof van beroep te Antwerpen (België), 4 september 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-voldoening-vervolging-hof-van-beroep-antwerpen-2010-09-04-facf"
lang: "nl"
---

# Teruggaaf van belasting, voldoening van de belasting, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

4 september 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

73 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 04.09.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van : **14/9/2010**

**EINDARREST**

In zake : **2007/AR/716**

**M. G.**, wonende te … (…), …;

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 10 januari 2007;

vertegenwoordigd door Meester **B. S.**, advocaat te …, …;

**de BELGISCHE STAAT**, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW, Administratie van de BTW, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3680 Maaseik, Bleumerstraat 72, bus 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 10 januari 2007 door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 maart 2007;

Gelet op het tussenarrest uitgesproken door dit Hof op 8 april 2008;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Retroacten

**1.1.** In het tussenarrest van 8 april 2008 heeft het Hof het voorwerp van de vordering, de procedurele antecedenten en de feitelijke gegevens ter zake reeds uiteengezet. Het Hof verwijst hiernaar. Deze uiteenzetting dient hier voor zoveel als nodig als hernomen te worden beschouwd.

**1.2.** In het tussenarrest heeft het Hof reeds geoordeeld dat het niet de administratie is die eerst het negatief bewijs moet bijbrengen dat een teruggaaf ten onrechte gevraagd werd of ten onrechte werd verrekend. De administratie kan een teruggaaf verwerpen en dan moet degene die een recht op teruggaaf heeft uitgeoefend het bewijs leveren van het feit dat hij zich bevindt in de wettelijke omstandigheden waarin het recht op teruggaaf is ontstaan en dat de teruggaaf kan gevorderd worden overeenkomstig de bepalingen waarin het W.BTW heeft voorzien. Het Hof stelt verder dat een dubbele heffing van de verschuldigde BTW aanleiding kan geven tot teruggaaf en dat in zoverre appellant, bij aankoop van de op 31 december 1999 aanwezige voorraad de BTW hierop heeft voldaan, en, na overgang vanaf 1 januari 2000 naar de aangiften op grond van de werkelijke verkopen, bij verkoop van deze reeds belaste goederen niet tot aftrek van de reeds betaalde BTW zou kunnen overgaan, dit een dubbele heffing op dezelfde goederen tot gevolg zou hebben. Aldus komen twee legaliteitsbeginselen in conflict. Enerzijds kan in hoofde van appellant een schending van de bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde worden aangewreven, anderzijds zou een ontzegging van de teruggaaf, in zoverre een dubbele heffing bewezen zou zijn of worden, eveneens strijdig zijn met de wet.

Zo uit de toepassing van de forfaitaire grondslagen van aanslag voor de BTW gedurende 17 jaar weliswaar in hoofde van appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontstaan dat hij dit verder onbeperkt in de tijd zou mogen toepassen zonder aan de wettelijke voorwaarden hiertoe te voldoen, dan nog kan uit dit gedogen van de toepassing van deze forfaitaire grondslagen van aanslag door de administratie in hoofde van appellant wel een gerechtvaardigde verwachting zijn ontstaan dat hij bij overgang naar het stelsel van de BTW aangifte op grond van werkelijke verkopen wel aanspraak zou kunnen maken op de toepassing van artikel 77, § 1, W.BTW, te weten op teruggaaf van de BTW in zoverre op dit ogenblik een dubbele heffing van de BTW zou kunnen worden aangetoond. Het behoort dan ook aan appellant, die teruggave van door hem betaalde BTW vordert op grond van artikel 77, § 1, W.BTW, het bewijs te leveren dat de door hemzelf voldane belasting over de toegevoegde waarde op de handelingen aangegeven in zijn periodieke aangiften, bedoeld in artikel 53ter W.BTW, het bedrag te boven gaat dat werkelijk verschuldigd was. Het Hof stelt vast dat appellant een lijst voorlegt van zijn beweerde voorraad per 31 december 1999 en tevens beweert in het bezit te zijn van een omvangrijk aantal aankoopbewijzen, aan de hand waarvan samen met de ingediende BTW-aangiftes de juistheid van de voorraadlijst zou kunnen worden getoetst. Er dient hierbij tevens rekening mee te worden gehouden dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten moet worden ingesteld binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van betaling van de niet verschuldigde BTW (artikel 82 W.BTW). Dit houdt in dat ook dient te worden bewezen op welk ogenblik, welke goederen dewelke nog per 31 december 1999 nog in voorraad aanwezig zouden zijn geweest als verkocht aangegeven zouden zijn geweest en dan ook nog wel in welke periodieke BTW aangifte. Het Hof verklaart dienvolgens het hoger beroep ontvankelijk en stelt, alvorens nader over de gegrondheid hiervan uitspraak te doen, de heer **J. B.**, accountant, als deskundige aan met als opdracht :

> *"(...)*
>
> \- *zijn advies te verlenen over de juistheid van. de door appellant voorgebrachte voorraadlijst per 31 december 1999, alsook over het ogenblik waarop de hierin voorkomende goederen als verkocht aangegeven zijn geweest resp. in welke periodieke BTW aangifte zij als dusdanig vermeld zijn;*
>
> \- *verder zijn advies te verlenen over de uitsplitsing van deze voorraad naargelang het op de verschillende aanwezige goederen toepasselijk BTW-tarief en daarop aansluitend de raming van de mogelijk te weerhouden winstmarge op deze goederen en het bedrag aan BTW dat voor aftrek c.q. gebeurlijke teruggave in aanmerking zou kunnen komen;*
>
> *(...)".*

**1.3.** Na beantwoording van de door partijen op zijn voorlopig verslag geformuleerde opmerkingen (blz. 13-17 van het deskundigenverslag) luidt het definitief advies van de gerechtsdeskundige in zijn op 30 juni 2009 ter griffie neergelegd verslag als volgt (blz. 18 van het deskundigenverslag) :

***"Advies over de juistheid van de door appellant voorgebrachte voorraad/ijst per 31/12/1999 :***

*-* *de fysieke telling van de inventaris kan 9 jaar na datum niet meer worden gecontroleerd*

*-* *m.b.t. de waardering werd vastgesteld dat er vele en substantiële afwijkingen zijn tussen de eenheidsprijzen vermeld op de inventaris en de betreffende voorgelegde aankoopfacturen*

***Advies over het ogenblik waarop de in de inventaris voorkomende goederen als verkocht aangegeven zijn geweest resp. in welke periodieke BTW-aangifte zij als dusdanig vermeld zijn :***

*appellant kon niet opgeven in welke BTW-aangiften betreffende goederen als verkocht werden aangegeven. Gezien de vele duizenden artikelen, en het alsdan ontbreken van een stockboekhouding, is zulks ook door ondergetekende niet te achterhalen.*

***Advies over de uitsplitsing van de voorraad naargelang het op de verschillende aanwezige goederen toepasselijk BTW-tarief en daarop aansluitend de raming van de mogelijk te weerhouden winstmarge op deze goederen en het bedrag aan BTW dat voor aftrek c.q. gebeurlijke teruggave in aanmerking zou kunnen komen :***

*de basis voor de juiste uitsplitsing van de voorraad over de toepasselijke BTW-tarieven, is de inventaris zelf. Zoals vastgesteld is deze onvoldoende betrouwbaar. De door appellant voorgelegde berekeningswijze van de BTW-terugvraag is gebaseerd op gemiddelde historische winstmarges, wat mij -niettegenstaande ze naar mijn gevoel vrij voorzichtig werden genomen-, als methode iets te algemeen voorkomt. Gezien deze gemiddelde winstmarges werden toegepast op een inventariswaarde waarvan de correctheid niet blijkt, kan ook de juistheid van de BTW terugvraag niet worden nagegaan, noch door ondergetekende worden samengesteld.”*

**1.4.** In zijn op 5 januari 2010 neergelegde besluiten voert appellant aan dat de gerechtsdeskundige bevestigt dat er een voorraad is op 31 december 1999 en zelfs dat er sprake is van dubbele heffing. Hoewel de gerechtsdeskundige weigert uit de door hem uitgevoerde steekproef enige gevolgtrekking af te leiden toont deze steekproef wel aan dat er in ieder geval op 31 december 1999 een voorraad was. Het feit dat de artikelomschrijvingen op de aankoopfacturen en de inventarislijst niet steeds dezelfde zijn doet hieraan geen afbreuk.

Ook het feit dat er geen aansluiting is tussen de eenheidsprijzen van de goederen vermeld in de inventaris en de aankoopprijzen vermeld op de verkoopfacturen doet geen afbreuk aan de relatie tussen de aangekochte goederen en de op de inventarislijst voorkomende goederen. Het is niet omdat de prijs van de betreffende goederen van de inventaris afwijkt van de werkelijke aankoopprijs dat het niet om dezelfde goederen zou gaan. Bij de inventarisopname werd de verkoopprijs van de betreffende producten teruggerekend via een coëfficiënt (i.c. een forfaitair genomen brutomarge per productgroep in functie van de marktprijs van de betreffende goederen) naar de inventariswaarde van de goederen. Deze werkwijze heeft tot gevolg dat er een verschil is tussen de aankoopprijs van de betreffende goederen en de inventariswaarde ervan. Appellant besluit aldus dat er per 31 december 1999 een voorraad goederen is die niet verkocht zijn en dat er geen enkele aanwijzing is dat deze voorraad niet juist zou zijn. De steekproef, hoe beperkt ook, bevestigt de werkelijkheid van de voorraad per 31 december 1999. Appellant stelt verder dat de goederen vermeld op de voorraadlijst per 31 december 1999 vanaf 1 januari 2000 ook effectief verkocht werden. De aard van de verkochte goederen (vb. dierenvoeding) wijst eveneens in de richting van een grote omloopsnelheid. De meeste door appellant verkochte goederen kunnen zelfs geen 5 jaar in voorraad blijven omwille van hun beperkte houdbaarheid. Het feit dat appellant niet kan aanduiden in welke BTW-aangifte de betreffende inventarisgoederen als verkocht werden aangegeven doet geen afbreuk aan het feit dat de betreffende goederen ook effectief werden verkocht. Appellant had ook geen andere goederen om te verkopen dan de inventarisgoederen. De omschakeling per 1 januari 2000 was tenslotte enkel een boekhoudkundig/BTW gegeven, terwijl de verkoop van appellant gewoon doorliep. Aangezien er nooit enige inventaris werd opgemaakt vóór de overgang naar de normale regeling en er steeds vanuit gegaan werd dat alle aankopen werden verkocht, dient de teruggaaf betrekking te hebben op alle goederen aanwezig in de voorraad op het tijdstip van de wijziging van de bepaling van de maatstaf van heffing. De onterecht betaalde BTW op de betreffende goederen werd, voor de overgang, geheven op de aankoopprijs van de goederen, vermeerderd met een winstmarge. De gemiddelde aangegeven winstmarge van appellant, met betrekking tot de 4 jaren voorafgaand aan de overschakeling, bedroeg 20,88 %. Aldus werd door appellant een eerste maal BTW voldaan op het bedrag van de aankoop van de goederen, vermeerderd met een winstmarge van 20,88 %. In haar verzoek om detaxatie van 14 december 2001 verklaarde appellant zich bovendien akkoord om een berekening te maken aan de hand van een in acht te nemen winstmarge van 20 %. Dit resulteerde in een berekend bedrag van teruggave van … EUR (… BEF). De inventarislijst van appellant weerspiegelt de werkelijkheid en de accountant van appellant heeft op basis hiervan de betreffende goederen uitgesplitst naar BTW-tarief.

De gerechtsdeskundige stelt dat de accountant van appellant, die zich gebaseerd heeft op de gemiddelde historische winstmarges, deze vrij voorzichtig heeft genomen, maar dat de methode iets te algemeen voorkomt. Appellant werpt op dat de gerechtsdeskundige inhoudelijk geen opmerkingen maakt omtrent de werkwijze van de accountant van appellant en dat door de gerechtsdeskundige op geen enkele wijze wordt verantwoord waarom de gehanteerde methode "iets te algemeen voorkomt". Met betrekking tot de verjaring wijst appellant er op dat het bedrag van de aankopen gedurende de uitbating van de handelszaak met 167 % steeg, waaruit hij afleidt dat de voorraad uit recente goederen bestaat. Tevens blijkt uit de lijst van de jaarlijkse aankopen dat er gedurende de laatste vijf jaren een stijging van het bedrag van de aankopen was van bijna 13 %. Zulks wijst op een grote omloopsnelheid van de aangekochte goederen. Dit blijkt ook uit de aard van de verkochte goederen. De meeste goederen kunnen zelfs niet meer dan vijf jaar in de voorraad blijven zitten omdat ze een beperkte houdbaarheid hebben. Derhalve mag geredelijk worden aangenomen dat de voorraad waarover appellant beschikte een "jonge" voorraad was, die geen 5 jaar oud was. Appellant voert tenslotte aan dat geïntimeerde het feit van de dubbele taxatie zelf heeft erkend. Naar aanleiding van een AOIF-controle met betrekking tot de inkomsten jaren 2000 en 2001 kwam de problematiek van de detaxatie van zijn voorraad inderdaad ter sprake. In het kader van deze controle werd uiteindelijk op 4 november 2003 een akkoord bereikt. Meer bepaald verklaarde geïntimeerde zich bereid een detaxatie toe te staan voor een bedrag van 20 % van de waarde van de voorraad per 31 december 1999. Appellant leidt hieruit dat geïntimeerde zelf uitdrukkelijk heeft erkend dat hij dubbel belast werd inzake de goederen in stock, ten gevolge waarvan appellant recht heeft op een teruggave van de BTW. Appellant meent dan ook dat hij, ondanks het deskundig verslag, voldoende naar recht het bestaan van een dubbele heffing heeft bewezen en dus aanspraak kan maken op het recht van teruggaaf zoals voorzien in artikel 77, § 1, W.BTW. Appellant besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis, de toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering, en dienvolgens het zeggen voor recht dat hij recht heeft op detaxatie van zijn voorraad op datum van 31 december 1999, en uit hoofde hiervan recht heeft op een teruggave van BTW van … EUR, en de veroordeling van geïntimeerde tot teruggave van het bedrag van … EUR, meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten. Appellant begroot de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op een bedrag van … EUR.

**1.5.** Geïntimeerde werpt in zijn op 9 maart 2010 neergelegde syntheseconclusies op dat het aan appellant behoort geïndividualiseerd aan te tonen, wanneer de goederen, dewelke zich nog in stock zouden bevinden, initieel aangekocht werden en in welke periodieke aangifte zij als verkocht zouden zijn aangegeven. Aangezien de vordering tot teruggave van de belasting, interesten en administratieve geldboeten, krachtens [artikel 82 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan, dient geïntimeerde o.a. de mogelijkheid te hebben na gaan op welk ogenblik, welke goederen dewelke thans nog in stock zouden zijn, als verkocht aangegeven zouden zijn en dan ook in welke periodieke BTW-aangifte. Het eindverslag van de deskundige houdt een bevestiging in van het feit dat de juistheid van de inventaris niet nagegaan kan worden, het niet te achterhalen is wanneer en in welke BTW-aangiften de in de stock opgenomen goederen als verkocht werden aangegeven en het tevens niet mogelijk blijkt de juistheid van de BTW-terugvraag na te gaan. Het is tenslotte niet omdat inzake directe belastingen er een akkoord met betrekking tot de detaxatie van voorraad overeengekomen werd met de controlerende ambtenaar dat dit akkoord daarom de facto betekent dat inzake BTW ten gevolge hiervan een teruggaaf van BTW kan verkregen zijn. Er dient immers aan de specifieke vereisten van de BTW-wetgeving voldaan te zijn om een recht op teruggaaf te kunnen uitoefenen. De materiële voorwaarden om inzake BTW een recht op teruggaaf uit te oefenen zijn niet voorhanden. Het recht op teruggave inzake BTW wordt bepaald in artikel 75 van het W.BTW dat bepaalt dat de belasting slechts kan worden teruggegeven in de gevallen waarin dit Wetboek voorziet. Welnu, appellant heeft niet voldaan aan de voorwaarden van het BTW-wetboek om voor teruggaaf in aanmerking te komen. Geïntimeerde besluit derhalve tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en tot de veroordeling van de appellant tot de kosten van expertise. Geïntimeerde begroot de rechtsplegingsvergoeding eveneens op een bedrag van … EUR.

## 2. Beoordeling

**2.1.** De rechters zijn niet verplicht het advies van de deskundigen te volgen, indien het strijdig is met hun overtuiging (artikel 986 Ger.W.). Ondanks die volstrekte vrijheid van de rechter, is het evenwel vanzelfsprekend dat hij normaal het advies zal volgen van de vakman die hij zelf of de Voorzitter in kort geding of de partijen in gemeen akkoord aangeduid hebben omwille van zijn hoedanigheden als deskundige, indien er tegen het neergelegd verslag geen geldige kritiek kan uitgeoefend worden (A. CLOQUET, *Deskundigenonderzoek*, in *A.P.R.*, Gent, E. Story-Scientia, 1988, nr. 490 p. 168). Het louter feit dat een partij kritiek uitoefent op het verslag is echter geen voldoende reden om van het besluit van de deskundige af te wijken, vooral wanneer deze kritiek niet gesteund is op het advies van een gezaghebbende technische vakman (A. CLOQUET, *Deskundigenonderzoek*, in *A.P.R.*, Gent, E. Story-Scientia, 1988, nr. 491 p. 168). De partijen blijven wel volkomen vrij om voor de rechter alle opmerkingen, middelen en argumenten te laten gelden die zij voor de deskundige hebben of hadden kunnen inroepen (A. CLOQUET, *Deskundigenonderzoek*, in *A.P.R.*, Gent, E. Story-Scientia, 1988, nr. 494 p. 169). De rechter dient evenwel geen rekening te houden met kritiek van technische aard tegen het verslag, dat na de neerlegging van het verslag zou worden ingebracht en dan ook als laattijdig zal moeten worden beschouwd (A. CLOQUET, *Deskundigenonderzoek*, in *A.P.R.*, Gent, E. Story-Scientia, 1988, nr. 49.5 p. 169).

Het deskundigenverslag uitgevoerd door accountant en belastingconsulent **J. B.** dient op grond van de voormelde principes te worden bijgetreden, temeer het uitgevoerd onderzoek blijk geeft van een grondige technische kennis en analyse van de gegevens van de zaak en hierbij rekening werd gehouden met de standpunten, de vragen en opmerkingen van de partijen. Doorheen het deskundigenverslag stelt men vast dat de gerechtsdeskundige stelselmatig heeft getracht de standpunten van partijen met mekaar te verzoenen door systematische beantwoording van hun vragen en opmerkingen met betrekking tot zijn vaststellingen en adviezen (blz. 13-17 van het deskundigenverslag van accountant **J. B.**). De gerechtsdeskundige heeft ook de dossiers grondig ontleed, zonder dat hierbij enige vooringenomenheid in zijn hoofde mag worden verweten (A. CLOQUET, *Deskundigenonderzoek*, in *A.P.R.*, Gent, E. Story-Scientia, 1988, nr. 523 p. 177).

Ten overvloede moet worden vastgesteld dat geen enkele partij bewijst dat het verslag onjuist is (A. CLOQUET, *Deskundigenonderzoek*, in *A.P.R.*, Gent, E. Story-Scientia, 1988, nr. 524 p. 178).

Het Hof kan zich derhalve aansluiten bij de vaststellingen en besluiten van de gerechtsdeskundige.

**2.2.** De belasting over de toegevoegde waarde kan slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het BTW Wetboek dit voorziet (artikel 75 W.BTW).

De oorzaken die aan de basis van een dergelijke teruggaaf kunnen liggen, worden opgesomd in artikelen 76, 77 en 77bis W.BTW.

In artikel 77, § 1, W.BTW worden de gevallen geregeld waarin er zich bepaalde omstandigheden voordoen waardoor het recht op teruggaaf is ontstaan met betrekking tot belasting die geheven werd van leveringen van goederen, van diensten of van intracommunautaire verwervingen van goederen.

Overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen inzake het bewijs en overeenkomstig het gemeen recht - zoals onder meer geformuleerd door artikel 1315 B. W. - behoort het aan degene die teruggaaf van de belasting vraagt of een teruggaaf van belasting in zijn periodieke aangifte verrekent, om het bestaan van zijn recht op teruggaaf aan te tonen.

Het is dus niet de administratie die eerst het negatief bewijs moet bijbrengen dat een teruggaaf ten onrechte gevraagd werd of ten onrechte werd verrekend. De administratie kan een teruggaaf verwerpen en dan moet degene die een recht op teruggaaf heeft uitgeoefend het bewijs leveren van het feit dat hij zich bevindt in de wettelijke omstandigheden waarin het recht op teruggaaf is ontstaan en dat de teruggaaf kan gevorderd worden overeenkomstig de bepalingen waarin het W.BTW heeft voorzien.

Het behoort aldus aan appellant, die teruggave van door hem betaalde BTW vordert op grond van artikel 77, § 1, W.BTW, het bewijs te leveren dat de door hemzelf voldane belasting over de toegevoegde waarde op de handelingen aangegeven in zijn periodieke aangiften, bedoeld in artikel 53ter W.BTW, het bedrag te boven gaat dat werkelijk verschuldigd was.

Dit te leveren bewijs houdt meer bepaald in dat appellant dient aan te tonen voor welke goederen, welke BTW op welk ogenblik afgedragen werd en voor welke goederen op welk ogenblik daaruit voortvloeiend een recht op teruggave van BTW zou zijn ontstaan, zodat ook de tijdigheid van de vordering van appellant, wat de goederen betreft, op geïndividualiseerde wijze, zou kunnen worden nagegaan.

Uit de vaststellingen en besluiten van de gerechtsdeskundige dient te worden afgeleid dat :

\- de fysieke telling van de inventaris 9 jaar na datum niet meer kan worden gecontroleerd

\- er met betrekking tot de waardering vele en substantiële afwijkingen zijn tussen de eenheidsprijzen vermeld op de inventaris en de betreffende voorgelegde aankoopfacturen

\- appellant niet kan opgeven in welke BTW-aangiften betreffende goederen als verkocht werden aangegeven en dat zulks, gezien de vele duizenden artikelen en het ontbreken van een stockboekhouding niet verder kan worden achterhaald

\- de basis voor de juiste uitsplitsing van de voorraad over de toepasselijke BTW-tarieven, is de inventaris zelf en dat deze onvoldoende betrouwbaar is

\- de door appellant voorgelegde berekeningswijze van de BTW­terugvraag gebaseerd is op gemiddelde historische winstmarges, wat als methode te algemeen voorkomt

\- gezien deze gemiddelde winstmarges op een inventariswaarde werden toegepast waarvan de correctheid niet blijkt, ook de juistheid van de BTW-terugvraag niet kan worden nagegaan, noch door de gerechtsdeskundige worden samengesteld.

Uit de voormelde vaststellingen dient te worden besloten dat appellant in gebreke blijft aan de op hem rustende bewijslast te voldoen.

Een globale benadering van de bewijslast van appellant op teruggave van BTW, samen met de bewering dat het merendeel van de op 31 december 1999 in de voorraad aanwezige goederen "recent" zouden zijn, kan niet leiden tot het besluit dat de bewijslast van appellant krachtens artikel 77, § 1, W.BTW ingevuld is.

De vaststelling dat appellant inzake directe belastingen een akkoord bekwam tot aanvaarding als bedrijfslast van de kostprijs van de voorraad goederen op 31 december 1999 leidt evenmin tot het besluit dat de gegrondheid van de vordering van appellant tot teruggave van BTW kan worden. Deze gegrondheid dient, inderdaad, op geïndividualiseerde wijze te worden nagegaan, ondermeer gelet op de onderscheiden tariefindeling inzake BTW en appellant verder geen bewijsgegevens verstrekt omtrent de concrete aard en oorsprong van de aanwezige hoeveelheid goederen.

Het hoger beroep faalt derhalve zo in feite als in rechte.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Het tussenarrest van 8 april 2007 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Wijst appellant ervan af en veroordeelt hem tot de kosten in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZENDENTIEN**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.** en **M. G.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V.L.** **M. G.** **S. B.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Teruggaaf van de Btw, Verjaring, Plaats van een dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-btw-verjaring-plaats-dienst-cassatie-brussel-2021-06-25-1a12) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet in EU gevestigde belastingplichtige, Recht op teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/in-eu-gevestigde-belastingplichtige-recht-cassatie-brussel-2021-06-25-2d1c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Periodieke Btw-aangifte, Teruggaaf van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/periodieke-btw-aangifte-teruggaaf-belasting-cassatie-brussel-2022-06-17-6785) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, Herzieningstermijn, Inventaris, Historische btw, verbouwing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-herzieningstermijn-inventaris-historische-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2022-05-17-6c33) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verhuur, Controle, Regularisatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-verhuur-controle-regularisatie-rechtbank-brussel-2026-03-04-12c4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Osteopathie, Vraag tot terugbetaling, BTW-vrijstelling, osteopaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/osteopathie-terugbetaling-btw-vrijstelling-osteopaat-rechtbank-2026-04-13-16c5) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-rechtbank-brussel-2026-03-04-1964) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Kunstmatige opsplitsing van handelingen, misbruik, tarief, splitsing van prestatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kunstmatige-opsplitsing-handelingen-misbruik-tarief-hof-van-beroep-gent-2024-10-15-26d8) 1 gemeenschappelijke bepalingen
