Teruggaaf van belasting, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 10 januari 2007

Zoeken

Teruggaaf van belasting, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-vervolging-rechtbank-hasselt-2007-01-10-2f33

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
10 januari 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

64 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 10.01.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

INZAKE AR nr. 03/1026/A

G. M., handelaar, (BTW-nr. …) wonende te …, ….

eiser,

vertegenwoordigd door Mr. S. B., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te 3680 Maaseik, Bleumerstraat 72/4.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

a. het exploot van gerechtsdeurwaarder G. J., betekend aan verweerder op 15.4.2003 waarbij eiser de teruggave vordert van volgens hem aftrekbare BTW op voorraad per 31.12.1999 ten bedrage van … €;

b. de stukken en conclusies van partijen.

Feiten en voorgaanden

Eiser is ingevolge zijn economische activiteit, nl. kleinhandel in veevoeders, sproeistoffen, tuingereedschappen en hengelsportartikelen, geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nr. … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.

Het gaat om een tuin- en hobbycenter en dierenspeciaalzaak, familiaal uitgebaat, die eiser uiteindelijk overnam van zijn vader.

Eiser of zijn rechtsvoorganger diende in het verleden, met name sinds 1982, zijn aangiften in de BTW steeds in volgens forfaitaire grondslagen van aanslag, derhalve op forfaitaire wijze.

Volgens verweerder opteerde hij evenwel nooit voor deze regeling in de zin van artikel 5, § 2 K.B. BTW nr. 2.

Ingevolge die werkwijze voldeed eiser naar zijn zeggen steeds de BTW meteen over de door hem verrichte inkopen.

Er werd nooit een inventaris opgesteld, zodat alle aankopen ten dien einde geacht werden te zijn verkocht.

Sinds 1.1.2000 verliet eiser het "forfaitaire systeem" en ging hij over tot het doen van BTW-aangifte op de normale wijze.

Tevens maakte hij op datum van 31.12.1999 een inventaris, uitgesplitst per tarief inzake BTW, die volgens hem leidde tot het resultaat dat niet-verkochte goederen en leeggoed aanwezig waren voor een totaal bedrag van … € (… BEF), zijnde voor een bedrag aan BTW van … €.

De dagvaarding strekt ertoe de teruggave van deze BTW ten bedrage van … € te bekomen in de zin van artikel 75 W.BTW e.v.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Dagvaarding van verweerder

Verweerder houdt de onontvankelijkheid van de vordering voor wegens het feit dat het exploot van dagvaarding niet in de zin van artikel 90 W.BTW (zoals van toepassing voor het tijdperk ter discussie) betekend werd aan het hoofd van het controlekantoor inzake BTW waaronder eiser ressorteert.

Artikel 90 W.BTW werd opgeheven door artikel 60 Wet 15.3.1999.

Bovendien bewijst verweerder geen belangenschade in de zin van artikel 861 Ger. W.

Derhalve kan om voormelde reden de vordering van eiser niet onontvankelijk verklaard worden.

Overige vorderingen

Er worden voor het overige door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering, zodat zij de vordering verder als ontvankelijk beoordeelt.

Ten gronde

Vordering tot teruggave van BTW

De vordering van eiser strekt ertoe de volgens hem afgedragen BTW op de voorraad goederen aanwezig op 31.12.1999 terugbetaald te zien door verweerder.

Artikel 77, § 1 W.BTW schrijft voor dat de BTW wordt teruggegeven ondermeer indien zij het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Krachtens artikel 82 W.BTW, zoals van toepassing voor de vordering ter discussie, verjaart de vordering tot teruggaaf door verloop van vijf jaren vanaf de dag dat de vordering is ontstaan.

De bewijslast van de gegrondheid van de door eiser ingestelde vordering tot teruggaaf berust op hem.

Met verweerder moet worden aangenomen dat eiser daartoe op geïndividualiseerde wijze dient aan te tonen voor welke goederen, welke BTW op welk ogenblik afgedragen werd en voor welke goederen op welk ogenblik daaruit voortvloeiend, een recht op teruggave van BTW zou zijn ontstaan, zodat ook de tijdigheid van de vordering van eiser op, wat de goederen betreft, geïndividualiseerde wijze, gecontroleerd zou kunnen worden.

Eiser voert hiertoe aan :

- dat de aanvaarding van aangifte inzake BTW op forfaitaire grondslagen gedurende 17 jaar door verweerder, insluit dat thans een recht op detaxatie van zijn voorraad zou zijn ontstaan, bij gebreke waarvan het vertrouwensbeginsel geschonden wordt;

- dat eiser niet zou moeten bewijzen op geïndividualiseerde wijze, voor welke goederen en welke bedragen de BTW al zou zijn voldaan en een recht op teruggave zou zijn ontstaan maar dat zulks op globale wijze zou mogen;

- dat aangenomen moet worden dat de goederen nog in voorraad op 31.12.1999, recente goederen zijn, waaruit zou moeten blijken dat de verjaringstermijn voor de teruggaaf van 5 jaar niet overschreden werd;

- dat de administratie der directe belasting, meer de A.O.I.F. inzake directe belasting een detaxatie van de bestaande voorraad heeft aangenomen.

Geen van deze argumenten kan leiden tot het besluit dat eiser zijn bewijslast inzake BTW en opgedragen krachtens artikel 77, § 1 W.BTW heeft ingevuld.

Het feit dat verweerder blijkbaar forfaitaire aangiftes inzake BTW toeliet gedurende jaren, ontlast eiser op zichzelf niet van de bewijslast van de gegrondheid van zijn vordering tot teruggave, daar uit hoofde van die werkwijze geen vertrouwen gewekt werd dat BTW op aangekochte goederen voor teruggave vatbaar zou zijn. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de niet-inwilliging van de vraag van eiser tot teruggave van BTW op zichzelf het vertrouwensbeginsel schendt.

Een globale benadering van de bewijslast van eiser op teruggave van BTW, samen met de bewering dat het merendeel van op 31.12.1999 in de voorraad aanwezige goederen "recent” zouden zijn, leidt evenmin tot het besluit dat de bewijslast van eiser krachtens artikel 77, § 1 W.BTW ingevuld is.

Tot slot leidt de vaststelling dat eiser inzake directe belastingen een akkoord bekwam tot aanvaarding als bedrijfslast van de kostprijs van de voorraad goederen op 31.12.1999 ook niet tot het besluit dat de gegrondheid van de huidige vordering van eiseres tot teruggave van BTW kan worden aangenomen, daar die gegrondheid op geïndividualiseerde wijze dient te worden nagegaan, ondermeer gelet op de onderscheiden tariefindeling inzake BTW en eiser verder geen bewijsgegevens verstrekt omtrent de concrete aard en oorsprong van de aanwezige hoeveelheid goederen.

Derhalve kan zijn vordering niet worden aangenomen.

Gelet op de toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak,

Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond,

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 10.01.2007 alwaar aanwezig waren :

Mevr. C. V., rechter, waarnemend voorzitter,

Mevr. B. H., ger. stagiair, vervangend rechter art. 2590cties, § 6 Ger.W.,

Dhr. J. S., plaatsvervangend rechter, en,

Dhr. Ph. N., griffier.

Ph. N. J. S. B. H. C. V.