Teruggaaf van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 18 november 2008

Zoeken

Teruggaaf van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-rechtbank-gent-2008-11-18-42eb

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
18 november 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

55 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.11.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 NOVEMBER 2008

Rolnummer AR 05/1318/A

In de zaak van :

BVBA L. – V. I. & Co C., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

eiseres,

hebbende als raad Mter Y. V., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het BTW Ontvangkantoor Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1

De FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomenfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, met kantoren te 9200 Dendermonde, Sint-Rochusstraat 63

verweerster,

hebbende als raad Mter E. V. A., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 13 april 2005.

De Rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van het door verweerder neergelegde bundel.

Partijen werden gehoord in de openbare terechtzitting van 21 oktober 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor haar activiteit als accountant. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Door F. B., e.a. verificateur bij de BTW, werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde op 18 augustus 2003. Door F. B., voornoemd, werd op 24 november 2003 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 4 december 2003 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 9 december 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. V. M. eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle te Dendermonde, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent en op 23 februari 2005, betekend aan eiseres.

Bij verzoekschrift de dato 13 april 2005 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.

2.2. Eiseres vraagt dat : het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, het bestreden dwangbevel nietig minstens ongegrond verklaard wordt, verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van de door hem tijdens de procedure teveel nagevorderde of ingehouden sommen, verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder vraagt dat: het verzoek ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres wordt veroordeeld tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Onderhavige betwisting beperkt zich tot de door verweerder weerhouden inbreuk op artikel 77 W.BTW.

3.2.2. Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, en éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991.

De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hun uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; Zij moet afdoende zijn".

Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld. Daaruit vloeit voor wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld. In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen'. De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende', was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter - terecht - vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze, en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen. De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven, P., "Uitdrukkelijke motivering van “fiscale bestuurshandelingen”, De Fiscale Koerier, 91/506).

3.2.3. Eiseres heeft op 31 maart 2002 een creditnota uitgereikt aan de NV TSPS ten bedrage van € … + € … BTW. De teruggevraagde BTW op voormelde creditnota werd opgenomen in vak 64 van de BTW-aangifte van eiseres van het tweede kwartaal 2002.

De BTW-administratie is evenwel van oordeel dat eiseres m.b.t. de teruggevraagde BTW niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 77, § 1 W.BTW. In casu verwijst het dwangbevel van 23 februari 2005 naar het proces-verbaal van 24 november 2003. In voormeld proces-verbaal wordt verwezen naar artikel 77, § 1 W.BTW en wordt vervolgens gesteld : "Ik heb vastgesteld dat de volgende creditnota, welke werd uitgereikt aan de NV TSPS, niet voldoet aan de hierboven opgesomde voorwaarden. Op het ogenblik is er nog steeds een gerechtelijke procedure lopende zonder dat er tot op heden een definitieve uitspraak door de rechtbank is geweest (…)” In voormeld proces-verbaal of dwangbevel wordt verder op geen enkele wijze verduidelijkt op welke rechtsgrond de door eiseres teruggevraagde BTW niet ressorteert onder artikel 77, § 1 W.BTW.

Het is pas tijdens de procedure voor deze rechtbank dat verweerder duidelijk motiveert waarom de BTW door eiseres ten onrechte werd teruggevraagd en de terugvraging niet ressorteert onder de in artikel 77, § 1 W.BTW opgesomde categorieën.

Gelet op het voorgaande is de motivering van het dwangbevel niet voldoende om de vordering gestand te houden.

Zij was niet dragend. Een dergelijke niet-voldoende motivering van het dwangbevel levert zonder meer de illegaliteit op van de bestuurshandeling wegens schending van een substantieel vormvoorschrift.

Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Gerechtelijk Wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. In hoofde van eiseres worden ze begroot op € … rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.

Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is in die mate dat het bedrag van € … ten titel van rechten niet verschuldigd is en dat het bedrag van € … ten titel van boete niet verschuldigd is.

Veroordeelt verweerder dienvolgens tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiseres op de bedragen van € … (ten titel van niet verschuldigde rechten) en van € … (ten titel van niet verschuldigde boete), vermeerderd met de moratoire intrest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op de datum van volledige terugbetaling.

Veroordeelt verweerder tot het betalen der gedingkosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag achttien november tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :

mevrouw A. H., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.