Teruggaaf van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 22 maart 2004

Zoeken

Teruggaaf van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-rechtbank-antwerpen-2004-03-22-5052

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
22 maart 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

46 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 22.03.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tweeëntwintig maart tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 03/141/A

BVBA I. A., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester M. T. loco meester J. V. D. M., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Invordering, sector BTW, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. V. K. te … op 2 januari 2003,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 23 februari 2004.


Eiseres heeft met exploot van 2 januari 2003 laten dagvaarden in betwisting van een haar op 2 december 2002 betekend dwangbevel van verweerder van 31 oktober 2002 dat op 5 november 2002 uitvoerbaar was verklaard.

Aan dit dwangbevel is een voor akkoord ondertekende correctieopgave inzake BTW gehecht.

In het dwangbevel wordt vermeld dat reeds verrichte betalingen werden toegerekend op de BTW-vordering.

Er loopt geen betwisting ter zake de toelaatbaarheid van de vordering, ook niet desnoods ambtshalve aan te voeren.

Eiseres werpt in de gedinginleidende akte op dat 'de ontvangen betalingen nadien werden gefactureerd en de BTW afgedragen', en dat 'derhalve het principe non bis in idem geldt'.

Hierover geeft zij niet alleen niet de minste verduidelijking maar legt zij evenmin enig stuk voor.

Bovendien schreef eiseres in een bezwaarschrift dat zij ter zake vennootschapsbelasting indiende (stuk 8 verweerder), terzijde met betrekking tot de BTW :

“... , waar deze gelden (BTW) nooit werden aangerekend aan BTW-belastingplichtigen …”.

Eiseres werpt in de geding inleidende akte verder ook op dat “facturen werden gericht aan vennootschappen die vervolgens in faling zijn gegaan, derwijze dat de gefactureerde bedragen nimmer werden ontvangen en de BTW derhalve dient te worden gerecupereerd”.

Zij legt twee overtuigingsstukken voor waaruit blijkt dat twee vennootschappen op zeker ogenblik failliet zijn verklaard (haar stukken 1 en 2), maar zet niet uiteen wat daaruit moet worden afgeleid ter zake voorliggende betwisting.

Verweerder heeft eruit afgeleid dat eiseres teruggaaf van BTW zou nastreven uit toepassing van artikel 77, § 1, 7° Wetboek BTW, 'wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan'.

Het loutere gegeven van de openverklaring van vermelde faillissementen is niet dienstig tot zulk bewijs.

Eiseres werpt in de geding inleidende akte tenslotte nog op dat de akkoordverklaring op de correctieopgave is aangetast door dwaling in rechte 'minstens' in feite.

Zij herhaalt deze grief in conclusie zonder nadere verduidelijking, eveneens met geen enkel overtuigingsstuk onderbouwd, zodat zij haar aanvoeringsplicht (stelplicht) niet invult.

De bewijslast ter zake haar grief berust bij haar, maar wordt door haar evenmin ingevuld.

Eiseres stelt tenslotte (in conclusie) sibyllijns dat het “zelfs in de optiek van de administratie, het zo (dient) te zijn dat de genoemde ontvangen bedragen aldus BTW in zijn”.

Zulks getuigt van weinig ernst ten opzichte van de fiscaal wettelijke bepalingen, en geeft de vordering van eiseres een roekeloze trek.

Op grond van het bovenstaande is de vordering ongegrond.

Zuiver ten overvloede blijkt dat eiseres hoe dan ook geen aanspraak kan formuleren op vergoeding voor rolrecht in deze fiscale betwisting.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond,

Wijst eiseres er van af en veroordeelt haar tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 171,05 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 771 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8