Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.04.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF VAN BEROEP GENT – 13e Kamer - Terechtzitting van 17/4/2002
1999/AR/230
In de zaak van :
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Hoofdcontroleur van de BTW te Neerpelt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3910 Neerpelt, Heerstraat 37,
appellant,
hebbende als raadsman Mr. D. C., advocaat te …, …
tegen :
S. B. NV, thans genaamd S.-BTL NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen, onder het nummer …,
met uitbatingszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, onder het nummer …,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman Mr. D. J. F., advocaat te …, …
Velt het Hof het volgend arrest :
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 3 februari 1999 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 21 september 1998 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.
Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De feiten werden keurig uiteengezet in het bestreden vonnis. Het volstaat naar deze uiteenzetting te verwijzen.
Het geschil betreft in hoofdorde de vraag of de dagvaarding in teruggave van BTW, ingeleid tegen de "Belgische Staat in de persoon van de Minister van Financiën, zijnde voor hem bij de Hoofdcontroleur van de BTW wiens kantoor gevestigd is te 3910 Neerpelt" ontvankelijk is. De appellant houdt immers voor dat deze vordering niet ontvankelijk is omdat ze werd gericht tegen de verkeerde persoon : in toepassing van art. 14, tweede lid van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde zou te dezen enkel de hoofdcontroleur te Waregem zou bevoegd zijn, aldus de stelling.
Subsidiair vordert de appellant dat het bestreden vonnis zou hervormd worden wat de toekenning van de wettelijke rente betreft van 8 mei 1990 tot 4 mei 1995.
De geïntimeerde voert aan dat de aanwijzing van de bevoegde ambtenaar. in art. 14 van het vermeld K.B., geen reden kan zijn van onontvankelijkheid omdat de Belgische Staat één en ondeelbaar is, de Minister bij de bespreking van de wet heeft gezegd dat zulks geen reden van nietigheid is en ook het Gerechtelijk Wetboek daaromtrent geen nietigheid voorschrijft. Bovendien - zo wordt gesteld - heeft de hoofdontvanger van Neerpelt steeds de schijn gewekt dat hij bevoegd was om te beslissen over de vraag tot teruggave van de BTW.
Omtrent de interest vraagt de geïntimeerde dat minstens de interest zou toegekend worden vanaf 10 maart 1992, datum van de ingebrekestelling. De administratie beweert evenwel dat de brief d.d. 10 maart 1992 geen ingebrekestelling inhoudt.
Beoordeling
De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de vordering ontvankelijk was : de Belgische Staat is immers één en ondeelbaar, de Minister van Financiën heeft tijdens de bespreking van de wet uitdrukkelijk bevestigd dat de nietigheid van een betekening aan de niet-voorgeschreven ambtenaar nooit zou opgeworpen worden door de administratie en art. 14 van het K.B. nr. 4 bepaalt niet dat dit voorschrift geldt op straffe van nietigheid. Het Hof treedt daarom de motivering van de eerste rechter bij en maakt ze ook tot de zijne.
Het hoger beroep is derhalve ongegrond waar het strekt tot de onontvankelijkheid van de vordering.
Over de gegrondheid van de vordering bestond ook voor de eerste rechter geen discussie
De brief d.d. 10 maart 1992 kan niet aangezien worden als een ingebrekestelling die moratoire interesten verschuldigd maakt. De redenering van de appellant moet dan ook worden bijgetreden : enkel de gerechtelijke rente werd terecht toegekend.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het slechts ten dele gegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis met deze wijziging dat geen wettelijke rente wordt toegekend voor de periode van 8 mei 1990 tot 4 mei 1995.
En gelet op het gedeeltelijk gelijk en ongelijk, zegt dat elke partij de eigen kosten van het hoger beroep dient te dragen zodat het niet nuttig is deze te begroten.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, DERTIENDE KAMER, rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 17 APRIL TWEEDUIZEND EN TWEE, door :
alleenrechtsprekend Kamervoorzitter L. G.,
bijgestaan door griffier C. S.
L. G. C. S.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :
In de zaak : AR 62862
NV S. B., met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder nummer …;
eiseres,
vertegenwoordigd door en pleitend Meester D. W., advocaat te …, loco Meester F. D. J., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van de BTW te Neerpelt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3910 Neerpelt, Heerstraat, 37;
verweerder,
vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;
De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.
De besluiten en stukken werden ingezien.
Bij dagvaarding d.d. 4 mei 1995 betekend door gerechtsdeurwaarder A. S. met standplaats te … vordert eiseres de teruggave aan haar van … fr. te veel betaalde BTW, meer de wettelijke verwijlrente vanaf 8 mei 1950, de gerechtelijke rente en de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.
Bij vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling of kantonnement.
De dagvaarding in kwestie werd betekend aan de Belgische in de persoon van de Minister van Financiën, zijnde voor bij de Hoofdcontroleur van de BTW, wiens kantoor gevestigd te 3910 Neerpelt, Heerstraat, 37.
1. Eiseres zet uiteen dat zij in 1990 vanuit Zweden 3 deuren vervoerd heeft naar P. B., …, ….
Dat deze goederen door haar, eiseres, ingeklaard zijn geweest. Dat naar aanleiding hiervan op 8 mei 1990 een invoerdocument EU4 nummer … opgemaakt werd.
Dat dit invoerdocument opgemaakt werd op naam van P. B., met aangegeven waarde van … fr. als heffingsvoet en … fr. als BTW.
Dat verkeerdelijk … fr. aangegeven is geweest als heffingsvoet.
Dat de juist aan te geven waarde als heffingsvoet … fr. bedraagt en … fr. als BTW.
Dat deze vergissing haar oorzaak vond in de omstandigheid dat kwestieus vervoer van goederen een nazending was van een skeletwoning en verkeerdelijk de waarde van de skeletwoning (… fr.) in plaats van de waarde van de deuren (… fr.) aangegeven is geweest.
Dat door haar, eiseres, aldus … fr. (… fr. - … fr.) teveel BTW betaald is geweest.
2. Deze zaak werd ingeleid voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt die zich bij vonnis van 18 november 1996 onbevoegd heeft verklaard en de zaak voor verdere behandeling naar deze Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk heeft verwezen, als reden gevend :
"Terecht verzoeken partijen om verzending deze zaak naar Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk...".
Deze rechtbank moet zich derhalve wel bevoegd achten conform art. 660, lid 2 Ger.W. dat bepaalt :
"Deze beslissing (van verwijzing naar de bevoegde rechter) bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft”.
Wat de grond van de zaak betreft heeft de raadsman van eiseres met zijn brief van 3 mei 1995 met bijgevoegde stukken eigenlijk de laatste twijfels weggenomen (cfr. stuk 5 eiseres - stuk 24 verweerder).
Verweerder verwijst naar dit schrijven en bijgevoegde stukken in zijn derde besluiten d.d. 24 februari 1997 neergelegd ter griffie en stelt uitdrukkelijk op blz. 6 van deze besluiten :
"Deze stukken laten thans wel toe te stellen dat de beweerde vergissing overeenstemt met de realiteit”.
Controle van alle stukken noopt er inderdaad toe aan te nemen … fr. te veel BTW is betaald door eiseres in de omstandigheden zoals uiteengezet in de inleidende dagvaarding (= bij vergissing).
3. Waar verweerder evenwel de onontvankelijkheid van de vordering inroept en blijft inroepen :
* In eerste besluiten, neergelegd ter griffie op 7 november 1995 roept verweerder in dat eiseres, voor de vordering in teruggave conform art. 14 van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969, het exploot van dagvaarding diende te laten betekenen aan het hoofd van het controlekantoor van de BTW waaronder de aanvrager ressorteert (aanvrager zijnde de grensexpediteur S. te …, gezien het een belastingplichtige betreft).
Aldus diende de dagvaarding aan de hoofdcontroleur van de BTW te Waregem worden betekend (met kantoren gevestigd in H. P. te …).
Verweerder acht de hoofdcontroleur BTW te Neerpelt een volstrekt onbevoegde titularis (evenals de hoofdcontroleur BTW te Sint-Joostten-Node aan wie blijkbaar ook een dagvaarding werd betekend met betrekking tot huidige betwisting, doch welke zaak nog niet naar deze rechtbank werd verwezen en welke zaak eiseres blijkbaar laat rusten).
Verweerder vraagt zelfs de dagvaarding betekend aan de hoofdcontroleur te Neerpelt nietig te verklaren wegens dagvaarding van de verkeerde persoon.
* In derde besluiten, neergelegd ter griffie op 24 februari 1997 (blz. 6), roept verweerder in dat het de douane-administratie is die de teveel geheven som moet terugbetalen zoals omschreven in de Instructie van de Douane en Accijnzen § 175 oude versie en de paragrafen 234 en 235 versie 1994.
Zo de rechtbank de beide dagvaardingen toch geldig zou verklaren, verzoekt verweerder de rechtbank voor recht te zeggen dat de Administratie van de Douane en Accijnzen de teveel geheven BTW terug moet betalen en waarbij de kosten van eiseres ten haren laste blijven gezien eiseres pas op 3 mei 1995, hetzij één dag voor de dagvaardingen de stukken heeft voorgelegd die uitsluitsel hebben gegeven.
Het dispositief van deze derde besluiten van verweerder luidt desbetreffend letterlijk als volgt :
"Mocht de rechtbank de beide dagvaardingen toch geldig verklaren, verzoekt verweerder de rechtbank de beide dagvaardingen tot teruggave gericht aan de BTW-administratie ongegrond te verklaren en waarbij de kosten van eiseres uiteraard ten hare laste blijven gezien eiseres pas op 3 mei 1995, hetzij één dag voor de dagvaardingen, de stukken heeft voorgelegd die hebben toegelaten uitsluitsel te geven.
De BTW-administratie werd in casu ten onrechte gedagvaard, omdat het in casu niet de BTW-administratie is die de door de eiseres in haar hoedanigheid van grensexpediteur voorgeschoten BTW bij invoer moet teruggeven. Het is enkel de douane-administratie die de teveel geheven BTW kan terugbetalen aan eiseres, omdat deze administratie de teveel geheven BTW heeft geïnd”.
Verweerder stelt in vierde besluiten dat eiseres voor de regularisatieprocedure die niet vlotte, de hoofdcontroleur van de BTW te Waregem diende te dagvaarden en dat eiseres voor de vordering tot teruggave enkel en alleen de Douane-administratie kan dagvaarden en niet de BTW-administratie.
Men kan niet terugvorderen wat men niet geïnd heeft zegt verweerder.
Beoordeling
De betwisting betreft een vordering in teruggave van teveel betaalde BTW.
Het is het KB nummer 4 d.d. 29 december 1969 dat handelt over de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (B.S. 31 december 1969).
Art. 1 van voormeld KB nummer 4 bepaalt dat de teruggave naargelang van het geval wordt verleend aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan of aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt.
Er is een discussie over dat eiseres onder de laats vernoemde categorie ressorteert (in het bezit zijnde van een invoerdocument EU4 met nummer vermeld in de dagvaarding).
Het tweede lid van art. 1 van het K.B. nummer 4 maakt het aldus mogelijk rekening te houden met bijzondere omstandigheden om de teruggave aan andere personen toe te staan.
Zo kan teruggave worden verleend aan de grensexpediteur wanneer het invoerdocument, dat aan de douane werd voorgelegd om de betaling van BTW vast te stellen, door de grensexpediteur werd gezegeld en moet worden geannuleerd (BTW-handleiding nummer 536/2).
Art. 14, lid 2 van hetzelfde KB nummer 4 bepaalt :
"Die vordering (tot teruggave) wordt ingesteld bij exploot met dagvaarding betekend aan de Staat, aan het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de aanvrager ressorteert, indien hij een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, of aan het hoofd van het controlekantoor van de belastingen over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waarvan hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft, indien hij enig ander rechtspersoon is.”.
De bepalingen van de Instructie BTW van de Douane en Accijnzen waarop verweerder zich beroept bepalen ondermeer :
“Het bepaalde in § 234, tweede lid, is eveneens van toepassing wanneer de vergissing wordt vastgesteld bij de aangever die niet de geadresseerde van de goederen is (een douane-expediteur) of wanneer de geadresseerde van de goederen een onjuiste aangifte weigert en ze terugzendt naar zijn aangever op voorwaarde dat – indien de geadresseerde een BTW-belastingplichtige is – dat document niet in zijn boekhouding werd ingeschreven. De aanvragen tot vervanging van de hierboven bedoelde aangiften mogen rechtstreeks worden behandeld door de ontvanger der douane, wanneer hij ze ontvangt binnen 2 maanden na de geldig making van de aangifte ten verbruik; na het verstrijken van die termijn moeten de aanvragen bij die ontvanger toekomen door bemiddeling van de hoofdcontroleur van de BTW onder wiens bevoegdheid de geadresseerde ressorteert.".
Het gaat hier wel degelijk om een aanvraag buiten de voormelde termijn van 2 maanden na de geldig making van de aangifte ten verbruik en het gaat om teruggave van teveel betaalde BTW.
Er is in dergelijk geval geen enkele bepaling die eiseres verplicht zich daarvoor uitsluitend tot de Douane-administratie te richten op straffe van verval.
Integendeel, alle toepasselijke bepalingen wijzen in de richting van de bevoegdheid van de BTW-hoofdcontroleur die dan mogelijkerwijze de aanvragen en vorderingen terzake zal moeten doorverwijzen naar de douane(ontvanger) doch dit alles is een interne regeling die zonder verder gevolg blijft voor de vordering die eiseres heeft ingesteld.
Het is de Belgische Staat waarvan de veroordeling tot teruggave van teveel betaalde BTW wordt gevraagd.
De Belgische Staat zelf moet ervoor zorgen dat de veroordeling wordt uitgevoerd door de intern meest aangewezen, bevoegde administratie.
Op het ogenblik dat eiseres in discussie ging over kwestige teveel betaalde BTW, had zij nog haar maatschappelijke zetel in ….
Op het ogenblik van de dagvaarding in deze zaak was de maatschappelijke zetel van eiseres verhuisd naar ….
Art. 14, lid 2 van het K.B. nummer 4 spreekt zich inderdaad uit voor het betekenen van de dagvaarding aan de Belgische Staat aan de hoofdcontroleur BTW van de maatschappelijke zetel van eiseres, zijnde …, tevens het controlekantoor BTW waaronder eiseres ressorteert.
Echter, eiseres is van meetaf aan in discussie en briefwisseling getreden betreffende de door haar teveel betaalde BW met de hoofdcontroleur BTW te Neerpelt, waar de maatschappelijke zetel was van de NV P. B., zijnde de geadresseerde die nooit als BTW-plichtige bleek geregistreerd te zijn, in staat van faillissement werd verklaard en waarvan het faillissement inmiddels al werd gesloten en die de kwestige BTW niet heeft betaald.
De hoofdcontroleur BTW te Neerpelt heeft nooit gesteld aan eiseres dat hij terzake onbevoegd zou zijn of een vordering niet aan ren kon worden betekend, integendeel ...
De rechtbank is van oordeel dat de hoofdcontroleur BTW van de maatschappelijke zetel van de douane-expediteur, genoemd door art. 14 lid, 2, K.B. nummer 4, niet kan worden geïdentificeerd) met het begrip "persoon" genoemd door art. 862, 6° (vroeger 9°) van het Gerechtelijke Wetboek nu art. 862, 6° Ger. W. vooral lijkt te refereren naar de betekening volgens art. 33 e.v. Ger.W., welke bepalingen nergens refereren naar de administratie van de BTW en haar hoofdcontroleurs.
Er is derhalve geen enkele reden voor de rechtbank om betreffende de dagvaarding van eiseres zelfs ambtshalve de nietigheidsgrond van art. 862, 6° Ger.W. te moeten opwerpen.
Eiseres stelt dan ook terecht in haar besluiten het volgende, dat de rechtbank volledig kan onderschrijven :
“De vordering van eiseres is gericht tegen de Belgische Staat en die werd in voornoemd exploot ook gedagvaard.
Aangezien de Belgische Staat één en ondeelbaar is, heeft het feit dat aan de verkeerde BTW-hoofdcontroleur zou betekend geweest zijn, niet de onontvankelijkheid van de vordering voor gevolg. Elke hoofdcontroleur van de BTW vertegenwoordigd de ene rechtspersoon die de Staat is.
Conflicten aangaande de BTW-hoofdcontroleur tot wiens bevoegdheid het onderwerp van onderhavige vordering behoort, zijn dan ook van zuiver interne administratieve aard.
Voor zover de hoofdcontroleurs aan wie het inleidend dagvaardingsexploot werd betekend van mening zouden zijn dat onderhavig geschil tot de bevoegdheid van een andere BTW-hoofdcontroleur zou behoren, dienen zij deze dan ook in de plaats te stellen.”.
Verwezen kan ook worden naar art. 705 Ger.W. (analogisch).
Aangaande de wetgeving in verband met teruggave van BTW kan verder ook nog worden vermeld dat tijdens de bespreking in de Kamer de Minister van Financiën bevestigd heeft dat, zoals inzake registratierechten, de nietigheid van een betekening aan de niet-voorgeschreven ambtenaar nooit zal opgeworpen worden door de administratie, zelfs wanneer het exploot aan de Minister van Financiën zelf wordt betekend, voor zover de aangegeven ambtenaar kan teruggevonden worden (Gedr. St.; Kamer, B.Z. 1968, nr. 88/15, 170).
Dat eiseres eigenlijk aan de verkeerde ambtenaar (de hoofdcontroleur BTW te Neerpelt) de dagvaarding heeft laten betekenen is mede aan de houding zelf van deze ambtenaar te danken die nooit enige grond van onbevoegdheid of onontvankelijkheid heeft laten kennen in de onderhandeling en briefwisseling die hij met eiseres heeft gevoerd, integendeel.
Er is geen enkele grond om de dagvaarding nietig of de vordering niet toelaatbaar en onontvankelijk te verklaren.
De vordering van eiseres is toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond en de Belgische Staat blijft weigeren, zelfs doorheen de ganse procedure, om het passend gevolg te verlenen aan de terechte vraag van eiseres om teruggave van BTW.
In dergelijk geval worden alle geding- en gerechtskosten lastens verweerder, de Belgische Staat, gelegd.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de art. 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.
Wijzende op tegenspraak.
Verklaart de vordering toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond.
Veroordeelt verweerder, de Belgische Staat vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, tot betaling aan eiseres van de som van … (…) FRANK,
- meer op deze som de wettelijke rente vanaf 8 mei 1990, datum waarop het teveel aan BTW werd betaald, tot dagvaarding van 4 mei 1995;
- meer op … fr. de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf dagvaarding van 4 mei 1995 tot integrale betaling.
Veroordeelt verweerder, de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, tevens tot de geding- en gerechtskosten aan de zijde van eiseres begroot in op 20 juni 1997 neergelegde besluiten en door de rechtbank herleid tot :
- … fr. kosten dagvaarding en rolstelling;
- … fr. rechtsplegingsvergoeding.
Verweerder dient uiteraard zijn eigen geding- en gerechtskosten te dragen.
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.
Zegt dat er geen redenen worden opgegeven of verantwoord die tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement zouden nopen (art. 1406 Ger.W.).
Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op EENENTWINTIG SEPTEMBER NEGENTIENHONDERD ACHTENNEGENTIG.
Aanwezig :
M. B., alleenzetelend rechter,
G. H., griffier.
G. H. M. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.