---
title: "Tarieven, Verlaagd tarief · Hof van beroep te Luik, 21 mei 2021"
description: "Tarieven, Verlaagd tarief, Nieuwe gebouwen, Werken in onroerende staat, Bouwwerkzaamheden, Omvorming. Hof van beroep te Luik (België), 21 mei 2021."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-verlaagd-tarief-nieuwe-gebouwen-hof-van-beroep-luik-2021-05-21-83d8"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Tarieven, Verlaagd tarief, Nieuwe gebouwen, Werken in onroerende staat

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Luik

**Datum**

21 mei 2021

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 6 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Luik 05.11.2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-verlaagd-tarief-nieuwe-gebouwen-rechtbank-luik-2019-11-05-334c)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Luik 21.05.2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

124 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 21.05.2021

WF 704-15-19/015774

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Tarieven – Verlaagd tarief – Nieuwe gebouwen – Werken in onroerende staat – Bouwwerkzaamheden – Omvorming – Renovatie –* [*Aanschrijving nr. 6/1986*](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) *– Zelfstandige wooneenheden - Afzonderlijke wooneenheden – Woning aangewend voor gemengd gebruik – Hoofdzakelijk privégebruik – Bijkomstige beroepsaanwending*

## Wettelijke bepalingen

Koninklijk besluit nr. 20 van de Btw

## Samenvatting

*1. Feiten en voorafgaande procedure*

Verzoekster heeft een uitbreiding laten bouwen aan de gezinswoning bestemd om haar beroep als arts in uit te uitoefenen. Deze uitbreiding bestaat uit een garage voor privégebruik op de begane grond en een dokterspraktijk op de eerste verdieping waaraan een wachtkamer, een toilet en een entreehal zijn verbonden. Het nieuwe deel is met een deur verbonden met het oude gebouw. Deze werkzaamheden werden onderworpen aan het verlaagd tarief van 6%. Gezien deze bouwwerkzaamheden niet konden worden beschouwd als betrekking hebbende op een privéwoning, was de administratie van mening dat deze werkzaamheden aan het normale btw-tarief moesten worden onderworpen.

In haar [vonnis dd. 5 november 2019 heeft de rechtbank van eerste aanleg van Luik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-verlaagd-tarief-nieuwe-gebouwen-rechtbank-luik-2019-11-05-334c) geoordeeld dat de door verzoekster aangevoerde elementen het mogelijk maken de onderlinge afhankelijkheid tussen de beide delen vast te stellen. Aangezien beide delen een samenhangend geheel vormen dat voldoet aan de definitie van omvormingswerken in de zin van koninklijk besluit nr. 20, is de rechter van oordeel dat de betwiste werken in onroerende staat aan het verlaagde tarief van 6% moeten worden onderworpen.

De Belgische Staat heeft beroep aangetekend.

*2. Arrest van het hof van beroep van Luik*

Hoewel de oprichting of de uitbreiding van een woning niet uitdrukkelijk is vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20, heeft het hof vastgesteld dat door de fiscale Administratie onder het begrip “omvorming” de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of, en zo een zekere tolerantie aantonen, de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken wordt verstaan.

Volgens de Administratie kan de uitbreiding van een bestaand gebouw worden beschouwd als een verbouwing van dit gebouw, voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte aanzienlijk blijft ten opzichte van het nieuwe gedeelte. Dit kan worden beschouwd zo te zijn wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het wooncomplex na de uitvoering van de werkzaamheden. Vereist is echter dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren, maar het oude gedeelte aanvult en er dus qua gebruik van het gebouw een geheel mee vormt.

Hoewel de rechtbanken niet gebonden zijn door de interpretatie die de Administratie aan de wet geeft, is het hof van beroep te Luik van oordeel dat dit functionele criterium relevant is om de werken die als een volledige of gedeeltelijke verbouwing van een residentieel gebouw kunnen worden beschouwd, te onderscheiden van die welke dit begrip te buiten gaan.

In dit geval heeft het hof vastgesteld dat er geen voldoende functioneel verband bestaat tussen de gezinswoning van verweerster en het gedeelte van de betwiste uitbreiding dat bestemd is voor de artsenpraktijk.

Uit de overgelegde documenten blijkt dat deze laatste een wachtkamer, een inkomhal, een toilet, een toevoer en een afvoer voor water omvat, alsook een aparte ingang met eigen bel en een afzonderlijke toegang van buitenaf voor de patiënten die ook over parkeerplaatsen beschikken.

Deze afzonderlijke toegang van buitenaf maakt het mogelijk de praktijk te bereiken zonder door de privégedeelten van het oorspronkelijke gebouw te moeten gaan, hetgeen zich leent voor een zelfstandige economische exploitatie, hetgeen in de praktijk het geval is aangezien het wordt gehuurd voor de professionele behoeften van de BVBA waarin de belanghebbende als arts zijn praktijk uitoefent.

Deze elementen volstaan om te besluiten dat de praktijk die deel uitmaakt van de betwiste uitbreiding, is ontworpen en gebouwd met het oog op de voldoende autonome uitoefening van het medisch beroep ten opzichte van de oorspronkelijke woning, zodat de bedoelde werken niet de verbouwing van een woning tot doel hadden in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20.

Het hof van beroep oordeelde dat het normale tarief van 21% van toepassing was. Het hof heeft evenwel de opgelegde geldboete nietig verklaard.

## Opmerking:

Tegenpartij heeft berust in het arrest.

Het arrest verwijst naar de administratieve tolerantie inzake het begrip “omvorming”, die voortvloeit uit punt 30 van [circulaire nr. 6 van 22.08.1986](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) en de beslissing E.T.106.933 van 01.09.1994, en meent dat het door de administratie gehanteerde functionele criterium relevant is, hoewel de rechter niet gebonden is aan een administratieve uitlegging. In haar arrest van 12 maart 2010 ([F.09.0011.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-verminderd-tarief-nieuwe-gebouwen-cassatie-brussel-2010-03-12-1ec2)) had het Hof van Cassatie reeds erkend dat het hof van beroep, door de door de Administratie gehanteerde criteria over te nemen, niet omdat zij in circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 waren voorzien, maar omdat zij relevant leken voor het te maken onderscheid, geen van de bepalingen heeft geschonden van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970. Er kan ook worden verwezen naar het arrest van het hof van beroep te Luik van 17 november 2014 (2013/RG/340, in de zaak van S.A. RPC GESTION), gepubliceerd op Fisconetplus.

In het onderhavige geval oordeelt het arrest dat er geen voldoende functioneel verband bestaat tussen de privéwoning en de uitbreiding die voor beroepsdoeleinden gebruikt wordt. De aanwezigheid van een afzonderlijke toegang bepalend is geweest om te besluiten dat de betwiste werkzaamheden geen verbouwingswerken waren ten aanzien van het functioneel criterium.

Het arrest past de “zelfstandige wooneenheid”-toets correct toe (zie ook Luik, 7 maart 2017, 2013/RG/1465 en Luik, 6 november 2018, 2017/RG/857, gepubliceerd op Fisconetplus).

In een gedeeltelijk vergelijkbare zaak heeft het hof van beroep te Luik reeds een gunstige uitspraak gedaan, met name in het arrest van 10 juni 2014, (2013/RG/135), gepubliceerd op Fisconetplus. Dat arrest onderzocht de objectieve kenmerken en de mogelijkheden van het nieuw opgerichte goed teneinde de aard van de werken te bepalen. Deze vaststelling moet geval per geval gebeuren al naargelang de omstandigheden. Het arrest identificeerde verschillende elementen die hebben toegelaten om te bepalen of er al dan niet sprake is van een zelfstandige wooneenheid.

Er wordt ook verwezen naar het arrest van het hof van beroep te Luik van 14 oktober 2019, 2018/RG/893, SA Light Elec), gepubliceerd op Fisconetplus met opmerkingen.

**Tekst van het arrest**

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Arrêt de la cour d’appel de Liège du 21.05.2021**

Rôle : 2020/RG/80

EN CAUSE DE:

1\. **ETAT BELGE, SPF FINANCES**, poursuites et diligences du Conseiller général, Directeur du Centre PME Liège, dont les bureaux sont établis à 4000 LIÈGE, rue de Fragnée, 2 Bte 73, partie appelante, représentée par Madame Inès TROISFONTAINE, fonctionnaire de l'administration fiscale.

**CONTRE:**

1\. K.A., RNN 73......-59, domiciliée à ..., partie intimée, comparaissant personnellement.

Vu les feuilles d'audience des 17 février 2020, 23 avril 2021 et de ce jour

**APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ**

Vu le dossier de procédure en forme régulière et notamment

\- en copie conforme le jugement rendu le 5 novembre 2019 par le Tribunal de première instance de Liège et signifié le 30 décembre 2019;

\- la requête d'appel de l'Etat belge reçue au greffe de la Cour le 24 janvier 2020;

\- es conclusions et les dossiers des parties.

L'appel a été interjeté dans les formes et délai légaux. Sa recevabilité n'est pas contestée et il n'existe aucun moyen d'irrecevabilité à soulever d'office par la Cour.

Il est par conséquent recevable.

La présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci­ après.

## Les faits et l'objet du litige

1\. Sur ces points, la Cour se réfère à l'exposé du premier juge tel qu'il figure au jugement déféré sous l'intitulé « exposé des faits et antécédents de procédure ».

Il suffit de rappeler que le litige est relatif à un montant de 8.029,25 € de taxe sur la valeur ajoutée, ainsi qu'à une amende proportionnelle de 800€, réclamés à Madame K.A. et concerne le taux de la taxe applicable à la construction d'une extension à son habitation.

2\. Madame K.A. est docteur en médecine et exerce son activité par l'entremise de sa société, la SPRL Dr A.K..

Elle a fait construire une extension attenante à son immeuble afin d'y établir un cabinet médical, qui a ensuite été loué à la société pour un montant de 350 € par mois.

Les travaux en question ont donné lieu à l'application du taux réduit de TVA de6%.

3\. Suite à la vérification de la déclaration prévue à l'article64 § 4 du Code de la TVA et à un contrôle, l'administration a admis ce taux pour les factures afférentes au garage situé sous le cabinet en considérant que celui-ci était annexé à l'habitation de Madame K.A..

Toutefois, elle a estimé pour le surplus que le taux ordinaire de 21 % aurait dû être appliqué aux travaux ayant pour objet la partie professionnelle de l'extension destinée à héberger le cabinet médical.

Le 29 novembre 2018, l'administration a établi en conséquence un relevé de régularisation et Madame K.A. a marqué son accord sans réserve sur celui-ci le 30 novembre 2018.

Par lettre datée du même jour, elle a sollicité la remise des amendes et des intérêts de retard•

Ceux-ci ont été maintenus par décisions des 29 janvier et 10 avril 2019•

4\. Par requête du 7 février 2019, Madame K.A. a porté la contestation auprès du Tribunal de première instance de Liège.

En termes de conclusions, elle a en outre remis en cause l'application du taux de 21 %.

Au cours de la procédure, l'Etat belge a renoncé aux intérêts de retard, ce qui a été entériné par le premier juge dont la décision n'est pas frappée d'appel sur ce point, et ceux-ci ont été restitués à Madame K.A..

Pour le surplus, le jugement du 5 novembre 2019 a dit la requête recevable et fondée et dit pour droit que les travaux litigieux devaient être soumis au taux réduit de 6 %, a annulé l'amende de 800 €, a ordonné le remboursement de toutes sommes indûment retenues majorées des intérêts moratoires et a condamné l'Etat belge aux dépens liquidés à zéro euro.

5\. Ce dernier a interjeté appel le 24 janvier 2020.

Il demande à la Cour de déclarer la demande originaire de Madame K.A. non fondée, de confirmer la cotisation établie sous les références CTRI 500205640275, compte tenu de la modification de l'ordre de recouvrement supprimant les intérêts, et de condamner l'intimée aux dépens liquidés à 20 €.

6\. Madame K.A. conclut quant à elle à l'application du taux réduit de 6 % aux travaux relatifs à l'entièreté de l'annexe (TVA contestée: 8.029,25 €), au caractère indu de l'amende proportionnelle (800 €) et demande de déclarer l'Etat belge redevable des frais de signification du jugement entrepris (187,43 €), de frais liés à des achats de littérature de droit (76, 59 €), montants à majorer des intérêts moratoires.

## Discussion

7\. En vertu de l'[article 1er de l'arrêté royal n°20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) du 20 juillet 1970 fixant le taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, le taux normal de la taxe est fixé à 21%.

8\. Par dérogation, la taxe est perçue au taux réduit de 6 % en ce qui concerne les biens et services énumérés au tableau A de l'annexe à cet arrêté.

S'agissant d'exceptions au taux normal de la taxe, celles-ci doivent être interprétées de manière stricte.

9\. La rubrique XXXI du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n°20 vise les travaux immobiliers affectés à des logements privés et prévoit l'application du taux de 6 % pour autant qu'ils réunissent les conditions cumulatives suivantes:

1 ° les opérations doivent avoir pour objet la transformation, la rénovation, la réhabilitation, l'amélioration, la réparation ou l'entretien, à l'exclusion du nettoyage, de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation;

2 ° les opérations doivent être affectées à un bâtiment d'habitation qui, après leur exécution, est effectivement utilisé soit exclusivement, soit à titre principal comme logement privé;

3 ° les opérations doivent être effectuées à un bâtiment d'habitation dont la première occupation précède d'au moins quinze ans la première date d'exigibilité de la T.V.A. survenue en vertu de l'article 22, § 1er ou de l'[article 22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) du Code;

4 ° les opérations doivent être fournies et facturées à un consommateur final;

(...)

10\. La première condition posée par cette disposition est ainsi que les travaux en cause aient pour objet la transformation, la rénovation, la réhabilitation, l'amélioration, la réparation ou l'entretien, à l'exclusion du nettoyage, de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.

La construction ou l'agrandissement d'un bâtiment d'habitation ne sont ainsi pas visés expressément.

11\. Certes, l'administration fiscale interprète la notion de «transformation» comme incluant aussi bien la transformation extérieure de l'immeuble que la transformation intérieure du bâtiment ou, faisant ainsi preuve d'une certaine tolérance, son agrandissement, par adjonction de pièces nouvelles et extension des pièces existantes •

Elle précise encore à cet égard que l'agrandissement d'un bâtiment existant peut être considéré comme une transformation de ce bâtiment dans la mesure où la superficie de la partie ancienne demeure significative par rapport à la partie nouvelle. On peut considérer qu'il en est ainsi lorsque la superficie de la partie ancienne est supérieure à la moitié de la superficie totale de l'habitation ou du complexe d'habitation après l'exécution des travaux.

En outre, il est requis que la partie nouvelle ne puisse fonctionner indépendamment de la partie ancienne mais complète la partie ancienne et forme donc avec elle un ensemble quant à l'utilisation du bâtiment.

12\. Si les juridictions ne sont pas tenues par l'interprétation donnée à la loi par l'administration, il n'en demeure pas moins que la Cour estime que ce critère fonctionnel est pertinent pour distinguer les travaux qui peuvent être considérés comme une transformation de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation de ceux qui excèdent cette notion.

13\. En l'espèce, il y a lieu de constater l'absence de lien fonctionnel suffisant entre l'habitation familiale de l'intimée et la partie de l'extension litigieuse affectée au cabinet médical.

En effet, il ressort des plans d'architecte, du dossier photographique et des devis produits que cette dernière comprend une salle d'attente, un hall d'entrée, une toilette, une arrivée et une évacuation des eaux, ainsi qu'une entrée séparée munie de sa propre sonnette avec une passerelle extérieure destinée à la patientèle qui dispose d'emplacements de parking à son usage•

Cet accès distinct depuis l'extérieur permet, sans devoir passer par les parties privées de l'immeuble d'origine, de rejoindre le cabinet qui se prête à une exploitation économique autonome, ce qui est le cas en pratique puisqu'il est loué pour les besoins professionnels de la SPRL Dr A.K..

Ces éléments suffisent pour conclure que le cabinet faisant partie de l'extension litigieuse a été conçu et réalisé aux fins de l'exercice de l'activité professionnelle médicale de manière suffisamment autonome par rapport à l'habitation d'origine, de sorte que les travaux en cause n'avaient pas pour objet la transformation d'un bâtiment d'habitation au sens de la rubrique XXXI du tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n°20.

Ni la contiguïté de l'extension et de l'immeuble familial, ni leur intégration urbanistique, architecturale et esthétique, pas plus que l'existence d'une chaudière, de compteurs et d'un jardin communs ainsi que d'une porte reliant le cabinet médical au salon privé de l'intimée ne remettent en cause cette conclusion.

14\. Il en résulte que le taux normal de la taxe, à savoir 21 %, était bien d'application et que le jugement entrepris doit être réformé sur ce point.

## *Quant à la demande de remise de l'amende*

15\. L'amende de 800 € contestée a été infligée en application de l'article 70

§1er du Code de la TVA et a été régulièrement réduite conformément à l'arrêté royal n°41 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée.

16\. Madame K.A. a toutefois introduit une requête en remise d'amende par lettre du 30 novembre 2018, soit le jour de la signature sans réserve du relevé de régularisation.

Elle y faisait part de sa bonne foi et qu'elle était persuadée que le taux de 6 % était applicable pour l'ensemble de l'extension. Elle mentionnait en outre que les plans de l'architecte indiquaient qu'il s'agissait d'un cabinet médical et qu'à aucun moment ce dernier, ou un autre intervenant dans la construction, n'a soulevé un problème relatif à la TVA.

17\. Il n'est pas contesté que cette requête constitue une demande saisissant le ministre des finances, ou les fonctionnaires délégués par lui, en vue d'obtenir la remise de l'amende en application de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, applicable avant l'entrée en vigueur de la loi du 29 mars 2018 visant à élargir les missions et à renforcer le rôle du service de conciliation fiscale.

18\. L'amende prévue par l'[article 70 §1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), frappant toute infraction à l'obligation de payer la taxe, concerne la généralité des citoyens.

Les amendes fiscales prévues à l'[article 70 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) ont pour objet de prévenir et de sanctionner les infractions commises par tous les redevables, sans distinction aucune, qui ne respectent pas les obligations imposées par ce Code. Elles ont donc un caractère répressif et sont de nature pénale au sens de l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme.

Il appartient au législateur d'appré ci er s'i l y a lieu de contraindre l'administration et le juge à la sévérité quand une infraction nuit particulièrement à l'intérêt général. Mais s'il estime devoir permettre à l'administration de moduler l'importance de la sanction, rien de ce qui relève de l'appréciation de l'administration ne doit pouvoir échapper au contrôle du juge.

Ainsi, lorsqu'il est saisi d'un recours contre une décision prise, en vertu de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, par le ministre des Finances ou son délégué, le juge doit pouvoir remettre ou réduire l'amende au même titre que le ministre des Finances ou son délégué, qui détiennent les pouvoirs les plus larges puisqu'ils disposent d'une prérogative de caractère discrétionnaire.

19\. L'amende querellée ayant fait l'objet d'une demande de remise conformément à l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mars 1831, comme le reconnaît du reste l'Etat belge, la Cour de céans dispose des mêmes pouvoirs à l'égard de celle-ci.

20\. En l'espèce, la réalité des motifs exposés par Madame K.A. dans sa requête n'est pas contestée et rien ne permet de remettre en cause sa bonne foi.

Celle-ci est d'autant plus crédible qu'elle n'est pas une professionnelle de la fiscalité et n'a pas été conseillée dans ce domaine.

En outre, les documents à disposition de l'administration, en particulier les plans de l'architecte mentionnant la fonction de cabinet médical de l'extension à ériger, lui ont permis d'exercer son contrôle sans difficulté, rien ne lui ayant été celé et Madame K.A. ayant collaboré à la vérification en cause.

Par ailleurs, il n'est pas soutenu que Madame K.A. aurait commis à un moment quelconque une autre infraction à la législation en matière de taxe sur la valeur ajoutée.

Enfin, sa contestation portait sur une question de principe et la croyance en la régularité de sa situation n'était pas manifestement farfelue, puisqu'il s'est trouvé un juge pour la consacrer.

21\. Dans ces circonstances, pour d'autres motifs que ceux retenus par le premier juge qui a annulé l'amende en cause, il y a lieu de remettre celle­ ci.

22\. Surabondamment, il sera rappelé que la Cour constitutionnelle a jugé que l'[article 70, § 1er, alinéa 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) viole les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme, en ce qu'il ne permet pas au tribunal de première instance d'assortir d'un sursis l'amende prévue par cette disposition.

Or, les circonstances relevées ci-dessus justifieraient à l'évidence l'octroi d'un sursis à Madame K.A., si celui-ci était prévu par la loi, de sorte que l'absence de possibilité de le lui accorder rend contraire à la Constitution et, partant, inapplicable la disposition légale sur laquelle l'amende est fondée, ce qui entrainerait également sa mise à néant.

## *Quant aux frais de signification et de documentation juridique*

23\. Les autres demandes de Madame K.A., relatives aux frais de signification du jugement entrepris ainsi qu'« aux achats de littérature de droit » ne sont pas étayées par des pièces.

24\. En outre, les frais de signification ne sont pas des dépens énumérés limitativement par l'article 1018 du Code judiciaire, mais bien des frais d'exécution qui, en vertu de l'article 1024 du même Code, incombent à la partie contre laquelle l'exécution est poursuivie.

Or, le titre qui justifie l'exécution forcée constitue une base suffisante pour récupérer les frais d'exécution, de sorte qu'il n'est exigé ni condamnation particulière, ni taxation ou liquidation ultérieure.

Le jugement dont appel constituant le titre exécutoire pour récupérer les frais de sa propre signification, il n'y a pas lieu de prononcer la condamnation au paiement de ceux-ci par le présent arrêt.

25\. Enfin, s'agissant des frais de documentation juridique de Madame K.A., cette dernière n'explique pas, et la Cour n'aperçoit pas, sur quelle base ceux-ci pourraient être réclamés à la partie appelante.

26\. Ces demandes sont par conséquent non fondées.

## Dépens

27\. Chaque partie succombant sur quelque chef, les dépens seront compensés en application de l'article 1017 du Code judiciaire et laissés à charge de la partie qui les a exposés.

### Beschikkend gedeelte

## PAR CES MOTIFS:

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire,

La cour, statuant contradictoirement

RECOIT l'appel et le dit partiellement fondé.

CONFIRME le jugement entrepris en ce qu'il reçoit la demande et dit pour droit que Madame K.A. est libérée des intérêts de retard.

MET A NEANT l'amende de 800 € infligée à cette dernière.

REFORME pour le surplus le jugement entrepris.

DIT non fondée la demande originaire de Madame K.A. à l'égard du montant de TVA qui lui est réclamé (8.029,25 €)

COMPENSE les dépens d'instance.

COMPENSE les dépens d'appel.

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIÈME chambre D de la cour d'appel de Liège, où siégeait le conseiller f.f. de président Simon CLAISSE comme juge unique et prononcé en audience publique du 21 mai 2021 par le conseiller f.f. de président Simon CLAISSE, avec l'assistance du greffier Laura DELIEF.

Signatures

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 1 voorkomen

[WBTW art. 22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verlaagd tarief, Geluidswerende panelen, Principekwestie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verlaagd-rechtbank-antwerpen-2022-03-16-3c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Anticiperen op de facturering van vergoedingen en de datum van de verrichte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/anticiperen-facturering-vergoedingen-datum-verrichte-rechtbank-luik-2022-03-31-4a58) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, Nieuw gebouw, Werken in onroerende staat, Bouwwerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuw-gebouw-werken-rechtbank-brussel-2023-05-31-57ac) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verbouwingen en uitbreidingen, Toepasselijk tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verbouwingen-rechtbank-luik-2023-10-24-1646) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aard van de verrichte werken in onroerende staat, Nieuwbouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aard-verrichte-werken-in-onroerende-rechtbank-bergen-2024-01-09-1785) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Beroepsoprichter, voldoening van de btw, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroepsoprichter-voldoening-btw-recht-aftrek-hof-van-beroep-antwerpen-2023-10-17-1c50) 2 gemeenschappelijke bepalingen
