Hoofding van de beslissing
Rolnummer 2275
Arrest nr. 15/2003 van 28 januari 2003
A R R E S T __________
In zake : de prejudiciële vraag betreffende het nummer XXXI, § 1, 4 °, van tabel A als bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waar de en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi.
Het Arbitragehof,
samengesteld uit de rechters L. François en M. Bossuyt, waarnemend voorzitters, en de rechters R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter L. François,
wijst na beraad het volgende arrest :
* * * I. Onderwerp van de prejudiciële vraag
Bij vonnis van 10 oktober 2001 in zake F. Lambert tegen de Belgische Staat, waarvan de
expeditie ter griffie van het Arbitrage hof is ingekomen op 18 oktober 2001, heeft de
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Is het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, in zijn bijlage tabel A, XXXI, § 1, punt 4, strijdig met het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 10 van de Grondwet, doordat het een onderscheid invoert tussen de al dan niet geregistreerde aannemers, en meer bepaald doordat het de niet-geregistreerde aannemer die dezelfde werkzaamheden verricht als een geregistreerde aannemer, verplicht een hogere belasting over de toegevoegde waarde aan te rekenen dan de geregistreerde aannemer ? »
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Van F. Lambert, aannemer in niet-metalen dakbedek kingswerken, wordt, naast een boete, 724.191 oude frank gevorderd als B.T.W., om reden dat hij voor bepaalde facturen verder het verlaagde tarief van 6 pct. voor bouwwerken heeft toegepast, terwijl zijn registratie als aannemer was geschrapt. Nadat een dwangbevel werd uitgevaardigd voor die bedragen tekent hij verzet aan bij de verwijzende rechter, waarbij het geding later door de curator wordt hervat, aangezien F. Lambert inmiddels failliet werd verklaard.
Aangezien de partijen de vraag hebben gesteld naar de bestaanbaarheid van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, bekrachtigd bij artikel 194 van de wet van 30 december 1998, met het gelijkheidsbeginsel, doordat het een discriminatie zou invoeren tussen de geregistreerde aannemers en diegenen die dat niet zijn - waarbij enkel de eerstgenoemden een verlaagd tarief kunnen toepassen -, stelt de verwijzende rechter de hierboven vermelde prejudiciële vraag.
III. De rechtspleging voor het Hof
Bij beschikking van 18 oktober 2001 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.
Van de verwijzingsbeslissing is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 12 november 2001 ter post aangetekende brieven.
Het bij artikel 74 van de organieke wet voor geschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 december 2001.
Memories zijn ingediend door :
- P. Cuvelier, advocaat te 6530 Thuin, place Albert Ier 6, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van F. Lambert, wonende te 6540 Lobbes, r•• d•• W••••• ••, bij op 24 december 2001 ter post aangetekende brief;
- de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 27 december 2001 ter post aangetekende brief.
Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 17 januari 2002 ter post aangetekende brieven.
Bij beschikkingen van 27 maart 2002 en 26 september 2002 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 18 oktober 2002 en 18 april 2003.
Bij beschikking van 7 november 200 2 heeft het Hof de zaak in gereedhe id verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 27 november 2002.
Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 8 november 2002 ter post aangetekende brief brieven.
Op de openbare terechtzitting van 27 november 2002 :
- zijn verschenen :
. Mr. H. Michel, advocaat bij de balie te Charleroi, voor P. Cuvelier;
. Mr. J.-F. Dizier, advocaat bij de balie te Charleroi, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.
IV. In rechte
- A -
Standpunt van de eiser voor de verwijzende rechter
A.1. Hij beklemtoont ten gronde dat de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat de niet-geregistreerde aannemer zich in een minder concurrentiële positie bevindt dan diegene die wel is geregistreerd, aangezien de niet-geregistreerde aannemer, door de toepassing van een hoger B.T.W.-tarief voor facturen waarvan de geadresseerde de B.T.W. niet kan aftrekken, een lager bedrag zonder B.T.W. dient te factureren indien hij wil dat zijn aanbod concurrerend blijft.
A.2.1. Volgens die partij zijn de verantwoordingen die door de Belgische Staat ter ondersteuning van het in het geding zijnde verschil in behandeling worden aangevoerd niet relevant, of het nu gaat om het uitschakelen van de koppelbazen in de bouwsector dan wel om het harmoniseren van de wetgevingen inzake directe belastingen en B.T.W.
A.2.2. Wat de eerste doelstelling betreft, wordt gesteld dat de registratie geen verplichting is die aan de aannemer die factureert wordt opgelegd, waarbij het ontbreken van een registratie dan ook niet inhoudt dat er een gebrek is aan ernst of solvabiliteit. Bovendien wordt beklemtoond dat het feit dat een aannemer die niet of niet langer geregistreerd is en die fiscale of sociale schulden heeft in een zwakkere concurrentiepositie wordt geplaatst « onverenigbaar zou zijn met het nagestreefde doel aangezien het koninklijk besluit hem indirect zou verhinderen zijn schulden terug te betalen ».
A.2.3. Wat de tweede doelstelling betreft, verklaart de eiser voor de verwijzende rechter de bekommernis van harmonisering niet te begrijpen : krachtens de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (W.I.B.) zouden, in zoverre de aangehaalde werken een woning betreffen, de artikelen 400 en volgende van het W.I.B. niet van toepassing zijn, terwijl volgens het koninklijk besluit nr. 20 het voorkeurtarief van toepassing is indien het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft een woning betreft.
Die harmonisering zou bovendien « moeilijk te verklaren zijn ». « Krachtens de artikelen 400 en volgende van het W.I.B. dient de inhouding te gebeuren bij elke betaling, zodat, indien de aannemer zijn registratie tijdens de uitvoering van de overeenkomst verliest, de inhoudingen dienen te gebeuren. » « De toepassing van het verlaagde tarief is daarentegen ondergeschikt aan de registratie tijdens het afsluiten van de overeenkomst, zodat, indien de aannemer zijn registratie tijdens de uitvoering verliest, het verlaagde tarief van toepassing blijft. »
Standpunt van de Ministerraad
A.3.1. De Ministerraad stelt allereerst dat het nummer XXXI, § 1, 4°, van tabel A als bijlage bij het koninklijk besluit van 20 juli 1970 verwijst naar de artikelen 400 en 401 van het W.I.B. 1992, welke deel uitmaken van een afdeling die verschillende verplichtingen oplegt aan personen die een overeenkomst sluiten met niet-geregistreerde aannemers, en die de rol en de opdracht van de registratiecommissies bepaalt.
Er wordt opgemerkt dat die bijlage de wetgevingen inzake directe belastingen en B.T.W. met elkaar in overeenstemming wil brengen. De Ministerraad stelt dat « de door de wetgever beoogde doelstelling, door een onderscheid te maken tussen de geregistreerde en de niet-geregistreerde aannemers, door het toepassen van verschillende B.T.W.-tarieven, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de contractant met de niet-geregistreerde aannemer voor de betaling van de belastingschulden, en de verplichting voor de medecontractant om 15 pct. van het bedrag dat hij schuldig is in te houden en rechtstreeks te storten aan de door de Koning aangewezen ambtenaar, erin bestaat te eisen dat een beroep wordt gedaan op een geregistreerde aannemer die de noodzakelijke waarborgen inzake ernst en fiscale solvabiliteit biedt. De registratie van de aannemer die schulden heeft bij de R.S.Z. of de belastingen, wordt geschrapt, precies omdat hij niet langer de waarborgen inzake ernst en solvabiliteit biedt. Het gaat eveneens om een doeltreffend wapen tegen de fiscale fraude ».
De Ministerraad merkt overigens op dat de in het geding zijnde maatregel past in een veralgemeende strijd tegen de frauduleuze praktijken van de koppelbazen. De Ministerraad betwist de door de eiser aangevoerde tegenstelling en stelt dat de toepassing van het verlaagde tarief voor bepaalde werken in gebouwen niet is beperkt tot de woningen van particulieren maar eveneens de werken in gebouwen omvat die grote bouwplaatsen betreffen, waarvoor een beroep wordt gedaan op veel arbeidskrachten; daaruit wordt afgeleid « dat zij bijgevolg passen in de bekommernis van de wetgever, die aan de basis lag van het toepassen van maarregelen in de strijd tegen de frauduleuze praktijken van de koppelbazen ».
- B -
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het nummer XXXI, § 1, 4°, van tabel A
als bijlage bij het bij wet bekrachtigde koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot
vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van
de goederen en de diensten bij die tarieven.
Het nummer XXXI van die tabel - een tabel die de goederen en diensten preciseert
waarvoor de belasting over de toegevoegde waar de wordt geïnd tegen het tarief van 6 pct.,
krachtens artikel 1 van het besluit van 20 juli 1970 - bepaalde, zoals het van toepassing was
op het ogenblik van de feiten :
« § 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;
3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de B.T.W. dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek;
4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
[…] »
Enkel paragraaf 1, 4°, van dat artikel is in het geding.
B.2. Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling bestaat erin dat de in het geding zijnde bepaling, doordat ze het voordeel van het verlaagde tarief van 6 pct., naast andere voorwaarden, afhankelijk maakt van het feit dat de handelingen moeten worden « verstrekt en gefactureerd door een geregistreerd zelfstandig aannemer », de aannemer die dat niet is ertoe verplicht een hoger tarief van de belasting over de toegevoegde waarde toe te passen.
B.3. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.4. Met de in het geding zijnde maatregel, te weten het verlagen van het B.T.W.-tarief van 21 pct. naar 6 pct., beoogt de wetgever de renovatie van bestaande woningen aan te moedigen en de inning van de B.T.W. te optimaliseren.
B.5. Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of een aannemer al dan niet geregistreerd is.
B.6. Dat criterium is niet irrelevant ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen en in het bijzonder diegene die erin bestaat zich te vergewissen van een effectieve inning van de op de betrokken werken verschuldigde B.T.W. De wetgever vermocht immers redelijkerwijze te vermoeden dat de gestelde voorwaarden voor het verkrijgen en het behouden van een registratie- en in het bijzonder diegene die zijn vermeld in artikel 2, § 1, 3° en 10° tot 13°, van het koninklijk besluit van 26 december 1998 - van dien aard waren dat ze waarborgen dat de geregistreerde aannemers zich op regelmatige wijze van hun verplichtingen inzake B.T.W. zouden kwijten.
B.7.1. De in het geding zijnde maatregel heeft ten aanzien van de niet-geregistreerde aannemers geen onevenredige gevolgen.
Wanneer zij voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld voor het verkrijgen van die registratie- en zij daardoor in orde zijn op het vlak van hun fiscale en sociale verplichtingen -, kunnen zij immers die registratie verkrijgen en bijgevolg de mogelijkheid genieten om de verlaging toe te passen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet.
B.7.2. Die bepaling kan weliswaar substantiële gevolgen hebben ten aanzien van de concurrentiepositie van de aannemer wiens registratie is geschrapt. Die gevolgen zijn evenmin onevenredig.
Enerzijds, is de schrapping van de registratie een maatregel die enkel kan worden genomen om redenen die van dien aard zijn dat ze hem verantwoorden (artikelen 8 en 9 van het voormelde koninklijk besluit van 26 december 1998), en met name de niet-inachtneming door de betrokken aannemer van zijn fiscale en/of sociale en/of loonverplichtingen (voormeld artikel 9, 3° en 4°); er kan slechts tot die maatregel van schrapping worden besloten met inachtneming van een bij de wet vastgestelde procedure, die de eerbiediging van de rechten van de verdediging garandeert en het recht op het instellen van beroep tegen de maatregel van schrapping (artikel 401 van het W.I.B. 92) omvat.
Anderzijds, heeft een mogelijke maatregel van schrapping geen gevolgen ten aanzien van de aannemingscontracten die voordien door de aannemer zijn afgesloten, zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van de aan het Hof voorgelegde bepaling.
B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Beschikkend gedeelte
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Het nummer XXXI, § 1, 4°, van tabel A als bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 januari 2003, door de voormelde zetel, waarin rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, voor de uitspraak is vervangen door rechter P. Martens, overeenkomstig artikel 110 van dezelfde wet.
De griffier, De wnd. voorzitter,
L. Potoms L. François
De gegevens van een partij die het Hof leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.