Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 26.07.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE A.R. nr. 04/0881/A
D. B. S., kunsthandelaar, wonende te …, ….
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. S. loco Mr. G. P., advocaat te …, ….
tegen :
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE en DOMEINEN, in de persoon van de heer e.a. inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door D. loco Mr. R., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van dagvaarding van 11.4.2000 houdende verzet door eiser tegen het dwangbevel uitgevaardigd door K. B., ea Inspecteur ai van het 2e BTW-ontvangkantoor van Hasselt van 6.1.2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. K., Inspecteur ai van het BTW-controlekantoor van Maaseik d.d. 10.1.2000, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Hasselt, dat aan eiser werd betekend op 21.1.2000 bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. H.;
- de heropening der debatten bij tussenvonnis van 22.3.2006 wegens afwezigheid van neerlegging van stukken door verweerder;
- de stukken en conclusies van partijen
Feiten en voorgaanden
Eiser is ingevolge zijn economische activiteit, nl. groot- en kleinhandel in antiek, geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nr. … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.
Op 14 april 1999 hebben ambtenaren van verweerder een BTW-controle doorgevoerd over de periode 1.1.1995 tot en met 31.12.1998 betreffende de door eiser uitgevoerde beroepswerkzaamheden.
In deze controle werd volgens verweerder vastgesteld dat :
- de verkoopfacturen van eiser onregelmatig zouden zijn, namelijk enkel de verkoopprijs inclusief BTW zouden vermelden, terwijl in strijd met artikel 5, § 1 van het K.B. BTW nr. 1 van 29.12.1992 geen aparte vermelding werd gemaakt van de maatstaf van heffing, het tarief van de verschuldigde BTW en het bedrag van de verschuldigde belasting;
- voor een aantal handelingen het BTW-tarief van 6 % werd toegepast, terwijl volgens verweerder ingevolge art. 37 & 1 W.BTW en artikel 1, 3° K.B. BTW nr. 20 van 20.7.1970, de BTW moest geheven worden tegen het tarief van 20,5 % vanaf 1.1.1995 tot 31.12.1995 en van 21 % vanaf 1.1.1996.
De vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 26.10.1999 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- … BEF (… €) BTW;
- … BEF (… €) geldboete krachtens art. 70, § 1 W.BTW, verminderd conform de bepalingen van het K.B. nr. 41 tot … BEF (… €);
- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.1.2001 over de som van … BEF vanaf 21.1.1999.
Op 6.1.2000 werd tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 26.10.1999. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10.1.2000.
In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW, alsook de vervolgingskosten.
Bij exploot van 21.1.2000 werd het dwangbevel aan eiseres betekend.
De voormelde dagvaarding houdende verzet tegen dit dwangbevel maakte de huidige vordering aanhangig.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering, zodat zij de vordering als ontvankelijk beoordeelt.
Ten gronde
De bewijskracht van het proces-verbaal van 26.10.1999
Eiser roept vooreerst in dat verweerder geen bewijs levert van het bestaan van een schuld aan BTW, hoger dan aangegeven.
In het proces-verbaal van 26.10.1999 verhaalt een ambtenaar van de diensten van verweerder dat eiser onregelmatige verkoopfacturen zou hebben opgesteld en dat hij ten onrechte een tarief aan BTW van 6 % zou hebben toegepast, terwijl het tarief in werkelijkheid 20,5 %, respectievelijk 21 % was.
Gelet op het feit dat verweerder overging tot invordering van een belasting, volgens haar hoger dan die toegepast, ingehouden en aangegeven door eiser, rust op hem de bewijslast van het bestaan van die belastingschuld.
Verweerder roept daartoe de "vaststellingen" in opgetekend in voormeld proces-verbaal.
De bewijskracht van een dergelijk proces-verbaal, namelijk tot bewijs van het tegendeel, strekt zich uit tot alle vaststellingen opgetekend door de verbaliserende ambtenaar in dat proces-verbaal, met name tot de door hem vastgestelde gegevens en feiten (Cass. 13 juni 1978, Arr. Cass. 1978, I, 1204; Cass. 7 juni 1983, R.W. 1983-84, 1342; Cass. 14 december 1988, Pas. 1989, I, 419). Die bewijskracht strekt zich niet uit tot de gevolgtrekkingen door de ambtenaar. In de mate dat dergelijke gevolgtrekkingen als feitelijk vermoeden tot bewijs worden aangewend, moeten zij berusten op vaststaande gegevens, controleerbaar door de rechtbank.
In casu moet bij lezing van het proces-verbaal worden vastgesteld dat de verbaliserende ambtenaar louter stelt dat voor "onderstaande handelingen" het BTW-tarief van "0,5 % vanaf 1.1.1995 tot 31.12.1995 en van 21 % vanaf 1.1.1996" moet worden toegepast, terwijl hij niet nader aanduidt waarom op grond van zijn vaststellingen ervan zou moeten worden uitgegaan dat eiser goederen te koop aanbood waarop het BTW-tarief van 6 % niet van toepassing zou zijn. Bij nadere lezing van het proces-verbaal blijkt dat de aard van de goederen niet werd vastgesteld, noch de vermeldingen op de facturen, noch, wat de aard van de goederen betreft, de eventuele afwezigheid van vermelding van de aard van die goederen, en, bovendien, dat evenmin vaststellingen of feitelijke gegevens opgetekend werden die toelaten de aard van die goederen te controleren, zijnde hetzij kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen dan wel antiquiteiten als omschreven in punt XXI van tabel A van het K.B. BTW nr. 20, zodat ook de al dan niet juiste toepassing van de tariefindeling door eiser niet kan worden nagegaan.
Dat geldt bovendien eveneens voor de "margeregeling" waarvan de verbaliserende ambtenaar melding maakt, daar hij geen verdere feitelijke gegevens verhaalt die toelaten aan te nemen dat de verkeerde toepassing van die regeling bewezen is.
Verder wordt enkel een cijfermatige herberekening van de door eiser verschuldigde BTW opgesomd, doch geen andere feitelijke gegevens die de rechtbank toelaten aan te nemen dat de conclusie van de verbaliserende ambtenaar, namelijk de verschuldigdheid van een hoger bedrag aan BTW dan aangegeven en afgedragen door eiser, gesteund is op de vaststellingen door hem gedaan. Evenmin worden de facturen zelf of kopies ervan, voorgelegd. Of eiser ondermeer een verkeerd BTW-tarief toepaste, is derhalve niet controleerbaar op grond van de thans voorliggende bewijsgegevens.
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat verweerder niet slaagt in de hem toekomende bewijslast van het bestaan van een belastingschuld hoger dan aangegeven.
Gelet daarop, komt het overbodig voor de overige argumenten van partijen nog te onderzoeken.
De vordering van eiser kan worden ingewilligd.
Gelet op de toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak,
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond,
Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd door K. B., ea Inspecteur ai van het 2e BTW-ontvangkantoor van Hasselt van 6.1.2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. K., Inspecteur ai van het BTWcontrolekantoor van Maaseik d.d. 10.1.2000, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Hasselt, dat aan eiser werd betekend op 21.1.2000 bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. H.;
Veroordeelt verweerder tot de terugbetaling van alle sommen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend op de sommen vermeld in het dwangbevel, verhoogd met de moratoriumintresten,
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op … euro rechtsplegingvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 26.07.2006 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw C. V., enige rechter, en,
De heer Ph. N., griffier.
Ph. N. C. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.